26. Esalen in historisch perspectief

Ik ben begonnen met een beschouwing over het Indiase tantrisme: het lichaam als plaats van verlichting. Vervolgens werd de vraag gesteld: hoe serieus is Gods menswording? Op zoek naar een waterdichte, dogmatische definitie vochten theologen zich rondom deze kwestie soms elkaar de kerk uit. Schilders uit de Renaissance toonden wat theologen niet konden of durfden te zeggen. Zij lieten Jezus zien als waarlijk mens, een man en schilderden zijn mannelijke geslachtsorgaan. Het gehele lichaam is een goddelijk lichaam.

Vanaf de Middeleeuwen tot aan de Renaissance waren er mystici die hun liefde voor God de Vader en zijn zoon Jezus beschreven in erotische termen, vooral de hand van een commentaar op het Hooglied. Binnen de muren van het klooster leefden zij hun celibataire leven onder de gelofte van onthouding. Maar dat was niet alleen een ontkenning. Het opschorten van seksuele verlangens leidde tot een erotisch, genotvol leven met het object van hun diepste verlangen. Niet met een man of vrouw uit de wereld, maar met een imaginaire god-mens wilden de mystici zich verenigen. Door hun dagelijkse liturgie, hun lectio divina van de evangeliën,  hun deelname aan de eucharistie waarin het lichaam en bloed van Jezus in hun eigen lichaam en bloed werd geconsumeerd en opgenomen en de uren van stille contemplatie, werd verbeelding een fysische realiteit. Met name deelden zij in het lijden van hun Verlosser, ondervonden zelf dit lijden en dat lijden werd hun grootste genot.

De Kerk heeft zacht gezegd met de mystici een moeizame verhouding gehad. Margarite Porete, bijvoorbeeld,  werd op basis van haar liefdesverklaringen veroordeeld tot de brandstapel. Meister Eckhart is dan niet veroordeeld, maar werd wel als gevaarlijk bestempeld. Toen aan paus Benedictus gevraagd werd het vonnis te herzien, merkte hij op dat dit niet nodig was omdat Eckhart nooit juridisch veroordeeld is geweest. Formeel heeft Z.H. de paus gelijk, maar daarmee houdt hij de verdachtmaking in stand.

De controverse werd groter rond de geschriften van Teresa van Avila en Jan van het Kruis. Zij werden weliswaar nooit officieel veroordeeld, maar de aantijgingen jegens hen creëerden een sfeer van gevaar,  van onheil, ‘niet goed voor vrome oren’. De strijd speelde zich grotendeels af rond ‘het gebed van rust’, waar de Spaanse mystici grote waarde aan toekenden. De grootste dreun die de mystieke traditie te verwerken kreeg, was de veroordeling van Miguel de Molinos. Eigenlijk had de man had niets anders gedaan dan een zo goed mogelijke weergave te geven van wat de mystieke auteurs bedoelden met het gebed van rust. Na een zeer gewelddadig proces overleed de Molinos in de gevangenis. De kerkelijke en soms ook wereldlijke autoriteiten bestreden de leer van het gebed van rust onder het mom van ‘quiëtisme’. Alles wat maar einszins rook naar dat woord, werd meteen verdacht. Hoogtepunt van deze religieuze twist was de slordige veroordeling van Madame Jeanne Guyon. Uiteindelijk belandde zij in de Bastille, waarna zij weer werd vrijgelaten.

Jeanne Guyon stierf in 1717. Sindsdien is, voor zover ik weet, geen commentaar meer op het Hooglied geschreven. En zoals eerder gezged in de achttiende en negentiende eeuw verscheen er geen mystiek traktaat van enige betekenis.

Tot in de tweede helft van de vorige eeuw een geheel nieuwe mystieke beweging ontstond met als verzamelpunt het instituut Esalen. Wat was er in de tussentijd gebeurd? Was binnen de Kerk mystiek een op zijn minst verdachte zaak, het in de achttiende opkomende verlichtingsdenken ging daar nog eens met het primaat van de rede flink overheen. Bovendien werd het kerkelijk geloof zelf verdacht gemaakt, onder andere door Feuerbach, Nietzsche, Marx, Freud.  Bijna iedereen weet wel dat Nietzsche de dood van God aankondigde, al vergeet men meestal dat hij eraan toevoegde dat pas honderd jaar na hem de verschrikkelijke gevolgen van dit sterven duidelijk en voelbaar zouden worden.

Emmanuel Kant maakte een einde aan alle metafysische speculaties over God.  De theoretische rede kan God niet leren kennen. Wat hoogstens over bleef was de hypothese van een god voor de praktische rede, ofwel de moraal. Maar er zijn in diezelfde tijd ook andere stemmen, verzameld onder de term de ‘Romantiek’.

Novalis pleit in een redevoering ‘Die Christenheit oder Europa uit 1799’ voor ‘het gevoel van het heilige’, waarmee het thans zo droevig gesteld is, ‘vertroebeld, verlamd door andere vermogens verdrongen’. 1   ‘Waar geen goden zijn, heersen spoken’, aldus de kern van zijn betoog. Die spoken bezorgen ons ook nu veel last.

Uit de vele, religieuze stemmen van de Romantiek kies ik er nog slechts één: Friedrich Schleiermacher. Zo omschreef hij wat hij geloofde: ‘Ik geloof in de macht van de wil en de vorming om me weer dichter bij het oneindige te brengen, om me uit de kluisters van de misvorming te bevrijden en me onafhankelijk te maken van de beperkingen van mijn eigen sekse.’ 2   Zijn boek Über die Religion. Reden an die Gebildeten unter ihren Varächtern, dat van grote invloed is geweest, cirkelt rond de gedachte: ‘Religie is gevoel en smaak voor het oneindige’. 3

Hij verrijkt het driedelige kantiaanse van de menselijke vermogens – theoretische rede, praktische rede en oordeelskracht - met een vierde: de religieuze oordeelskracht of het apriori van de religie als ervaring van het oneindige. In zijn enthousiaste beschrijving van de religieuze ervaring klinken ook erotische ondertonen mee: ‘Ik lig aan de boezem van de oneindige wereld: ik ben op dit moment haar ziel, want ik voel al haar krachten en haar oneindige leven als mijn eigen leven, zij is op dit moment mijn lichaam, want ik door­dring haar spieren en ledematen als die van mijzelf en haar diepste ze­nuwen voegen zich naar mijn zin en op mijn bevel als de mijne. De minste schok, en de heilige omarming verwaait, en dan pas staat de aanschouwing als een afzonderlijke gestalte voor me, ik neem haar op en ze weerspiegelt zich in de open ziel als het beeld van de zich los­makende geliefden in het opgeslagen oog van de jongeling, en dan pas breekt het gevoel uit het innerlijk zich baan en verbreidt zich als het schaamrood van de lust op zijn wangen. Dat moment is de hoog­ste bloei van de religie.'  4  

Vijf aspecten van zijn geloofsleer waren van invloed op de romantici.  Ten eerste, het betreft een eenheid met God, dat wil zeggen de participatie aan het eeuwige leven in het hier en nu. Hij spreekt van een ‘kinderlijke passiviteit’, een genotsvol besef van ‘het geruisloos verdwijnen van heel ons bestaan in het onmetelijke’.

In de tweede plaats is Schleiermachers zijnsmystiek anti-institutioneel. Er is geen hiërarchie vereist, geen priesterschap, geen Kerk en geen rituelen of sacramenten. Wel verlangt de religieuze ervaring meegedeeld te worden en is in die zin gemeenschap of vriendschap stichtend. Ook al zou men dat een Kerk willen noemen dan is deze Kerk ‘een vloeiende massa, die geen vast contouren aanneemt, waarvan elk deel zich dan weer hier dan weer daar bevindt en alles zich vreedzaam met elkaar vermengd.’

Ten derde, hij spreekt van een alles verbindende liefde, maar niet van de zonde. Er is bij hem ook geen plaats voor kruis, dood en opstanding, ook niet voor een laatste Oordeel of verdoemenis.

Ten vierde,  in Über die Religion ontbreekt elke christelijke dogmatiek – en dat terwijl Schleiermacher een protestants theoloog was. Interessant is deze zin: ‘Niet wie in een Heilige Schrift gelooft, maar wie er geen nodig heeft en er eventueel zelf een zou kunnen schrijven, heeft religie.’ Wie zich in zichzelf verdiept en zich overgeeft aan het universum, kan het schouwtoneel zijn van een openbaring: 'Ja, wie niet met eigen ogen, vanuit zijn perspectief op de wereld, zijn eigen wonderen ziet [...]; wie niet in zijn innerlijk eigen openbaringen ziet oprijzen wanneer zijn ziel ernaar hunkert de schoonheid van de wereld in zich op te zuigen [...]; wie niet af en toe met volle overtuiging voelt dat hij door een goddelijke geest wordt voortgedreven en dat hij vanuit een heilige ingeving praat en han­delt; wie niet op zijn minst beseft dat zijn gevoelens de directe inwer­king ademen van het universum [...] die heeft geen religie.’

Ten slotte, religie is voor Schleiermacher bovenal een esthetische zaak. Het gaat om gevoel en aanschouwing voor schoonheid:  ‘De ziel van de religieuze mens verlangt de schoonheid van de wereld in zich op te zuigen en aldus een ‘Schöne Seele’ te worden, waardoor men ook in staat wordt gesteld mooie dingen te doen, afgestemd op de grote harmonie en dus ook in overeenstemming met andere zielen.’ De religieuze ervaring is als ‘heilige muziek’, die sommigen tot  ‘religieuze virtuozen’ maakt.

Über die Religion verscheen voor het eerst in 1799, maar heeft wat zijn ideeën over religie betreft ook in de 21e eeuw niets aan actualiteit verloren.

De Romantici hebben ook bijgedragen aan een hernieuwde belangstelling voor de mythen, zowel voor de Griekse als voor de Aziatische godenverhalen. Al hadden sommigen een grote waardering voor het christelijk geloof, zij bewonderden ook de ‘heidenen’.

Maar vanaf het begin van de 20e eeuw begon men vanuit diverse disciplines ook aandacht voor de mystiek te krijgen. Ik noem er slechts enkele: van protestantse zijde Paul Tillich, Albert Schweitzer, William Ralph Inge, Evelyn Underhill, Edward Cuthbert Butler; van katholieke zijde Augustin-Francois Poulain, Garrigou-Lagrange, Alois Mager, Anselm Stolz, David Knowles, Thomas Merton. Filosofen uit de eerste helft van de 20e eeuw over mystiek: William James, Friedrich von Hügel, Joseph Maréchal, Henri Bergson, Maurice Blondel, W.T. Stace, Voor vergelijkende en psychologische benaderingen: Nathan Söderblom, Rudolf Otto, Friedrich Heiler, James H. Leuba, Henri Delacroix, Carl Gustav Jung, Mircea Eliade, Gershom Scholem, Hans Jonas en Robert Charles Zaehner,

Met andere woorden, er werd in die tijd al veel materiaal over de mystiek opgegraven, zij het dat dit alles een zeer specialistische literatuur opleverde. En de meeste publicaties gingen vooral 'over' mystiek.Het zijn vooral, niet allemaal, wetenschappers die wetenschappelijk onderzoek deden naar de mystieke tradities. Als intellectuelen vroegen zij aandacht voor een gebied wat veelal verborgen, onbesproken was. Maar veelal probeerden zij vast te stellen wat ‘ware’ mystiek was tegenover ‘valse’ dat wil zeggen niet passend in het gangbare theologische of wetenschappelijke denken. Zo probeerden sommigen een onderscheid te maken tussen natuurlijke en bovennatuurlijke mystiek of tussen eenheidsmystiek en godsmystiek. Het is lastig mystiek van buitenaf te bestuderen, want de mystieke ervaring trekt zich weinig aan van onderscheidingen. Het mystieke leven zelf wachtte nog op een nieuwe impuls om direct aangesproken te worden en vooral om de mystieke weg daadwerkelijk te gaan.

In de eerste helft van de twintigste eeuw was er nog meer gaande. Het  World's Parlement of Religions in 1893 waar leiders van de grote religieuze tradities konden spreken zonder onderbroken te worden, heeft zeker invloed gehad, al was het maar dat sindsdien vergelijkende religieuze wetenschappers aangespoord werden eerlijke en accurate studies over de diverse tradities te schrijven. De theosofische beweging verzette veel werk om het Oosten voor het westen te ontsluiten. Krishnamurti, na zijn breuk met de theosofie in 1930, hield over de hele wereld lezingen om mensen ‘onvoorwaardelijk vrij te maken’ van organisaties en rituelen die het zoeken naar de waarheid belemmeren. Yoga kwam geleidelijk aan meer en meer in het vizier. Indiase goeroes werd uitgenodigd naar het Westen te komen om hun leer te verkondigen. Spiritueel gesproken begon het in die eerste helft van de 20e eeuw al enigszins te rommelen.

Maar er zijn vooral twee factoren die in grote mate hebben bijgedragen aan het ontstaan en de ontwikkeling van Esalen: de opkomst van een tegencultuur en de ervaring van Auschwitz en Hiroshima.

Religieuze tegencultuur

Reeds in een zeer vroeg stadium, zijn boek verscheen in 1968, beschreef en analyseerde Theodore Roszak het ontstaan van een protestgeneratie, zoals die in de zestiger jaren van de vorige eeuw in Amerika en West-Europa voor de nodige onrust zorgde. De jeugd – een term die met een korreltje zout genomen moet worden, want zo jong waren zij niet – maar goed, jongeren pikten het niet langer te voldoen aan de wensen van de status quo. Zij protesteerden tegen een zinloze oorlog, tegen economische uitbuiting, verzetten zich tegen de onderdrukking van vrouwen en eisten vrijheid voor homoseksuele relaties. Op de universiteiten verlangden ze inspraak in bestuur en onderwijsprogrammering. Zij protesteerden tegen de anti-abortuswetgeving, tegen de onderdrukking van de zwarte bevolking. Daarvoor gingen zij de straat op met leuzen en spanborden, organiseerden zij bijeenkomsten op campussen, de zogenaamde sit-ins, zitstakingen of zitblokkades waarmee grote groepen de ingang van een gebouw of de doorgang van een weg versperden om aldus geweldloos aandacht te vragen voor hun eisenpakket.

Dat wil zeggen, niet iedereen toonde zich zo openlijk politiek geëngageerd. Globaal genomen was de protestbeweging verdeeld in twee clusters: een uitgesproken politiek maatschappelijk gerichte beweging en een groep die een spiritueel antwoord zochten. Er was sprake van een politieke subcultuur en een religieuze subcultuur. Hoe verschillend ook, beide kennen eenzelfde gevoel van onbehagen. Beide verklaren de oorlog aan een gemeenschappelijke vijand: de technocratie, de dictatuur van deskundigheid, de consumptiemaatschappij. Deze hoog-industriële samenleving is in staat weerstand en verzet, de roep om bevrijding uit zijn verstikkende structuren als het ware in te slikken en onschadelijk of zelfs inzetbaar te maken voor de eigen economische belangen. Herbert Marcus sprak van een eendimensionale mens, opgesloten in een samenleving zonder oppositie. ‘In het medium van de technologie smelten de cultuur, de politiek en de economie samen tot een alomtegenwoordig systeem hetwelk alle alternatieven in zich opneemt of van zich afstoot.’ 5

Naast de politieke activisten die zich desondanks politieke middelen inzetten ter inwilliging van hun revolutionaire eisen, gaat een andere groep voorbij aan alle ideologieën en kiest ‘voor een niveau van bewustzijn in een poging tot verandering van ons diepste gevoel voor het ik, de ander en de omgeving’. 6

Roszak citeert de psychiater Ronald D. Laing,  een bekende voor Esalen, ‘We hebben niet zozeer behoefte aan theorieën als wel aan de ervaring die de bron van de theorie is.’ Hier klinkt een anti-intellectuele toon, ook hoorbaar in Laings definitie van werkelijke gezondheid, dat is 'de ontbinding van het normale ego, dat valse ik dat zo compe­tent is aangepast aan onze vervreemde sociale werkelijkheid: de opkomst van de ‘innerlijke’ archetypische bemiddelaars van de goddelijke kracht, en via deze dood en wedergeboorte, en de uit­eindelijke hervatting van een nieuw soort functioneren van het ego, waarbij het ego nu de dienaar van het goddelijke is en niet langer de verrader daarvan.' 7

Deze tweede groep jeugdigen, vaak enigszins smalend ‘hippies’, ‘beatniks, of ‘drop-outs’ genoemd, hebben de hoop op verbetering van de samenleving in zoverre opgegeven, dat zij hun eigen cultuur willen stichten, onafhankelijk van gevestigde instituten - hetgeen natuurlijk slechts relatief mogelijk is. Zij brachten in praktijk wat Marcuse de ‘Grote Weigering’ had genoemd,  ‘het protest tegen onnodige onderdrukking, de strijd voor de uiteindelijke vorm van de vrijheid – zonder angst te leven.’8

Daartoe creëerden zij hun eigen omgeving, woningen, feesten. Zij kleedden zich kleurrijk, droegen mala’s, rozenkransen, bloemen in het haar, dansten en zongen in de parken, hielden van naaktheid, zochten naar een alternatieve voedingswijzen en probeerden nieuwe vormen van leefgemeenschappen, de communes. Zij kozen niet de kant van de rede en de zo geroemde zakelijkheid en nuchterheid, zij gaven prioriteit aan het gevoel en de verbeelding. Doel van het leven was niet de arbeid, maar het GENOT – inderdaad vaak geschreven met hoofdletters. Bovenal lieten zij zich inspireren door mystieke stromingen uit het Oosten, ‘een van de overheersende gegevens van de tegencultuur’, aldus Roszak.  Wat hen interesseerden was yoga, boeddhistische meditatie, tai-chi, soefidans, het raadplegen van tarotkaarten en de I Ching, astrologie, sjamanistische rituelen,  allerlei vormen die haaks staan op het begripsvermogen van het Westerse intellect.

Roszak beschrijft die jongerencultuur ook enigszins ironisch. Hij weet ook wel dat in deze groep vaak sprake is van jeugdig overmoed, romantische sentimenten, opvattingen gebaseerd op slecht gelezen of onbegrepen teksten, ‘vooral onder de wanhopige jongeren die snel tot de conclusie komen dat het tegengif tegen de ‘krankzinnige rationaliteit van onze samenleving bestaat uit het zich overgeven aan een assortiment krankzinnige passies.’ Niettemin herkent hij ook een ander aspect: een volwassen opvatting van wat het betekent het niet-intellectuele bewustzijn te onderzoeken. 9  Want dit onderzoek naar de niet- intellectuele krachten is een terechte ‘kritiek op het wetenschappelijke wereldbeeld waarop de technocratie haar citadel heeft gebouwd en in de schaduw waarvan te veel van onze schitterendste ervaringen verborgen blijven’.

Als laatste over deze tegencultuur een gedicht van Julian Beck, de directeur van The Living Theatre, de roemruchte toneelgroep die in New York de naoorlogse toneelwereld drastisch veranderde. Het gedicht uit de theaterproductie Paradise Now is een prachtige expressie van deze tegencultuur:

                        het is 1968

                        ik ben een magisch realist ik

                        ik zie de bewonderaars van che

 

                       ik zie de zwarte man                                                     

                       gedwongen om geweld

                       te accepteren

                       

                      ik zie de pacifisten

                       wanhopen

                       en het geweld accepteren

 

                       ik zie hoe ze allemaal allemaal allemaal

                       gecorrumpeerd worden

                       door de vibraties

 

                       vibraties van geweld van beschaving

                       die onze enige wereld

                       kapotmaken

                       ……………..

                       wij willen

                       ze voorgoed verslaan

                       met heiligheid

  

                       wij willen

                       ze opbeuren

                       met vreugde

 

                        wij willen

                        ze openen met

                        schepen liefde

                       

                       wij willen

                       de ellendigen kleden

                       met linnen en licht

                       

                        wij willen

                        muziek en waarheid stoppen

                        in ons ondergoed

                       

                        wij willen

                        het land en zijn steden doen gloeien

                        met creatie

 

                         wij willen het onweerstaanbaar maken

                          zelfs voor de racisten

                           ………

                           wij willen

                           het duivelse karakter van onze tegenstanders

                          veranderen in productieve glorie. 10

 

Esalen wordt door Roszak niet genoemd. En terecht. Esalen is geen onderdeel van de jeugdcultuur die Roszak beschreef en analyseerde. Wel noemt hij een aantal namen die met Esalen vertrouwd zijn, zoals Alan Watts,  Timothy Leary, Norman O. Brown en Alan Ginsberg. Het instituut heeft wellicht in de beginjaren zestig kunnen profiteren van het revolutionaire élan wat onder jongeren gaande was. En wanneer het over de waterscheiding gaat tussen politieke en religieuze tegencultuur, dan kiest Esalen, zonder dat het politiek sociale geheel afwezig was,  met enige overtuiging voor de verandering van de maatschappij vanuit religieuze, mystieke gronden. De richtlijn ‘verbeter de wereld, begin bij jezelf’, mag een waarheid bevatten, de formulering is een slap aftreksel van wat bedoeld wordt. Allereerst richt het onderzoek zich op het dagelijkse ‘ik’, het zogenoemde redelijke, sociale, ethische, egocentrische ik.  De Boeddha fileerde dit totdat het overbleef als een illusie, hetgeen Allan Watts deed schamperen dat het niet nodig is je ervan te doen: hoe kun je iets van je afwerpen als het niet bestaat!  Er wonen echter in dit lichaam drie giften: begeerte, haat en onwetendheid en deze zijn grenzeloos. Zoals er ook in dit lichaam de ‘onmetelijkheden’ wonen: liefdevolle vriendelijkheid, compassie, medevreugde en gelijkmoedigheid. Er is dus werk aan de winkel.

Maar er is meer. Het ego, dat aan een onderzoek onderworpen wordt,  is ook het ik dat door Freud en Jung zo dramatisch ontleed is. Zij peilden de onmetelijke diepte van het onderbewustzijn, dat zonder dat ik het mij bewust ben,  op mij zijn stempel drukt. Zij wezen op de vaak onzichtbare wonden die het ik met zich meedraagt, veroorzaakt door trauma’s, driften, frustraties. Meer dan wat we van het ik in zijn alledaagsheid kunnen waarnemen,  is dit ik een oneindige ruimte van dromen en mythen, waar goden en godinnen spelen en strijden, overwinnen of ten ondergaan. Dit is het gebied van de kunsten, de poëzie, de muziek. Hier heerst Eros en hier krijgt de goddelijke liefde taal en gestalte. In dit domein bruisen de grote tegenstellingen van geboorte en dood, het mannelijke en het vrouwelijke, oud en jong, ziek en gezond, oorlog en vrede, lijden en geluk. Zij bestrijden elkaar niet, zij dansen hun contradicties die op onbegrijpelijke wijze samenvallen. Tenslotte is dit de ruimte die de boeddhisten Boeddha-natuur noemen, de hindoes Brahman, en de christenen en islamieten God. Maar hier heerst een doof makende stilte, een veelzeggend zwijgen.

Daarom kiezen de bewoners van Esalen voor het onderzoek naar het ik. Waar komt dit ik vandaan? Het antwoord in de wetenschap van de evolutie. Wat zit er onder de huid van dit ik?  In hun antwoord op deze vraag wijzen op de erkenning van de geweldige vermogens die verscholen liggen in dat kleine woordje ‘ik’. Niet voor niets zien de Esalenen zich als dragers van de the Human Potential Movement. Als diepzeeduikers duiken ze naar de diepte van het oceanische lichaam en de oceanische geest in de hoop de schatten die zich daar bevinden vanuit het duister naar het daglicht te brengen. Niet om het leven te beheersen, dat is de grote technocratische denkfout, maar om dit leven ten volle te ervaren, voor zover dat mogelijk is te leren kennen en er gebruik van te maken in de hoop dat dit werk bijdraagt aan de welvaart, het welzijn en het geluk van de mensheid.

Auschwitz en Hiroshima

Behalve dat Esalen kon meeliften met de opkomst van een religieuze tegencultuur, is er nog een tweede oorzaak aan te wijzen die voor het ontstaan van het instituut van belang is. Trouwens niet alleen voor het Californische instituut, maar voor de gehele revolutionaire beweging in Amerika en West-Europa was de herinnering aan Auschwitz en Hiroshima een belangrijke drijfveer. Twee grootmachten die bereid bleken hun potentieel aan totale vernietigingswapens in te zetten voor het bereiken van hun doelen. Al lijkt de verschrikkelijke werkelijkheid van Auschwitz iets meer tot de Westerse verbeelding te spreken dan de atoombom die Hiroshima met de grond gelijk maakte. Duitsland en Japan beleefden zelf een geheel ander 'rouwproces'. nnoott

Wat de gemoederen vooral verhitte was de enigszins lauwe reactie in de eerste naoorlogse jaren. Men betreurde weliswaar de doden en werkte hard aan de wederopbouw, maar aanvankelijk was er geen aandacht voor wat later de Holocaust of de Shoah werd genoemd. In Duitsland kwam het rouwen tamelijk laat op gang. De protesten uit de jaren zestig, bijvoorbeeld van de RAF,  waren onder andere gericht tegen de vergetelheid. De ‘jeugd’ zag dat de ouderen die dienstbaar geweest waren aan het nazi regiem nog altijd op de hoogste posten van het landelijk bestuur zaten. Alsof er niets gebeurd was.  De woede hierover was groot en leidde tot veel geweld.

 

Auschwitz

 Auschwitz en Hiroshima hadden niets menselijks. Maar dit onmenselijke was bedacht en uitgevoerd door mensen. De mate en omvang van vernietiging en moord was onhistorisch groot. Hoe dragen we dit verleden met ons mee? Is het mogelijk dit verleden achter te laten en te doen alsof het voorbij is? Kan dit behoren tot de verleden tijd? Bataille zei eens: ‘Wie zegt ‘nooit meer Auschwitz, weet weinig van de menselijke natuur.’ Maar wat dan?

De Russische schrijver Ilja Konstantinowskij schreef naar aanleiding van zijn kampervaring een roman: De verjaringstermijn. De titel is veelzeggend. Kan hier ooit sprake zijn van verjaring? De hoofdfiguur uit de roman peinst over het onbegrijpelijke wat hij heeft meegemaakt, maar hij zegt ook iets over de huidige jeugd:

‘Daar (in Auschwitz) ontdekte iedereen iets, waarvan hij voordien geen vermoeden had. En hij werd gedwongen erbij stil te staan. Aan alles in de wereld begon ik in Auschwitz te twijfelen... Ik spreek er al niet meer over dat 'begrijpen' zou betekenen: denken, logische gevolgtrekkingen maken. Want wat hier geschiedde, ging dwars tegen elke menselijke logica in... Ik ben niet in staat me te verzoenen met het verleden, niet in staat om gewoon maar te bestaan. Dat is iets als een onmiddellijke ervaring, net zoiets als de levensdrang zelf. En ik ben niet in staat het te overwinnen... Wat ik heb gezien, wat ik heb meegemaakt: dat alles leeft in mij nog altijd zijn onbegrijpelijke en onbereikbare eigen bestaan... Ik heb al eerder opgemerkt dat er bij veel hedendaagse jongeren zoiets is. Geen pose en ook geen snobisme, neen. Maar iets, alsof zij inderdaad datgene begrijpen wat mensen gewoonlijk pas begrijpen aan het einde van hun leven. Maar zij beginnen er hun leven mee. Neen, geen sceptische gedachten over de vergankelijkheid van het bestaan, over de zinloosheid van de wereld. Dat bedoel ik niet. Ik doel niet op ideeën maar op een instelling, een bijzondere houding tegenover het leven, waarbij men niet meer wil redeneren en geen luchtkastelen meer wil bouwen, doch alleen nog maar wil leven.’

De ervaring met Auschwitz wekt bij Konstantinowskij niet alleen de twijfel over de zin of zinloosheid van oorlog en geweld, maar alle ideeën over beschaving en cultuur worden ondergraven. En hij kijkt naar de hedendaagse jongeren en ziet – of hij wilde het graag zien - een bijzondere houding tegenover het leven, waarbij men niet meer wil redeneren en geen luchtkastelen meer wil bouwen, doch alleen nog maar wil leven.’ 11

Zeker wilde de nieuwe generatie alleen nog maar leven. Maar wat is ‘alleen maar leven’? Is er een alternatief tegenover Auschwitz en Hiroshima, allebei producten van ‘redeneren’ en ‘luchtkastelen’. De ‘Endlösung’ van de Joden werd wetenschappelijk gepland met de vraag naar de hoogst mogelijk efficiëntie waarmee de uitroeiing zo snel en clean mogelijk uitgevoerd kon worden. De bom die Hiroshima vernietigde was het resultaat van rationeel onderzoek en technisch vernuft.

Vele vormgevers en leraren van Esalen waren uit Duitsland afkomstige Joodse immigranten op de vlucht voor het nazisme. Zij begonnen een nieuw leven. Waar waren hun ogen opgericht?  Zonder het sociale en politieke te ontkennen richtten zij hun blik naar binnen. Waartoe exclusieve, rationele aandacht voor de buitenwereld kan leiden, had men aan den lijve ondervonden. Men ging in tegenovergestelde richting. Daartoe begon men te schatgraven in de Oosterse religies. Er kwam een grondlaag bloot, die een gemeenschappelijke basis bleek te zijn voor het Hindoeïsme, Taoïsme,  Mahayana Boeddhisme, de Japanse esoterische scholen en Zen: Tantra.

Overigens is de idee dat aan alle religies een gemeenschappelijke bron ten grondslag, zoals Huxley’s eeuwige wijsheid,  zou liggen ernstig bekritiseerd.  Niet ten onrechte. Als echter alle religies terug zouden gaan op één oorsprong, dan is dat begin niettemin onkenbaar. Hier kan het alles ondermijnende begrip ‘sunyata’ goede diensten bewijzen. Er is geen aanwijsbare fundamentele eenheid of kenbare gemeenschappelijk noemer voor de religies.  12

Maar in het licht van sunyata doemt uit de duistere onwetendheid omtrent het begin het gigantische palet op van alle religieuze verschijnselen. Zij tonen de rijkdom van de geest, in ieder mens aanwezig. De geest is te groot om in één traditie of één taal beschreven of begrepen te worden.

Ongeacht de aanname van een gemeenschappelijke grond, de verschillende mystieke tradities tonen onmiskenbare paralellen. Alle mystieke scholen kennen de via negativa, de negatieve weg: ‘neti, neti’ zeggen de hindoes, God is noch dit, noch dat, zegt Dionysius in zijn litanie van ontkenningen.

Alle mystieke tradities schetsen voor hun volgelingen een weg. De Soefi’s kennen Attar’s uitgebreide en soms hilarische Samenspraak van de Vogels. De zenweg wordt veelal uitgelegd aan de Plaatjes van de Os. Het bodhisattva pad wordt besproken aan de hand van de tien bhumis. Allemaal kennen zij het zo belangrijke moment van ‘de grote dood’. En alle mystieke wegen gaan over de coïncidentia oppositorum, de eenheid van de tegenstellingen. Genoeg redenen om met elkaar kennis te maken.

Wel of geen kenbare oorsprong,  in Esalen wendde men zicht tot de tantrische traditie. Niet alleen werden de tantrische teksten bestudeerd, maar men ging ook te rade bij goeroes en leraren om Tantra daadwerkelijk te beoefenen. De westerse leerlingen van het tantrische pad wilden ook niets hebben van de eisen die orthodoxe scholen stelden zoals ascese, celibatair leven en onvoorwaardelijke overgave aan de leraar. Wat dat laatste betreft, leraren kunnen goede diensten bewijzen, maar het is de leerling die in alle vrijheid dit innerlijk werk zelf moet doen.

Ook beoogden zij geen letterlijke overname van de oude wegen, zij wilden niet kopiëren, zij zochten een eigen westers tantra dat functioneerde in de eigen existentiële situatie, dat hen leerden te ontwaken tot hun ware Zelf, dat wil zeggen tot hun Eigen Ware Zelf. In de woorden van Heinrich Zimmer: ‘We kunnen God niet lenen. We moeten Zijn nieuwe incarnatie in onszelf bewerkstelligen. Goddelijkheid moet op een of andere wijze in de materie van ons bestaan afdalen en participeren in dit bijzondere levensproces.’ 13

Tantra diende beoefend te worden in de context van een westerse cultuur waar democratie en gelijkwaardigheid van mannen en vrouwen de norm dient te zijn en waar heteroseksuele, homoseksuele en lesbische liefde gewaardeerd wordt. Tantra is in principe sekse vriendelijk, al moet erbij vermeld worden dat in de teksten nergens over de mannen- of vrouwenliefde gesproken wordt.

Van tantra leerde men dat alle begrippen ‘illusoir’ zijn, dat wil zeggen niet onbruikbaar, maar betrekkelijk. Zij hebben geen eigen bestaan, maar staan in betrekking tot elkaar en dat is hun relativiteit. Verder onderricht Tantra ‘non-dualiteit’, het onlosmakelijk in elkaar liggen van de contradicties, waaronder de grote tegenstellingen van leven en dood, man en vrouw, individu en gemeenschap en lichaam en geest. Tantra is het spelen met de tegenstellingen en de eenheid van de extremen waar geest en vlees elkaar ontmoeten. Ten slotte leert de tantrische weg dat wie de geest wil leren kennen, moet het lichaam doorgronden en wie de mogelijkheden van de geest wil ontwikkelen, moet de potenties van het lichaam cultiveren. Vandaar Esalens ‘Human Potential Movement.’

Eén van de grote krachten in het lichaam is Eros. Tantrische beoefening is het doen ontwaken van de sluimerende erotiek die niet alleen het individu tot gelukzaligheid voert, maar tegelijkertijd zonder onderscheid liefdevol stroomt naar allen en alles. Eros vestigt zich niet op een vaste plaats, bezet wat hij tegenkomt en vloeit verder en verder.

  • 1Rüdiger Safranski, Romantiek, een Duitse affaire, vertaald door Mark Wildschut, Uitgeverij Atlas, Antwerpen/Amsterdam, 2009, p. 122/123.
  • 2idem, p. 137.
  • 3Een Nederlandse vertaling: Friedrich Schleiermacher, Over Religie, Betogen voor de ontwikkelden onder haar verachters, vertaling Willem Visser, tekstbezorging Willem Visser & Herman Westerik, Boom Religie, Amsterdam, 2007
  • 4Rüdiger Safranski, op.cit., p. 140.
  • 5Herbert Marcuse, De eendimensionale mens, studies over de ideologie van de hoog-industriële samenleving, Uitgeverij Paul Brand, Bussum, 1969, p. 17.
  • 6Theodore Roszak, Opkomst van een tegencultuur, bespiegelingen over de technocratische maatschappij en haar jeugdige bestrijders, vertaling M. Schouten, Meulenhoff Editie, Amsterdam, 1971, p. 51.
  • 7idem, p. 51.
  • 8Herbert Marcuse, Eros en cultuur, een filosofische bijdrage tot het werk van Sigmund Freud,  Uitgeverij Erven J. Bijleveld, Utrecht,  1968, p. 101.
  • 9Theodore Roszak, op.cit. p. 71.
  • 10geciteerd Roszak p. 133/134.
  • 11Ton Lathouwers, Auschwitz, een démasqué, in Streven, jaargang 20, p. 794- 804. Zie ook: Ton Lathouwers Auschwitz als Koan in het tijdschrift Zen, jrg. 10, 1989, no 4, p.17-22.
  • 12Masao Abe, There is no common denominator for world religions, the positive meaning of this negative statement, Journal of Ecumenical Studies, 26:1, Winter 1989.
  • 13Citaat bij J. Kripal, The Roar of Awakening, in: Hidden Intercourse, Eros and Sexuality in the History of Western Esotericism, edited by Wouter Hanegraaff and Jeffrey J. Kripal, Fordham University Press, New York, 2011, p. 494/495.]