›› Mystagogie

Alleen de zon blijft. Rumi en zijn leraar Shams.

Rumi en Sjams
                        Rumi ontmoet Shams van Tabriz manuscript uit het Ottomaanse Rijk

 

 

 

Toen Rumi zevenendertig jaar was, in 1244, ontmoette hij Shams, ‘de zon van Tabriz’.

Rumi was getrouwd met Gowhar Khatun en had twee zonen, Ala al-Din en Soltan Valad. In de stad Konya had Rumi de school van zijn vader overgenomen. Hij stond bekend als een voortreffelijk erfgenaam, een goed theoloog, kenner van het islamitisch recht, een strikte beoefenaar van de rituelen en als iemand die beïnvloed was door de mystieke ideeën die zijn vader in een spiritueel dagboek had opgetekend. Daarin wordt de goddelijke liefde met de sensuele menselijke liefde vergeleken en het omhelzen van God met de voltrekking van een huwelijksnacht: ‘Ga zitten op Gods schoot’. Rumi had toen al meer dan honderd leerlingen en gaf les op vier scholen in de stad.

Op 29 november 1244, een min of meer legendarische datum, kwam Rumi oog in oog te staan met Shams. Waarschijnlijk hadden ze elkaar al eens ontmoet, zestien jaar eerder in Damascus, waar Shams destijds rondzwierf en Rumi lesgaf. Hoewel Shams direct de uitzonderlijke begaafdheid van Rumi onderkende, was de tijd nog niet rijp voor een nadere kennismaking. Maar nu viel alles op zijn plaats. Over wat er precies gebeurde doen verschillende verhalen de ronde. Of ze waar zijn of niet, elk van die verhalen werpt een bepaald licht op die historische ontmoeting.

Rumi zweeg en Shams stelde hem een vraag: ‘Wie is groter, Bâyazid die zei: ‘Glorie zij mij! Hoe groot is mijn verblijfplaats // halteplaats!’ of Mohammed die uitriep: ‘Wij hebben u niet geëerd zoals het u past, noch hebben wij u gekend zoals het u past! Mijn hart is in wolken gehuld en ik vraag God zeventig keer per dag vergiffenis.’

Sommigen zeggen dat Rumi bij het horen van de vraag flauwviel, anderen vertellen dat Shams het bewustzijn verloor bij het horen van Rumi’s antwoord. Rumi antwoordde: ‘Mohammed, de boodschapper Gods, is de grootste van alle schepselen. Bâyazid is niet van dezelfde categorie.’ Voor een soefi lijkt dit geen moeilijke vraag, maar voor Shams was het een groot raadsel. Bâyazid was een mysticus. Hij kende uit eigen ervaring de eenheid met God, waardoor hij het woord ‘glorie’, dat alleen gebruikt mocht worden voor God, van toepassing verklaarde op zichzelf. Alles wat bereikt kon worden was daarmee bereikt. Maar Mohammed wist dat er altijd een stap verder was te gaan, hij beklom voortdurend de zeventig treden van de ladder van volmaaktheid; elke dag keek hij naar de vorige trede en bad om vergeving.

Enige tijd later, aldus een ander verhaal, zat Rumi met zijn leerlingen in zijn bibliotheek. Shams kwam binnen, ging zitten en gebaarde naar de boeken: ‘Wat is dat?’ Rumi antwoordde: ‘Dat wil je niet weten.’ Maar hij was nog niet uitgesproken of de bibliotheek en alle boeken vlogen in brand. ‘Wat is dat?’ schreeuwde Rumi. ‘Dat wil je niet weten’, zei Shams terwijl hij opstond en vertrok.

Volgens weer een ander verhaal zat Rumi met een stapel boeken bij een tuinvijver. Shams kwam langs en vroeg: ‘Wat is dat?’ Rumi zei: ‘Ach, dat noemen we twistgesprekken, maar daar hoef je je niet druk om te maken.’ Shams greep de boeken en gooide ze in het water. Rumi werd kwaad om deze vernieling van zeldzame en kostbare manuscripten. Maar Shams haalde ze één voor één uit het water. En Rumi zag dat er geen enkele beschadigd was. ‘Wat is het geheim hiervan?’, vroeg Rumi. Shams antwoordde: ‘Dat is geestelijk geneigdheid en vervoering. Maar wat weet jij daarvan?’

Sindsdien waren die twee onafscheidelijk. Rumi was helemaal geobsedeerd door Sham en Sham werd helemaal in beslag genomen door Rumi. Maandenlang sloten zij zich op in een kamer. Een enkeling mocht binnenkomen, alleen om eten te brengen. Niemand wist wat ze deden of waar ze samen over spraken. In zijn latere gedichten geeft Rumi op veel plaatsen een aanwijzing: ze zaten stil tegenover elkaar en keken naar elkaar, ze keken elkaar in de ogen. Wat een normaal mens geen tien minuten kan uithouden, deden zij onafgebroken, urenlang. Ze staarden naar elkaar. Hun blik was voortdurend op elkaar gericht. Oog in oog, van aangezicht tot aangezicht zaten ze tegenover elkaar, zwijgend, kijkend, verbaasd, verwonderd, verbijsterd. Wat zagen ze dan? Rumi zag Shams en toch geen Shams, en Shams zag Rumi en toch geen Rumi. ‘Elk ogenpaar van ons werd dronken, volkomen bedwelmd door de belofte van eenheid, o mijn God, wat is deze eenheid van oog tot oog?’

Ze keken niet met de wereldse ogen waarmee men elkaar de maat neemt, niet met ogen die begrijpen, vergelijken, oordelen. Ze bekeken niet elkaars lichaam als object, de lengte, die huidskleur, aldus gekleed, die kleur van de ogen, deze gelaatstrekken. Zij keken met de ogen van minnaars. En een minnaar ziet alleen de geliefde, of beter gezegd, een minnaar ziet alleen de liefde. Zij zagen in elkaar hetzelfde, want hun ogen waren tegelijk spiegels en die weerspiegelden de Geliefde. Zij zagen hun lichamen als uiting van ware religie: ‘Het werk van religie is niets anders dan verbazing; niet wat komt van het zich afkeren van God, maar dat wat komt van het wild zijn van extase, van verdronken zijn in God en dronken van de Geliefde.’

 Daar verschijnt wat God zeggen wil, de stenen tafelen, het boek van de Openbaring: ‘Vriend zitten bij vriend, en de tabletten verschenen. Ze lazen de mysteries aan elkaars voorhoofd af.’

En terwijl ze in elkaar opgingen en smolten, vergaten ze hun omgeving. Sinds Shams’ komst was Rumi opgehouden met lesgeven en verwaarloosde hij zijn leerlingen. Terwijl hij in Shams de uiting van goddelijke liefde kon zien, zagen zijn leerlingen in Shams alleen maar de wilde soefi uit Tabriz, een onsympathieke man die in vodden liep, hard en negatief sprak over andere soefi-leraren en zich cynisch uitliet over de orthodoxe asceten. Ze vonden het een arrogante man en begrepen niet waarom Rumi zo veel tijd in afzondering met hem doorbracht. En naarmate de maanden van hun exclusief samenzijn vorderen, nam onder de studenten de onrust toe. En het moet gezegd: Shams was geen innemend, vriendelijk mens. Hij was eigenzinnig, bot en vooral overtuigd en vervuld van zijn spirituele talent. Ooit had hij een sheikhgehad, een leraar, maar deze beantwoordde niet aan zijn criteria. ‘Ik had eens een sheikh, Abu Bakr uit de stad Tabriz, mandenmaker van beroep. Door hem ondervond ik op allerlei manieren wat vriendschap met God wil zeggen. Maar er was iets in mij wat mijn sheikh niet zag en wat geen mens ooit gezien had.’ En hij voegde eraan toe: ‘Jij, Rumi, zag dat wel.’

 Omdat veel soefi-leraren zich lieten voorstaan op hun uiterlijke verschijning en hun beoefening, twijfelde Shams aan hun oprechtheid. Hij voelde zich meer verwant aan de qalandars, een onorthodoxe soefi-groep die hun vroomheid verborgen door het tegenovergestelde te doen wat van een vrome soefi verwacht werd: ze bezochten de kroegen, dronken wijn en gingen om met vrouwen. Ze verborgen hun zuivere mystieke vroomheid achter een losbandig en zondig gedrag. Shams had liever dat iemand kwaadsprak van hem dan dat hij de hemel in geprezen werd. Rumi had de geniale kwaliteit dwars door Shams uiterlijke gedrag heen te zien en de ware mens, de ware leraar te zien. En Shams wist zich eindelijk erkend. Wellicht geeft het volgende verhaal een beeld van Shams optreden. Volgens de overlevering verbleef Shams eens in een karavanserai, waar hij sheikhAuhad-ud-Din uit Kerman – God zij hem genadig – tegen het lijf liep.

Shams vroeg hem: ‘Wat zit je daar nou te doen?’ Hij antwoordde: ‘Ik kijk naar de maan in een kom water.’ Shams zei: ‘Waarom kijk je, tenzij je een puist in je nek hebt, niet rechtstreeks naar de hemel? Ga op zoek naar een dokter die je kan genezen zodat je waarheen je ook kijkt het echte voorwerp ziet waarop je je blik richt.’ De sheikh was een en al verlangen en zei: ‘Na vandaag wil ik je dienaar zijn.’ Shams antwoordde: ‘Jij hebt niet het vermogen om in mijn gezelschap te verkeren.’ De sheikh bleef aandringen met de woorden: ‘Je moet me als je dienaar en metgezel accepteren!’ Shams zei: ‘Alleen als je midden in de bazaar van Baghdad op een plek waar iedereen het kan zien wijn met me drinkt.’ Hij antwoordde: ‘Dat kan ik in geen geval doen.’ Shams zei: ‘Kun je dan wat goede wijn voor me regelen?’ Hij antwoordde: ‘Nee, dat kan ik echt niet doen.’ Shams zei: ‘Kun je me dan gezelschap houden als ik wijn zit te drinken?’ Hij antwoordde: ‘Nee, daar begin ik niet aan.’ Toen schreeuwde Shams-ud-Din tegen hem: ‘Verdwijn uit het aangezicht van echte mannen!’ Hij zei ook: ‘Heb ik niet gezegd dat jij het niet met mij zou kunnen uithouden! [Koran 18:75]. Dat ligt niet in jouw vermogen omdat je een zwakkeling bent. Doe geen moeite, want je hebt niet de kracht en de macht van Gods uitverkorenen. Omgaan met mij is voor jou niet weggelegd, jij bent geen metgezel voor mij. Je moet alle leerlingen en alle wereldse roem verkopen voor een beker wijn. Dat doen kampioenen uit de arena en mensen met kennis. Ik neem helemaal geen leerlingen aan. Ik neem wel leermeesters aan, maar niet elke leermeester, alleen volmaakte leermeesters die tot de waarheid zijn gekomen.’

Al smeekte Auhad-ud-Din hem nog zo zeer, Shams accepteerde hem niet als metgezel. Shams zei: ‘Dat wordt niks. Je ligt me niet na aan het hart. Voor mij is er maar één, de zoon van Baha Weled uit Balch – moge God zijn kostbare innerlijke geheim heiligen!’ (Manaqib al-’Arefin, p. 413-42.4)      

`Shams
                                 Shams zoals gezien door meester H.Bezaad

Er bestaat een verzameling uitspraken van Shams, wellicht al dan niet in zijn bijzijn opgetekend. Zij tonen uit welk hout hij gesneden is. Nadat hij zijn leraar had verlaten, zwierf Shams jarenlang rond. Op een nacht was hij bijzonder onrustig. Hij schreeuwde het uit en was in opperste vervoering door de heilige openbaringen die hem overspoelden. Hij smeekte God in een innig gebed:

‘O, mijn God, toon me een van uw verborgen geliefden.’ Het antwoord luidde: ‘Zo’n verborgen liefde als waar jij om vraagt, iemand die overloopt van vrijgevigheid en wiens zonden hem zijn vergeven, is de beminnelijke zoon van Baha Weled uit Balch, de sultan van de religieuze geleerden.’ Shams zei: ‘Toon me zijn gezegende gezicht!’ Toen vroeg God: ‘Welk offer bied je Mij aan als geschenk?’ Hij zei: ‘Mijn hoofd.’

Niet alleen vinden we er lovenswaardige woorden over Rumi, menig fragment toont ook hoezeer Rumi jegens Shams schatplichtig is:

Omdat David naar Gods majesteit vroeg met de woorden: ‘Waar moet ik God zoeken? zei God: ‘De hemelen en de aarde kunnen mij niet bevatten, alleen het hart van mijn trouwe dienaar is daarvoor ruim genoeg’ en hij zei ook: ‘Ik neem plaats in een gebroken hart.’ Als de eigenaar van het hart iets tegen je zegt, moet jij zeggen dat God plaatsneemt in het gebroken hart. Als je God bereikt door Gods licht, zie je Gods luister. Niemand anders kent hen, alleen Ik.

Rumi’s afwezigheid op school en de toenemende jaloezie die Shams opriep bij de studenten, maakte de situatie na twee jaar onhoudbaar. Shams, die geenszins de bedoeling had Rumi van zijn leerlingen te vervreemden, besloot de handschoen in de ring te gooien. Zonder afscheid, zonder te zeggen waar hij heenging, was hij op een dag verdwenen. Net zo onverwacht als hij in Konya verschenen was, verliet hij de stad.

En Rumi bleef achter, ontroostbaar. Hij wist wat Shams in hem teweeggebracht had, maar hij wist ook dat hij zijn leraar, zijn meester nog nodig had. Niet zozeer omdat hij nog veel te leren had, maar eenvoudigweg omdat hij niet zonder hem kon leven. Wat is een minnaar zonder de aanwezigheid van de Geliefde? Is er één minnaar in de wereld die een dag zonder zijn geliefde kan? En mocht er een minnaar zijn die één dag zonder pijn gescheiden kan leven van zijn geliefde, dan is het geen echte minnaar. De afwezigheid van de geliefde doet de minnaar sterven. En Rumi schreef brieven naar Shams en stuurde die naar alle hoeken van Perzië, ook al wist hij dat ze hem waarschijnlijk nooit zouden bereiken. Tot hij op een dag vernam dat Shams in Damascus was. Direct stuurde hij zijn zoon Soltan Valad met een smeekbrief naar hem toe. En Shams kwam terug en werd zelfs feestelijk ingehaald. En Rumi dichtte:

 

Mijn zon en maan is gekomen, mijn oren en ogen zijn gekomen

Die ledematen van zilver, die goudmijn is gekomen

Vul met dronkenschap mijn hoofd en met licht mijn ogen.

Voorzover zijn leerlingen hoopten dat Rumi, nu Shams terug was, hun de aandacht zou schenken die ze verdienden, kwamen ze bedrogen uit. Rumi bleef zijn ogen gericht houden op Shams, de Zon. Hij kon niet verklaren waarom, want de Liefde kent geen redenen. Om hem te begrijpen moet men zelf een zoeker van liefde zijn. De jaloezie begon weer toe te nemen. Ala al-Din, de zoon van Rumi, toonde openlijk zijn vijandigheid: Shams moest weg. Maar dit keer had Sham zelf een motief om Konya te verlaten: Rumi diende nog te leren op eigen benen te staan. De laatste fase van geestelijke groei naar volwassenheid moet de leerling zelf doorstaan. Maar vanwege Rumi’s positie in Konya kon Shams hem niet wegsturen. Hij moest zelf vertrekken.

Op een ochtend ging Rumi naar school en vond Shams’ kamer leeg. Onmiddellijk riep hij Soltan Valad bij zich en sommeerde hem zijn leraar te gaan zoeken, maar het was tevergeefs. Rumi keerde zich af van ieder die zichtbaar een hekel aan Shams had gehad. Met zijn meest nabije leerlingen ondernam hij een reis naar Damascus, waar ze enige tijd verbleven in de hoop Shams te vinden. Zonder resultaat keerden ze terug. Na drie jaar zoeken gaf Rumi de hoop op. Hij besefte dat Shams niet meer in leven was.

In Shams’ aanwezigheid onderging Rumi een ware transformatie. De theoloog, de rechtsgeleerde en intellectueel verdween naar de achtergrond, om plaats te maken voor de dichter en zanger, de man die alleen nog zijn hart liet spreken. En de wat strenge asceet, die zich gedisciplineerd aan de regels, beoefeningen en rituelen had gehouden, werd nu overschaduwd door de musicus en vooral door de danser. Want Shams leerde Rumi de sama-ceremonie, een bijeenkomst met muziek, zang en dans. Vanwege het lichtzinnige karakter ervan en de onderlinge nabijheid van de deelnemers was de samaverdacht voor de orthodoxe soefi, maar voor Shams en Rumi was het een uitdrukking van het huwelijk tussen God en de ziel.

soefi dans

Bovendien leerde hij van zijn leermeester dat de islam geen religie was, maar een ‘school van de liefde’. Sinds hij Shams kende, leed Rumi aan een ongeneeslijke ziekte. Al zijn ledematen, elke lichaamscel was vervuld van een brandende koorts. Die ziekte heet verlangen:

 

Verlangen is de kern van het mysterie.

Verlangen zelf draagt zijn eigen genezing in zich.

De enige regel is: verdraag de pijn.

Je begeren moet worden gedisciplineerd,

En datgene waarvan je wilt dat het in de tijd wordt vervuld,

Opgeofferd.

 

Voor de kern van dit mysterie wist Rumi oneindig veel woorden en metaforen te vinden. Maar al zijn beelden, vergelijkingen en illustraties kan men zien als een beschrijving en uitvloeisel van wat er tussen hem en Shams gebeurd was. Shams wekte in hem een verlangen naar een onbekende, waar Rumi wellicht een vermoeden van had, maar waar hij door de stem en ogen van Shams pas de vreselijke kracht van leerde kennen. In de gestalte van Shams verscheen hem het onmiskenbare object van zijn verlangen: niets meer of minder dan God. En deze God was niet de godheid van openbaring, geloof en aanbidding, maar van liefde. Want deze God was zijn geliefde. Zijn verliefdheid op Shams zou Rumi de weg wijzen. Hij werd weggehaald uit zichzelf, waardoor hij niet langer aan zichzelf kon denken, tot niets werd en er niets anders overbleef dan zich te mengen, te verenigen en samen te vallen met Shams. Toch bleef het verlangen. Tot Shams voorgoed uit het oog verdween. De definitieve afwezigheid en onbereikbaarheid bracht hem in een pijnlijk proces tot een laatste sterven: zijn geliefde was niet langer een ander persoon waarop zijn verlangen zich richtte. Hij was de geliefde zelf. Hij had tot blind wordens toe in de Zon gestaard, totdat alleen de zon overbleef. En daarmee stierf de godszoeker, de minnaar, de derwisj. Zoals hij schreef: ‘Er bestaat in de wereld geen derwisj en was hij er wel, dan bestond hij niet. Hij bestaat in wezen nog wel, maar zijn eigenschappen zijn opgegaan in die van God.’

Uiteraard kende Rumi het probleem, maar hoe dit mysterieuze proces te beschrijven? ‘Wie God kent, is met stomheid geslagen.’ Maar hij wist ook: ‘De liefde heeft honderd verschillende tongen.’ Zijn verbeeldingskracht kende geen grenzen. Alle verschijnselen spraken over die goddelijke eenheid en verwezen naar de Geliefde, of hielpen bij het verwoorden van het transformatieproces van minnaar in Geliefde. Alles is symbolisch. ‘Alle Vergängliches is nur ein Gleichniss’, zou Goethe later schrijven – en hij kende Rumi’s gedichten.

Zo speelt de zon een grote rol in zijn imaginaire leven. Wat de zon ook betekenen moge – het Goddelijk Licht, de Profeet die de mensen leidt, de Volmaakte Mens, de spirituele Geliefde – als Rumi de zon benoemt, klinkt altijd de naam van Shams mee. ‘Als de zon de bergen beweegt en achter zich laat, richten alle harten zich op u, O Tabriz’ zon!’ Wat is de wereld zonder deze bron van licht en warmte? Maar de zon heeft ook een verschrikkelijke kant: ‘Als de zon naakt in uw gezicht zou verschijnen, dan blijft er niets van u over (…) Als de zon, door wie deze wereld verlicht wordt, iets naderbij zou komen, dan zou alles verbranden.’

Rumi had een grenzeloze verbeelding om zijn extatische liefde en goddelijke verrukkingen te beschrijven. Alles gaf aanleiding tot poëzie: water, sneeuw, de tuinen – ‘Zolang als de wolken niet wenen, hoe zou de tuin kunnen glimlachen?’ – vormen een centraal thema. Bloemen als de tulp, de lelie, de roos; dieren als de kameel, de gazelle, de olifant, honden, katten, bijen en zelfs de mot: ‘O minnaar, wees niet minder dan een mot – wanneer zal een mot het vuur vermijden?’ Of de nachtegaal: ‘Mijn hart brak in honderd stukken, elk klaagde, zodat je van elk stuk een nachtegaal kan maken.’ Het mystieke leven is te vergelijken met een kind en de kindertijd: ‘Zolang het kind in de wieg niet huilt, waarom zou de bezorgde moeder het voeden?’ Of bij het zien van een stervend kind: ‘Als een kind dat in de moederschoot sterft, zo sterf ik in de schoot van de barmhartigheid en vergevingsgezindheid van de Barmhartige.’ De minnaar voelt zich een verdwaald kind: ‘Ik ben als een kind verdwaald tussen straat en bazaar; want ik ken deze straat en deze bazaar niet – ik ken ze niet.’ Zo verloren kon zijn ziel zich voelen, op weg naar de geliefde.

Ook gebruikte hij scènes uit het alledaagse leven: het liefdesspel, het badhuis, de slotenmaker, de veger of bezem, de fles, de wijnkaraf en vooral beelden uit de keuken: allerlei voedsel, suiker, het bakken van brood. Bij Rumi is de mens altijd in de keuken, waar hij behandeld wordt als een van de ingrediënten van het voedsel. Zoals voedsel wordt bereid, zo wordt de ziel gereed gemaakt voor de ontmoeting met de geliefde. Zijn beroemdste voorbeeld is dat van de kikkererwt:

 

[t3]Een kikkererwt in een pot springt uit het vuur,

Uit het kokende water en schreeuwt

‘Waarom zet je me op het vuur?

Je zocht mij uit en bracht mij, bracht mij hiervoor naar huis?’

De kok mept hem met zijn lepel terug in de pan,

‘Nee, zoetjes koken, spring niet weg van het vuur.

Ik kook je niet uit haat.

Door te koken word je smaakvol, voedzaam

En verenigd met de vitale menselijke geest.

Ik bezorg je dit lijden niet uit kwaadaardigheid.

Eens was je groen en fris en je dronk de regen in de tuin:

Je dronk met het oog op dit vuur.

Gods barmhartigheid gaat vooraf aan zijn wraak,

Door Gods barmhartigheid lijdt de zieke.

(…)

Toch zal Gods genade zijn wraak overnemen.

Eens zul je schoon gewassen zijn in de rivier van lijden

Kikkererwt, je bent gevoed in de lente,

Nu wordt pijn je gast.

Onderhoud hem goed, opdat hij dankbaar naar huis terugkeert

En spreekt van jouw vrijgevigheid aan de Koning.

(…)

Dergelijke onderwerping is de vervulling van Gods doel

 – zoek deze onderwerping.

Kikkererwt, laat je koken in lijden,

Zodat er geen zelf overblijft.

Hoewel je eens lachte in de tuin van de aarde,

Nu ben je een roos van de tuin van de geest,

Nu ben je het oog van de geest.

Pas als je losgescheurd bent van de tuin van water en aarde,

Zul je voedsel worden, krachtig en sterk.

De kikkererwt zei: ‘Als dat zo is, help mij te koken!

Door dit koken verhef je mij.

(…)

De kok zei: ‘Ooit was ik als jij, deel van de aarde.

Ik dronk het vuur van zelfdiscipline, vasten en gebed,

En werd waardig en aanvaardbaar voor God.

Ik kookte lang in de wereld van tijd en lang in de pan van dit lichaam.

Van dit koken groeide het vermogen mijn zintuigen te sterken:

Ik werd geest en toen werd ik jouw leraar. 

Rumi 3

Rumi zegt van zichzelf: ‘Ik was rauw. Ik werd gekookt. Ik verbrandde.’ Waarom zou iemand het zichzelf aandoen om met dergelijke consequenties bij een ander in de leer te gaan? Wat drijft iemand om zijn zelfvernietiging zo tegemoet te gaan? Als hier al een antwoord mogelijk is, dan wellicht in de geest van Pascals woorden: ‘Het hart heeft zijn redenen die het verstand niet kent’. Aan de bereidheid tot zo’n onbegrijpelijke onderwerping ligt de kern van het mysterie ten grondslag: het verlangen.

Niemand treedt een leraar tegemoet die niet gedreven is door verlangen. Een verlangen dat elke dag groter wordt, dat zich nergens tevreden mee kan stellen en dat zelfs niet vatbaar is voor het verstand, dat talloze redenen influistert die de waanzin van deze onderneming aantonen. Al blijft het intellect roepen dat het mensonwaardig, ziek en nutteloos is, dat het nergens voor nodig is, het hart hoort een andere stem die roept en blijft roepen. Want dit verlangen komt ergens vandaan. Het wordt gewekt door de stem van een gebroken hart. De stem is een klaagzang en de klacht betreft de breuk met een geliefde. Er heeft een scheiding plaatsgevonden die een diepe wond heeft achtergelaten. Wie die klaagzang eenmaal in zijn binnenste heeft gehoord, zal niet rusten voor de wond genezen is. Op welke manier? Dat is het mystieke mirakel. De wond kan slechts genezen door groter te worden. Het hart moet nog een tweede keer gebroken worden. Want deze geliefde is niet als een persoon, iemand waar je naartoe kunt gaan en met wie je kunt bespreken hoe de pijn weg te nemen is en de wond kan genezen. De Geliefde is niet ‘buiten’ en is in die zin niet te bereiken. Er is niet iemand met wie je kunt onderhandelen. Bovendien is de wond nog te klein voor de onvatbare geliefde. De wond dient zo groot te worden dat het hart van de verlangende minnaar even grenzeloos wordt als de Geliefde zelf. Rumi schreef een beroemd geworden gedicht over die pijnlijke scheiding. Ik citeer het hier volledig:

Luister naar de rietfluit hoe zij een verhaal vertelt, klagend over het gescheiden zijn – zeggend: ‘Sinds de tijd dat ik van het rietbed werd gescheiden, heeft mijn weeklacht man en vrouw aan het jammeren gebracht.

Ik wil een borst opengereten door scheiding, zodat ik aan een dergelijk iemand de pijn van het liefdesverlangen kan ontvouwen.

Een ieder die ver van zijn bron is achtergelaten, wenst de tijd terug dat hij ermee verenigd was.

In elk gezelschap uitte ik mijn klagende tonen, ik ging om met de ongelukkigen én met hen die zich verheugen.

Een ieder werd mijn vriend vanuit zijn eigen idee, niet één zochtnaar mij geheimen vanuit het binnenste van mijzelf.

Mijn geheim is niet ver van mijn klacht, maar het oor en het oog ontberen het licht waardoor het begrepen zou moeten worden.

Het lichaam is niet versluierd van de ziel, noch de ziel van het lichaam, toch is het niemand toegestaan om de ziel te zien.

Dit geluid van de rietfluit is het vuur, het is niet de wind; wie dit vuur niet heeft, moge hij niets zijn!

Het is het vuur van liefde dat in de rietfluit is, het is de gloed van liefde die in de wijn is.

De rietfluit is de metgezel van iedereen die van een vriend gescheiden werd, de melodie doorboort onze harten.

Wie zag ooit een vergif en een tegengif als de rietfluit? Wie zag ooit een medestander en een verlangende minnaar als de rietfluit?

De rietfluit vertelt van de Weg vol bloed en verhaalt uitvoerig van de hartstocht van Majnun.

Alleen aan de dwazen is dit besef toevertrouwd, de tong heeft geen klant behalve het oor.

In onze weeklacht zijn de dagen van het leven tijdloos geworden, onze dagen reizen hand in hand met brandende smarten.

Als onze dagen heengegaan zijn, laat hen gaan! – het doet er niet toe. Blijft Gij, want niemand is zo heilig als Gij zijt!

Al wie geen vis is, raakt verzadigd van Zijn water, al wie zonder dagelijks brood is, ervaart de dag als lang.

Niemand die rauw is begrijpt de toestand van de rijpe, daarom moeten mijn woorden kort zijn. Vaarwel!

O zoon, breek je ketenen en wees vrij! Hoe lang wil je in de ban zijn van zilver en goud?

Als je de zee in een kruik giet, hoeveel zal het kunnen bevatten? De voorraad van een dag.

De kruik, het oog van de begerige, raakt nooit vol, de schelp van de oester wordt niet met parels gevuld totdat het tevreden is gesteld.

Alleen hij wiens gewaad door een machtige liefde uiteen gescheurd is, is gezuiverd van begerigheid en van alle tekorten.

Heil, O liefde die ons zoveel goeds brengt – jij bent de geneesheer van al onze ziekten,

het geneesmiddel voor onze hoogmoed en ijdelheid, onze Plato en onze Galenus!

Door liefde verheft het aardse lichaam zich tot de hemelen, de berg begon te dansen en werd kwiek.

De liefde inspireerde de berg Sinaï, O minnaar, zodat de Sinaï dronken werd en Mozes in zwijm viel.

Als ik toch verenigd mocht zijn met de lippen van iemand die in harmonie zou zijn met mij, dan zou ook ik, net als de rietfluit, alles vertellen wat mag worden verteld;

maar al wie gescheiden wordt van degene die zijn taal spreekt wordt sprakeloos, al heeft hij honderden liederen.

Als de roos verdwenen is en de tuin verwelkt, dan zul je het lied van de nachtegaal niet meer horen.

De Geliefde is alles en de minnaar slechts een sluier, de Geliefde leeft en de minnaar is een dood ding.

Als de liefde geen zorg voor hem heeft, blijft hij achter als een vogel zonder vleugels. Helaas voor hem!

Hoe zou ik bewust kunnen zijn van iets voor of achter mij, wanneer het licht van mijn Geliefde niet voor mij en achter mij is?

De liefde wil dat dit woord zich laat horen; als de spiegel niet weerspiegelt, wat dan?

Weet je waarom de spiegel van jouw ziel niets weerspiegelt? Omdat de aanslag niet van het oppervlak is verwijderd.

O mijn vrienden, luister naar deze geschiedenis: het is in waarheid de binnenste kern van onze innerlijke toestand.

De rietfluit is klagend van toon: ik ben gescheiden van het rietbed. En die klank brengt iedereen aan het klagen, de gelukkigen en de ongelukkigen. Want iedereen heeft de wens om terug te keren naar de bron waar hij of zij vandaan kwam. Het geluid is als vuur, de gloed van de liefde, en doorboort elk hart dat zich gescheiden weet van een vriend. Het lied zingt van de Weg die vol bloed is en vertelt het verhaal van de hartstocht van Majnun, ofwel Manjun. Rumi zinspeelt op een beroemd liefdesverhaal uit de Perzische literatuur. Er bestaan verschillende versies, maar in grote lijnen komt het hierop neer.

Manjun was dichter en behoorde tot een bedoeïenenvolk. Hij was verliefd op Layla, een meisje van dezelfde stam. Al zijn gedichten wijdde hij aan haar. Maar toen hij haar vader om haar hand vroeg, weigerde deze, omdat het een schande voor de plaatselijke traditie zou zijn. Spoedig daarna trouwde Layla met een andere man. Toen Manjun dit hoorde, vluchtte hij weg en zwierf door de woestijn. Zijn familie gaf het op om hem te zoeken en legde eten voor hem neer in de wildernis. Soms werd Manjun door iemand gezien. Zij zagen hem almaar gedichten reciteren en met een stok in het zand schrijven. Hij was gek geworden. Layla ging met haar echtgenoot naar Irak. Zij werd ziek en stierf. Manjun werd later dood aangetroffen bij het graf van een onbekende vrouw. In een steen vlakbij het graf had hij gedichten gekerfd.

Maar een andere versie vertelt dat Layla hem op het eind van zijn leven komt opzoeken. Layla komt bij Manjun in de woestijn, die elk moment kan sterven. Ze pakt hem bij de schouders en zegt: ‘Hier ben ik, word wakker, kijk naar me, hier ben ik!’ Hij vraagt: ‘Wie ben jij?’ Ze antwoordt: ‘Ik ben je beminde.’ Dan zegt hij: ‘Er kunnen geen twee beminden zijn. Ik heb slechts één beminde. En dat ben ik. Dat ben ik.’

Hij heeft zoveel aan haar gedacht, zoveel dagen en nachten, dat hij ten slotte haar zelf is geworden. Hij vergat zijn gehechtheid aan het verlangen naar haar aanwezigheid. Hij vergat al het andere. Ook de fysieke liefde ervoer hij als gehechtheid. De gedachte aan een ontmoeting had hij laten varen. En nu staat ze voor hem, maar hij herkent haar niet. ‘De beminde, dat ben ik zelf.’ Het is begrijpelijk waarom dit verhaal Rumi zo dierbaar was.

Maar valt er iets meer te doen dan alleen klagen? ‘Breek je ketenen en wees vrij!’ Doe afstand van alles wat je bezit of denkt te zijn. Want de kruik die je denkt te zijn is te klein voor de zee. Alleen een krachtige liefde kan de wond van de scheiding genezen, een liefde die ons kan losscheuren van begerigheid, hoogmoed, ijdelheid en elk tekort. Die liefde maakt het aardse lichaam hemels en doet de bergen dansen. En dan volgt wellicht de meest centrale zin: ‘De Geliefde is alles en de minnaar slechts een sluier, de Geliefde leeft en de minnaar is een dood ding.’ De minnaar is een sluier die verwijderd moet worden. De minnaar dient te verdwijnen. Misschien denkt hij dat hij levend is, maar in werkelijkheid is hij dood. Hoe komt hij tot leven? Door een tweede maal te sterven. Rumi zegt vele malen te zijn gestorven:

 

]Ik stierf als mineraal en werd een plant,

Ik stierf als plant en verrees als dier,

Ik stierf als dier en ik was mens.

Waarvoor zou ik vrezen?

Wanneer werd ik minder door te sterven?

Toch zal ik nog een keer sterven om als mens op te stijgen

met gezegende engelen; maar zelfs de staat van de engelen

moet ik loslaten: alles behalve God moet vergaan. (Soera 28/88)

 

Wanneer ik mijn engelenziel geofferd heb

Zal ik worden wat geen verstand ooit vatte.

O laat mij niet bestaan! Want Niet-bestaan

Roept uit in orgelklanken: Naar Hem keren wij terug. (Soera 2/153)

 

Elke keer dat Rumi stierf, werd hij meer. Maar wanneer komt er een eind aan dit sterven? Zelfs de mens, zelfs de engelenstaat dient te worden opgeheven. Want wil hij zijn, wat geen verstand begrijpen kan, dan moet hij niet meer bestaan. ‘O, laat mij niet bestaan!’ Om naar hem terug te keren, moet de ziel doen wat voor haar het meest verschrikkelijk en ondenkbaar is: niet-bestaan. Maar is dit leven niet het allergrootste geschenk? Moeten wij daar niet dankbaar voor zijn en het verzorgen en koesteren? Zeker, maar juist omdat het zo kostbaar en mij zo dierbaar is, zal ik het moeten offeren omwille van de eenheid met de Geliefde. De minnaar dient tot niets te worden. Rumi is een consequente, radicale, negatieve theoloog. Maar zijn negatieve theologie is geen academische aangelegenheid. Hoewel het verstand kan denken ‘niet dit, niet dat’, kan het gevoel zich nog altijd verzetten. Diep in ieder mens schuilt het gevoel van weerstand te willen bieden aan dat ondenkbare niet-bestaan, die dichte duisternis van nergens en niets. Fanazeggen de moslims, ‘tot niets worden’. Dit ‘niets’ is verder niet te analyseren. Er valt niets van te verwachten, er valt niets over te zeggen. Daar is geen ‘iemand’. Daar heerst volstrekte eenzaamheid. En als hierover toch iets gezegd moet worden – en de monden van mystici zijn vol verzadiging en lopen over van woorden en beelden – dan klinken er kreten van diepe mysterieuze schoonheid of ongelooflijke zegening (ananda). Maar de volheid van dit ‘niets’ verschijnt slechts als dat waarvan je wilt dat het in de tijdwordt vervuld, opgeofferd is.

Die heilzame negatieve Weg naar dit afgronddiepe niets zit al in de islamitische geloofbelijdenis:

 

[t3]Lâ ilâha illâ Allâh

Er is geen godheid dan God

 

betekent ‘niet’ of ‘geen’. Rumi speelt hiermee. Hij laat de minnaar aan de geliefde vragen om hem te beschouwen als een (‘niet’) en hem om te vormen tot een illâ, ‘een niet anders dan’ (de beminde). En ook dat , ‘geen’, moet weer achtergelaten worden om volledig plaats te maken voor de geliefde. Hij gebruikt een woordspeling. heeft in het Arabisch de vorm van een bezem. Vandaar: ‘Reinig dit huis van jezelf, zie die keizerlijke schoonheid, neem de bezem , ‘geen’, want ‘geen’ is goed om het huis te vegen.’ Wat overblijft is illâ Allâh, de Beminde.

Dan keert de weg zich om: niet de ziel zoekt de Geliefde, maar de geliefde zoekt de ziel: ‘Minnaars zijn hier niet op eigen initiatief op zoek; in de gehele wereld is er geen andere zoeker dan Hij.’ Uiteindelijk blijft alleen het grootste mysterie: er is alleen maar de geliefde, ofwel er is alleen maar liefde. 

Een symbool dat Rumi ook graag gebruikt voor de mystieke weg is de ladder, de trap met diverse treden, die de minnaar naar het dak leidt waar de Geliefde wacht. En alles kan als ladder dienen: religieuze gevoelens, de leraar, de dood en natuurlijk de sama. Maar de allereerste trede wordt gevormd door de rituele verplichtingen, zoals die beschreven staan in de Koran. Ook al heeft Shams in hem de minnaar gewekt ‘die geen ladder nodig heeft’, Rumi zal zijn leven lang trouw blijven aan de traditionele beoefening van de moslim: het uitspreken van de geloofsformule, vasten, gebed, aalmoezen en pelgrimage. ‘Je moet je begeren disciplineren.’ Hij hield zich aan de vastentijd en bezong vaak de zegeningen van het vasten. Hij respecteerde het rituele gebed, want het uiterlijke ritueel is voorwaarde voor de innerlijke nadering. Het is de meest tedere, intieme conversatie tussen minnaar en geliefde. De ervaring van het rituele gebed verdiepte zijn mystieke staat. Er zijn gebeden die God niet beantwoordt, het is te danken aan zijn vriendelijkheid dat Hij ze niet hoort. De gebeden die God wel altijd hoort en beantwoordt, zijn de gebeden voor de anderen, familie, leraren, vrienden en voor de vijanden, rovers, corrupte en onbeschaamde zondaars. Rumi hoorde de gebeden van alles wat geschapen was: de maan, de vis, de mineralen, de vogels, de bloemen, het water. Uiteindelijk is het mystieke gebed onuitspreekbaar. Rumi’s vele woorden over verlangen en hoop moeten dan ook verstaan worden als de ‘stomme welsprekendheid’ van de minnaar die spreekt door middel van zijn ledematen. Niemand weet hoe te bidden, vandaar: ‘U, O heer, leer mij bidden.’

Hij prijst de pelgrimage naar Mekka. Maar zoals vaak verschuift hij van de uiterlijke naar de innerlijke betekenis. De reis naar Mekka is niet alleen de fysieke tocht vol ontberingen, slapeloze nachten en blootstelling aan zwaar weer, teneinde zevenmaal om de Kaäba heen te draaien. Er is een stenen Kaäba en een hart-Kaäba. ‘Jouw hart is de Kaäba.’ ‘God vraag je op pelgrimage naar de fysieke Kaäba te gaan, zodat je door middel van de Kaäba een hart kunt veroveren.’ En natuurlijk heeft Rumi een mooi verhaal:

Bayazid, de leider van de gemeenschap, ging gezwind als de wind naar Mekka om de grote en kleine pelgrimstocht te doen. In elke stad waar hij kwam zocht hij meteen de eerbiedwaardige heiligen van God. ‘Wie leunt er in deze stad op de zuilen van spiritueel inzicht’, vroeg hij terwijl hij rondliep. Op een dag zag hij een oude man, gebogen als de maansikkel. Hij zag in hem de waardigheid en manier van spreken van de ware mannen van God. Ofschoon hij blind was, straalde zijn hart als de zon – hij was een olifant die droomde van Hindoestan. Bayazid ging voor hem zitten en vroeg hoe hij het maakte. Hij bleek een derwisj en huisvader te zijn. ‘Waarheen bent u op weg’, vroeg de oude man. ‘Reiziger, waar gaat u in een vreemd land met uw reistas naartoe?’ ‘Bij het krieken van de dag ga ik op weg naar de Kaäba.’ ‘En wat hebt u bij u voor onderweg?’ ‘Tweehonderd zilveren dirhams. Kijk, ze zijn stevig in de zoom van mijn mantel genaaid.’ ‘Loop zeven keer om mij heen’, zei de oude man. ‘Dat is minstens even goed als de ommegang rond de Kaäba die deel uitmaakt van de pelgrimstocht. Leg, gul als u bent, die dirhams maar voor mij neer. U hebt de grote pelgrimstocht volbracht en uw verlangen is vervuld. U hebt de kleine pelgrimstocht volbracht en bent bekend geraakt met het eeuwige leven, u hebt de heuvel Safa (zuiverheid) beklommen en bent nu zuiver. Ik zweer bij Gods waarheid – en uw ziel heeft gezien dat Hij mij verkiest boven Zijn heilige huis. De Kaäba mag dan Zijn huis van vrome dienstbaarheid zijn, mijn lichaam is eveneens het huis van Zijn meest innerlijke geheim. Sinds Hij de Kaäba heeft gemaakt, heeft Hij hem nooit betreden. Niemand anders dan de levende God betrad echter ooit mijn huis. Nu u mij hebt gezien, hebt u God gezien. U hebt de ommegang rond de Kaäba van oprechtheid gemaakt. Wie mij dient, gehoorzaamt God en zingt Zijn lof. God en ik zijn één. Sla een blik op mij en aanschouw Gods licht in mensengedaante.’ Bayazid sloeg acht op die mystieke woorden en ze bleven in zijn oor hangen als een gouden oorhanger. 

Dit over de eerste en fundamentele trede van de ladder waarop men altijd staan blijft. De vervulling van de rituele verplichtingen is een constante strijd, dit is ‘het polijsten van het hart’. Andere treden van de trap: berouw, zozeer dat tranen rijkelijk vloeien; geduld, ‘de vogel van geduld vliegt sneller dan alle andere’; mystieke armoede, ‘een kundige dokter die de ziekte van het zelf geneest’; mystieke staten van vervoeringen, daar is de ervaring van Gods Grandeur, daar neemt de ziel ‘de kleuren van God’ aan; en vooral de ontmoeting met de heiligen: ‘wie de Weg gaat zonder gids, voor hem duurt een weg van twee dagen honderd jaar’.

Rumi stierf op 17 december 1273. Bij zijn begrafenis waren naast de vele moslims ook joden en christenen aanwezig. Elke religie nam afscheid met de gebeden en rituelen uit de eigen traditie. Rumi’s oecumene was niet zozeer gebaseerd op tolerantie, maar op grote waardering en diep mystiek inzicht. Ongetwijfeld heeft hij ingestemd met de woorden van Shams: ‘Ze zijn allen te zien in jezelf – Mozes en Jezus, Abraham en Noach, Asiya en de antichrist, Chizr en Elia, Farao en Nimrod. Je kunt ze allen in jezelf zien. Je bent een oneindige wereld. Wat stellen daar hemel en aarde voor? De hemelen en de aarde kunnen Mij niet bevatten, alleen het hart van Mijn trouwe dienaar is daarvoor groot genoeg. Je vindt mij niet in de hemelen en niet op de troon.’

Soltan Valad stichtte na de dood van zijn vader de Mevlevi Orde, die tot op de dag van vandaag de geest van Rumi voortzet. Elk jaar in december komen in Konya derwisjen bijeen om met een tiendaagse samaRumi’s dood, ‘zijn huwelijk’, wervelend te gedenken. Op zijn graf staat geschreven:

 

                                                     Kom, kom nog een keer!

                                                    Wie je ook maar bent,

                                                    Gelovige of ongelovige, ketter of heiden.

                                                    Ook al heb je wel honderd keer je eed gebroken

                                                    Onze deur is niet de deur van de teleurstelling:

                                                   Kom, kom nog een keer!   

graf3
                                        Rumi's graftombe in Konya