Appendix 1 Bataille en de discussie over de zonde

Op 5 oktober 1944 werd er in Parijs ten huize van Marcel Poré een conferentie gehouden onder de titel ‘Discussie over de zonde’. Aanwezig waren onder andere Maurice Blanchot, Simone de Beauvoir, Albert Camus, R. P. Daniélou, R. P. Dubarle, Maurice de Gandillac, Jean Hyppolite, Pierre Klossowski, Michel Leiris, Pierre de Lescure, Gabriel Marcel, Louis Massignon, Maurice Merleau-Ponty, Marcel More, Jean Paulhan,  J.-P. Sartre.

Bataille hield de inleiding, waarna de discussie volgde.

BatalVoor een verslag van deze bijeenkomst: Georges Bataille, The unfinished system of nonknowledge, edited and with an introduction by Stuart Kendall, translated by Michelle Kendall and Stuart Kendall, University of Minnesota Press, Minneapolis/London, 2001, p. 26 – 74.

 

(Introductie) De vraag ingebracht door Bataille betreft ‘goed en kwaad in verwijzing naar een wezen of wezens.’

Het goede vindt plaats als het goed van een wezen. Kwaad als een onzuiverheid gebracht naar een wezen. Het goede zou daarom het respect voor wezens willen zijn, het kwaad hun schending. Allereerst verschijnt deze contradictie:

‘Het goede is betrokken op de minachting van de wezens voor hun eigen belangen.’ Volgens een tweede begrip… ‘kwaad zou het bestaan van wezens zijn in zover als dit hun scheiding impliceert’

Simpele verzoening: het goede zou het belang zijn van anderen.

I.

(Fundamentele propositie). Het is een kwestie het goede niet tegenover het kwade te stellen maar ‘het morele toppunt’, welke verschilt van het goede, tegenover ‘het verval’, welke niet van doen heeft met het kwaad en wiens noodzakelijkheid, daarentegen, de modaliteiten van het goede bepalen.

Het toppunt beantwoordt aan het exces, de overvloed van krachten. Het voert de tragische intensiteit tot zijn grens. Het staat in verband met mateloze verkwisting van energie, met de schending van de integriteit van wezens. Het staat daarom dichter bij het kwaad dan bij het goede.

Het verval – beantwoordend aan momenten van uitputting, van vermoeidheid – verleent alle waarde om zich te bekommeren voor het behoud en het verrijken van het wezen.  Regels van moraliteit zijn het resultaat van het verval.

Bataille wil in de eerste plaats tonen dat de meest dubbelzinnige expressie van het kwaad op het toppunt Christus is aan het kruis…

‘Pilatus’ executeurs kruisigden Jezus maar de God die zij aan het kruis spijkerde was ter dood gebracht als een offer: misdaad is het offerwerktuig, een misdaad die sinds Adam zondaars oneindig begaan…

‘De executie van Christus schaadt Gods wezen.

Dingen vonden plaats alsof schepsels in staat waren te communiceren met hun schepper alleen door een wond die de integriteit verscheurt.

… God gewikkeld in menselijke schuld en mensen gewikkeld in hun schuld met betrekking tot God, vinden, op pijnlijke wijze, de eenheid die hun einde schijnt te zijn… Mensheid bereikt het toppunt van kwaad in de kruisiging. Maar het is precies in het bereiken van dit toppunt, dat de mensheid ophoudt van God gescheiden te zijn. Van hieruit begrijpen we dat ‘communicatie’ niet plaats kan vinden van een volledig en intact wezen met een ander. Communicatie wenst wezens met hun wezen op het spel gezet, geplaatst op het toppunt van de dood, van niets: het morele hoogtepunt is een moment van risico nemen, van het opschorten van het wezen voorbij zichzelf, tot op de grens van het niets.’

II.

In ‘communicatie’, in liefde, heeft verlangen ‘niets’ als zijn object. Dit is gelijk elk offer.

Algemeen gesproken, staat het offer aan de kant van het kwaad, het is een noodzakelijk kwaad, en het zou onbegrijpelijk zijn ‘als men universeel’ slechts ‘communiceerde’ met elkaar tegelijkertijd met duivels of hemelse schaduwen. Aldus verbindt verlangen -wat de verbinding is in alle communicatie van offer tot zonde - soeverein verlangen, knagend aan angst en het voedend, verbindt een wezen, mijn wezen, in een zoektocht naar wat aan gene zijde is: niets. In deze verscheuring, in dit pijnlijke gevoel van een gemis, heb ik een promotie van mijn afwezigheid door welke de aanwezigheid van de ander zichzelf openbaart, mits dat de ander ook de rand onderzoekt van zijn eigen niets. Communicatie gebeurt alleen tussen twee wezens die hun leven op het spel zetten. Hier vinden we een gelijkvormige verklaring voor de werken van het vlees en voor het offer. De persoon die het offer voltrekt en de getuige bij het offer identificeren zich met het slachtoffer; en op het moment van de executie, buigen zij zich over hun eigen niets. Zij begrijpen dat hun god de dood binnensluipt. Op deze wijze zet de offergift het wezen van de mens gedeeltelijk zijn leven op het spel en staat het toe verenigd te zijn met de goddelijkheid van het wezen, dat dus ook zijn leven op het spel zet.

III.

(Vaker dan het sacrale object heeft het verlangen het vlees als zijn object en in het vleselijke verlangen verschijnt het spel van ‘communicatie’ rigoureus in zijn complexiteit. In de vleselijke handeling, in de ontheiliging – en in het ontheiligen van zichzelf – kruist de mens de grens van de wezens.)

{Aldus, wat het wezen aantrekt in het wezen van vlees is niet direct het wezen, het is zijn wond; het is een breekpunt in de integriteit van het lichaam. Zowel in de sensualiteit als in de dood, is het niets zelf een wond, dat zijn integriteit op het spel zet, zijn breuk, die niet doodt maar ontheiligt.  Wat de ontheiliging openbaart, is dus wat de dood openbaart: het niets, het lijk drukt het niets uit. Zowel in sensualiteit als in de dood is het niets zelf, niet wat ons nog langer aantrekt dan dat het lijk als zodanig bekoort. Door de artificiële aspecten – de schijnbare strengheid van de dood - zijn vroom respect en kalme verering met elkaar verbonden.

Gelijkelijk is in sensualiteit een omzetting noodzakelijk voor de aantrekkingskracht van het niets, wanneer ‘fraaie, wellustige naaktheid’ zegeviert over het risico, bewerkt door de ontheiliging.}

Als het niets van de obsceniteit de grens aanwijst waar het wezen een gebrek heeft, verschijnt in de verleiding het niets van buiten als het antwoord op de dorst naar communicatie. De betekenis en werkelijkheid van dit antwoord zijn gemakkelijk te bepalen.  In de verleiding vindt het wezen zichzelf vermalen door de dubbele nijptang van het niets. Als het niet communiceert, vernietigt het wezen zichzelf in de leegte waarin het leven zichzelf isoleert. Als het wenst te communiceren, riskeert het gelijkelijk zichzelf te verliezen: ik communiceer slechts buiten mijzelf, slechts door mijzelf te laten gaan of mijzelf naar buiten te werpen. ‘Als ik mij overgeef aan verachtelijke toestanden zal ik vallen in mijn eigen oordeel.’

{Aldus openbaart ‘de lange weerstand in de verleiding’ veel meer dat die communicatie alleen gebeurt in zoverre de wezens, zich buigend naar buiten, zichzelf riskeren onder de dreiging van degradatie. Omwille van deze reden ontkennen de zuiverste wezens niet de riolen van sensualiteit. Zij begrijpen met extreme afkeer, wat anderen uitput.}

IV.

Mensen kunnen slechts ‘communiceren’ -leven- buiten zichzelf, en aangezien zij moeten communiceren, moeten zij dit kwaad wensen, deze ontheiliging die, omdat het wezen zichzelf op het spel zet – hen doordringbaar maakt voor elkaar…. Aldus, alle communicatie neemt deel aan suïcide en misdaad.  In dit licht verschijnt het kwaad als een levenskracht! Terwijl de integriteit van het wezen in mijzelf en in de ander vernietigd wordt, open ik mijzelf voor communicatie, bereik ik het morele hoogtepunt. En het hoogtepunt bestaat niet in overgave, maar in het willen van het kwaad.

V.

Het kwaad verschijnt als ‘een middel waar wij doorheem moeten gaan als willen ‘communiceren’, als een levenskracht,’ dit is slechts een gefingeerde relatie: zelfs de ideeën van het goede van het wezen plaatsen er een duur tussen, de zorg voor wat is wezenlijk vreemd is aan het kwaad – op het toppunt. Communicatie is, wezenlijk, overschreden te willen worden: essentieel, wat is verworpen in het kwaad is de zorg voor de toekomst. Het is precies in die zin dat het streven naar het hoogtepunt, dat de beweging van het kwaad - alle moraliteit  in ons constitueert – een moraliteit met waarde slechts in zover als het ons beweegt onszelf op het spel te zetten.

De ‘populaire moraliteit’, die een beroep doet op verdienste en voorstelt het goede van het wezen te realiseren in de tijd die komen gaat als een doel in zichzelf, laat het risico toe slechts voor zover het een nuttige zaak betreft. De natie, het verbeteren van het lot van de arme ect., {‘Populaire moraliteit’ drukt niets anders uit dan een vermoeidheid, wiens grootste tegenstander de vrijheid neemt van de zintuigen voor zijn objecten, seksuele excessen – ‘een wilde uitbarsting naar een ontoegankelijke top’ en ‘wiens overvloed bij definitie is tegengesteld aan de zorg voor de toekomst.’ Omdat geen verdienste maar een hoeveelheid afkeuring er mee verbonden is, geeft de erotische top geluk terug, terwijl de heroïsche top, ten koste van groot lijden, het herstel van verdienste bereikt – hoewel geluk in oorlogstijd voor wanorde speelt.}

In het gewone oordeel is de essentie van een morele handeling slaafs aan enig nut, om terug te keren naar het goede van een wezen, is er een beweging nodig waarin het wezen verlangt om het wezen te overschrijden. Op die manier is moraliteit niet meer dan de ontkenning van moraliteit.

VI

Niettemin, de buitensporige verkwistingen van energie waarin de zorg om de grens van een wezen te vernietigen ons verbindt, zijn ze ongunstig voor het behoud van dit wezen. Noch misdaad noch sensualiteit beantwoordt aan het verlangen naar een hoogtepunt. Maar ‘de gescheurde gebieden’ die zij aanduiden, wijze niettemin ‘naar een toppunt waarheen de hartstochten neigen’.

VII.

{Christelijke extase verschijnt dan in een enkel moment door deel te nemen aan de razernij van Eros en misdaad}

‘… Een christelijke mysticus kruisigt Jezus. Zijn liefde vereist zelfs God op het spel te zetten zodat hij zijn wanhoop uitschreeuwde aan het kruis. {De misdaad van de heilige is bij uitstek erotisch…} Elke keer is het verlangen de oorsprong van het moment van extase en liefde: op elk punt heeft de beweging altijd de vernietiging van de wezens als zijn object.  Het niets dat op het spel staat in de mystieke staten is soms het niets van het subject, soms dat van het wezen dat zich in de totaliteit van de wereld voorstelt… De mystieke trance put zichzelf uit om voorbij de grens van het wezen te gaan.  Beetje bij beetje, doet het verlangen de mysticus opstijgen tot zulk een perfecte ondergang, tot zulk een perfecte verkwisting van zichzelf dat in hem het leven zichzelf vergelijkt met de glans van de zon.’

Niettemin is het duidelijk dat deze vernietigingen, deze verteringen verbonden met verlangen niet reëel zijn: in crisis is de misdaad of vernietiging van wezens representatie.  Een moreel compromis verwierp de reële wanordes (orgie of offer) en stelde er de realiteiten van symbolen (van ficties) voor in de plaats vóór het verlangen aanhoudt vanuit een top, ‘wezens die volharden in de noodzakelijkheid van het vinden in de communicatie van het voorbijgaan van dat wat zij zijn.’  {Het offer van de Mis, dat de werkelijke dood van Jezus representeert, is nog altijd slechts een symbool in de oneindige vernieuwing dat de kerk ervan maakt. Sensualiteit nam de vorm aan van spirituele uitstroming. Thema’s voor meditatie vervangen werkelijke orgiën. …’}

VIII.

De substitutie van spirituele hoogtepunten voor de onmiddellijke zou niet kunnen plaats vinden, als we niet de voorrang gaven aan de toekomst boven het heden, als we niet de consequenties trokken van het onvermijdelijke verval dat op het hoogtepunt volgt. Spirituele hoogtepunten zijn de negatie van wat gegeven kon zijn als de moraliteit van het toppunt. Zij ontstaan van een moraliteit van verval.

‘Als ik de zorg voor de toekomst onderdruk, ben ik niet in staat de verleiding te weerstaan..Om de waarheid te zeggen, deze staat van gelukkige openheid is menselijk niet voorstelbaar. De menselijke natuur als zodanig kan zijn zorg voor de toekomst niet verwerpen. We ontsnappen aan de duizeling van sensualiteit alleen wanner wij voor onszelf enig goed voorstellen, gesitueerd in een toekomstige tijd..’ en we bereiken ‘de nonsensuele, niet directe toppen slechts op de voorwaarde van een najagen van een noodzakelijk hoger doel. En dit doel moet noodzakelijk boven de spirituele top gesitueerd zijn.

‘… Het weerstaan van verleiding impliceert het achterlaten van de moraliteit van de top, ontstaan opnieuw van de moraliteit van het verval… Zolang als we bezield zijn van een jeugdige opgewondenheid, stemmen we in met een gevaarlijk verspillen. Maar wanneer deze krachten ons beginnen in de steek te laten, wanneer we in verval beginnen te raken, worden we geheel in beslag genomen… met opeenhoping, met het onszelf verrijken voor de moeilijkheden die komen gaan. We handelen. En handeling, streven kan slechts een vermeerdering van krachten hebben als zijn doel. Aldus zijn spirituele toppunten verbonden met pogingen om enig goed te winnen. Hoogtepunten ontstaan niet langer van een toppunt van moraliteit.: een moraliteit van verval duidt toppunten aan minder door onze verlangens dan door onze inspanningen.’

IX.

Aldus is de mystieke staat gewoonlijk geconditioneerd door het zoeken naar verlossing.

De link tussen een hoogtepunt als mystieke staat en de armoede van een zijn, moet misleidend zijn.. Een eenzame asceet jaagt een doel waarvoor extase het middel is. Hij werkt voor zijn redding…. Precies als een arbeider hard werkt voor zijn geld.  In zoverre als hij bezwijkt voor de menselijke misère heeft  een asceet de mogelijkheid een lang werk van bevrijding te ondernemen … zonder de verleiding van bevrijding (of welke verleiding dan ook),zouden we niet de mystieke weg gevonden hebben! Zonder deze wrede kunstgreep zouden mensen niet een gedrag gehad hebben van verval (oneindige droefheid, de lachwekkende serieusheid vereist door inspanning).

X.

We moeten verder gaan, om een dergelijke kritiek te formuleren is reeds in verval geraken. De act van ‘spreken’ van een moraliteit van de top ontstaat zelf van een moraliteit van verval.

… ‘Spreken’ ..  van een moraliteit van de top… het meest lachwekkende ding! .. zijn constructie veronderstelt een verval van mijn kant… ‘de top voorgesteld als een doel is niet langer de top: ik reduceer het tot het zoeken naar een voordeel in het spreken erover. Met het aannemen van een hopeloze liederlijkheid voor een moreel toppunt…  beroof ik mijzelf.. van de macht om het toppunt door liederlijkheid te bereiken.’

XI.

Zoals Kafka’s kasteel is de top, op het einde, niets dan het ontoegankelijke. Het glijdt van ons weg, tenminste voor zover we niet stoppen als een mens, sprekende. Daarnaast kunnen we niet de top tegenover het verval stellen als het kwaad tot het goede. De top is niet iets wat we moeten bereiken, verval niet wat men moet afschaffen. De top is niets dan het ontoegankelijk, verval is vanaf het eerste begin onvermijdelijk.

(‘De top is in wezen de plaats op de top waar leven onmogelijk is.’)

XII.

In de geschiedenis zijn de redenen ontwikkeld die een menselijk wezen zou kunnen hebben om naar de top te gaan (het goede van de natie, rechtvaardigheid, bevrijding ect.) ‘Maar de moeilijkheid is naar de top te gaan zonder een reden, zonder aanleiding..’

‘… Ieder spel, elke beklimming elk offer wezen, zoals sensueel exces, een verlies van kracht, een verspilling moeten onze verkwistingen elke keer rechtvaardigen met een belofte van winst, illusoir of niet.’ Hoewel zelfs een revolutionaire actie de klassenmaatschappij zou bevestigen – verder zou een historische actie niet langer kunnen ontstaan – schijnt het dat menselijk gesproken de hoeveelheid energie die geproduceerd wordt altijd groter is dan de hoeveelheid die noodzakelijk is voor zijn productie. Vandaar dit voortdurende overvolle koken van energie – welke ons continu leidt naar de top - constitueert een verderfelijk aandeel. We zouden de motieven missen voor een actie die tot nu toe aanleidingen bieden voor oneindige verspilling:…

Wat zou er worden van de energie die overstroomt van ons?..

XIII.

 Nu vraagt Bataille opnieuw: ‘Is er een moreel doel dat ik zou kunnen bereiken voorbij de wezens? en antwoordt: ‘… volgend de hellingen van het verval, ben ik niet in staat dit doel te bereiken.. Ik kan geen goed in de plaats stellen dat mij ontsnapt.’

Bataille dwingt degene die een motief hebben zijn lot te delen: zijn haat jegens motieven en zijn fragiliteit, welke hij als gelukkig oordeelt. De gevaarlijke situatie die zijn geluk is, terwijl hij zijn uiteindelijke kwestie in hem draagt ‘als een explosieve aanklacht: ‘Wat kan een lucide mens in deze wereld doen? Wanneer hij met zich meedraagt een onbetwistbare eis.’

XIV.

(Conclusie) Binnen een vijandige en zwijgende natuur, wat wordt er van de menselijke autonomie? ‘Misschien heeft het verlangen te weten slechts één betekenis: te dienen als motief voor het verlangen om te vragen.  Zonder twijfel is kennis noodzakelijk voor de autonomie van die actie – waardoor het de wereld transformeert – verschaft voor de mensheid. Maar voorbij de condities van doen, verschijnt kennis als een lokeend wanner het tegenover de ondervraging komt te staan die het beveelt.  Wanneer dit verhoor faalt, lachen we.  De verrukkingen van extase en het vuur van Eros zijn zovele vragen – zonder antwoorden – waartoe wij de natuur en onze natuur onderwerpen. Als ik weet hoe morele vragen te beantwoorden… zou ik mijzelf beslist distantiëren van de top. Het is door de ondervraging open te laten als een innerlijke wond dat ik de kans bewaar voor een mogelijke toegang tot de top…’

*********************

Hoewel belangrijk, laat ik de discussie die volgde o.a. met Daniélou, een rooms katholiek theoloog met wie Bataille zeer bevriend was, met Sartre, Klossowski, Louis Massignon, mysticus en bekend Islamoloog, en met  J. Hyppolite buiten beschouwing. Voor zover ik weet heeft een discussie over het kwaad en de zonden op een dergelijk hoog en vrijmoedig niveau sindsdien niet meer plaats gevonden.