›› Zen

Bij de Dharmales city zomer sesshin 2021. Drie Nanto koans uit de Bi Yan Lu (jap. Hekiganroku)

Uit: The Blue Cliff Record, translated from the Chinese Pi Yen Lu by Thomas and J.C. Cleary, foreword by Taizan Maezumi Roshi, Prajna Press, Boulder, 1978.

Ook geraadpleegd: Bi-Yän-Lu, Meisters Yüan-wu's Niederschrift von der Smaragdenen Felswand, ver fasst auf dem Djia-schan bei Li in Huan zwischen 111 und 1115, im Druck erschieneen in Sïtschuan um 1300, verdeutscht und erläutert von Wilhem Gundert 3.Bände, Carl Hanser Verlag, München, 1964-1973.

Biyanlu 3

 

Redacteuren van de Bi Yan Lu.

  • Xuedou (Jap. Setcho) (980-1052) is de samensteller van de Bi Yan Lu (100 koan verhalen) en schreef bij elk voorval een gedicht.
  • Yuan Wu (Jap. Engo) (1063-1135) nam deze redactie van Xuedou over en voegde - niet altijd – bij het voorval een introductie en een commentaar, plus een commentaar op het gedicht van Xuedou.

Nanquan’s deze bloem (Sekida, Hekigan-roku Case 40)

Introductie

Wanneer de actieve geest gestopt en weggevaagd is, zal de ijzeren boom bloeien. Kan je dat demonstreren? Zelfs een handige kerel zal hier een zware dreun krijgen. Zelfs als hij op allerlei manieren excelleert, zal zijn neusgaten doorboord worden. Wat zijn de complicaties? Zie het volgende:

Het incident

Riku Taifu [een hoge ambtenaar] sprak Nanquan en zei:’ Jo Hosshi [een beroemd vertaler] zei: Hemel en aarde en ik zijn van dezelfde oorsprong. Alle dingen en ik zijn één substantie. Is dat niet fantastisch?’  1) Nanquan wees naar een bloem in de tuin 2) en zei: ‘Vandaag de dag zien mensen deze bloem als in een droom.’ 3)

Noten

  1. Hij verdient de kost in een grot van geesten. Een beeld van een koek kan honger niet verzadigen. Het is schrapen tussen het onkruid.
  2. Wat zegt ie? Bah! De geschriften hebben exegeten, de commentaren hebben commentatoren;  dat is geen zaak voor een lapjes dragende monnik. Bah! Een machtig mens zou op dat ogenblik een kantelwoord gesproken hebben en niet alleen maar Nanquan de mond gesnoerd hebben, plus dat alle lapjes dragende monniken daarbij de nodige energie zouden ten toon spreiden.
  3. Wanneer het borduursel van de mandarijnen eend  is gedaan,  kan je daarnaar kijken, maar dan geef je nog niet de gouden naald aan iedereen. Praat niet in je slaap! Je hebt de gouden oriole [zangvogel] van zijn wilgentak getrokken.

Commentaar.

De hoge ambtenaar Riku Taifu (ch. Lu Hsuan) was lange tijd met Nanquan. Altijd had hij de essentiële natuur voor ogen en hij dompelde zichzelf onder in de Verhandelingen van Chao. Eens zaten zij samen en hij citeerde twee regels die hij als opmerkelijk beschouwde. Hij vroeg: ‘De meester van de onderrichtingen van Chao zei: “Hemel, aarde en ik hebben dezelfde wortel; de tienduizend dingen en ik zijn één lichaam.” Dit is prachtig.’  De meester van de onderrichtingen,  Seng Chao, was een eminente monnik van de Chin tijd (laat 4e en vroeg 5e eeuw A.D.);  hij was samen met Tao Seng, Tao Jung en Seng Jui in de school van Kumarajiva. Zij werden de Vier Wijzen genoemd.

Toe Seng Chao nog jong was, las hij graag Chuang Tzu en Lao Tzu. Toen hij later de oude vertaling van de Vimalakirti Sutra aan het kopiëren was, verkreeg hij verlichting. Toen wist hij dat Chuang en Lao niet grondig genoeg waren. Daarom vertaalde hij alle geschriften en stelde de vier verhandelingen samen.

Wat Chuang en Lao beoogde te zeggen was dat ‘hemel en aarde zijn groots van vorm; mijn vorm is dat ook; wij zijn evenzeer geboren te midden van het lege niets.’ De grondgedachte van Chuang en Lao is de gelijkheid van alle dingen; Seng Chao bedoelde alleen maar te zeggen dat de natuur van alles terugkeert naar het zelf. Heb je niet gezien dat zijn onderricht zegt: ‘De uiteindelijke mens is leeg en hol, zonder vorm; toch is onder de tienduizend dingen er niet één, die ik niet geschapen heb. Wie de wereld der dingen zo verstaat, dat hij in hen allen zichzelf erkent, die moet wel een heilige zijn.’

Ofschoon er goden zijn en mensen en wijzen en heiligen, elk is onderscheiden, maar allen hebben gelijkelijk één natuur en één substantie.

Een Oude zei: ‘Hemel en aarde, de gehele wereld, is slechts het zelf; wanneer het koud is, is het koud in de hemel en in de hele wereld; wanneer het warm is is het warm in de hemel en in de hele wereld. Wanneer het bestaat, bestaat  het in de hemel en op aarde; wanneer het niet bestaat, bestaat het noch in de hemel noch op aarde. Eenmaal bevestigd, geldt dit zowel voor de hemel als voor de aarde; eenmaal ontkent, is het noch in de hemel noch op aarde.’

Fa Yen zei: Hij, hij , hij, ik, ik, ik

                  Zuid, noord, oost, west, alles is in orde.

                  Alles in orde of niet in orde,

                  voor mij is er niets wat niet in orde is.

Daarom wordt er gezegd: ‘In de hemel en op de aarde ben ik de enige eerbiedwaardige.’ Toen Shih T’ou het Onderricht van Chao las en op de plaats kwam ‘Versta de tienduizend dingen als het zelf,’ - werd hij groots en diep verlicht. Later componeerde hij het boek Ts’an T’ung Ch’i [Jap. Sandokai] (het samenvallen van eenheid en veelheid) dat geheel en al in het raam van zijn denken ligt.

Zie hoe Lu Hsuan vroeg: Zeg me, welke wortel delen zij? Welk lichaam hebben zij gemeen? Toen hij op dat punt geraakte, was hij nog steeds onbetwistbaar uniek. Hoe zou dit hetzelfde kunnen zijn als de onwetendheid van de gewone mens, die niets weet van de hoogte van de hemel noch van de breedte van de aarde. Hoe is het mogelijk dat er zoiets bestaat?

Op die manier  was Lu Hsuan’s vraag inderdaad uitzonderlijk, maar ook geheel in overeenstemming met de Leer. Als je zegt dat de betekenis van de Leer het uiteindelijke paradigma is, waarom dan stak de Wereldeerbiedwaardige een bloem omhoog? Waarom kwam de Leraar Patriarch vanuit het Westen? Met zijn antwoord greep Nanquan de lapjes dragende monnik om hem uit zijn pijnlijke plek te trekken voor een andere en sloopte zijn nest; hij wees naar een bloem in de tuin en riep naar de beambte: ‘Heden ten dage zien mensen deze bloem als in een droom.’ Dit is als de man naar de rand van een duizend vadem diepe rots leiden en hem een duw geven die ervoor zorgt dat zijn leven afgesneden wordt. Als jij omver gestoten was op de vlakke grond, zelfs tot Maitreya geboren was in de wereld, zou je simpelweg niet in staat zijn het afsnijden van het leven te voltooien.

Het is als een mens in een droom; hoewel hij wil ontwaken, kan hij niet wakker worden; geroepen door een ander, ontwaakt hij. Als Nanquan’s oog niet waarachtig was, zou hij zeker door Lu in verwarring gebracht zijn. Zie hoe hij spreekt; toch is hij onmiskenbaar moeilijk te verstaan. Als het bewegen van je ogen levend is, zal je het ervaren als de trotse geur van honing; als je dood bent, zal je het horen en veranderen in vergif. Een Oude zei: ‘Als je het in de verschijnselen ziet, zal je verzeild raken in de gewone gevoelens; als je je intellect gebruik om het uit te vogelen,  zal je al bij al zoeken zonder het te vinden. Yen T’ou zei: ‘Dit is de kostwinning van een transcendent mens; hij openbaart het eindpunt voor je ogen, als een bliksemflits.

Nanquan’s grote betekenis was als dit; hij heeft de capaciteit om rinocerossen en tijgers te vangen, om over draken en slangen te oordelen. Wanneer je daar bent, moet je begrijpen vanuit jezelf: heb je niet gehoord dat er gezegd is, ‘De enige,  transcenderende weg is nog niet overgeleverd door duizend wijzen; studenten zwoegen op vormen zoals apen grijpen naar het spiegelbeeld van de maan in het water. Zie hoe Hsueh Tou het zegt in een gedicht:

Zien, horen, bewustzijn, kennis; dit is niet een en hetzelfde –

         In de veelvuldigheid van vormen en myriade verschijnselen is er niet een    enkel ding. Zeven bloemen, acht bloesems. Oog, neus, tong, lichaam en geest zijn allen onmiddellijk een hamerkop zonder gat.

Bergen en rivieren worden niet gezien in een spiegel.

         Hier is niet een dergelijk landschap waar ik ben. Wat lang is, is lang van zichzelf; wat kort is, is kort van zichzelf; groen is groen en geel is geel.   Waar zie je dat?

De ijzige hemel van de maan gaat onder; de nacht is bijna voor de helft voorbij.

         Hij heeft je gebracht naar het onkruid. De hele wereld heeft het nooit verborgen. Ik vrees slechts dat je in het binnenste van een spookgrot zit.

Met wie zal het een schaduw werpen, koud in de heldere vijver? 

         Is daar iemand? Als zij niet slapen in hetzelfde bed, hoe zouden zij kunnen weten dat de dekens versleten zijn. Iemand die bedroefd is, moet niet  spreken tot een ander die bedroefd is; als hij spreekt tot iemand die bedroefd  is,  maakt hij hem tot de dood bedroeft.

Commentaar

Nanquan en Hsueh Tou praten beide in hun slaap; Nanquan in een kleine, Hsueh Tou in een grotere. Ofschoon zij dromen, zij hebben allebei een goede droom. Eerst was er sprake van ‘één lichaam’ – hier zegt hij dat zij niet hetzelfde zijn: Zien, horen, bewustzijn, kennis; dit is niet een en hetzelfde – Bergen en rivieren worden niet gezien in een spiegel. Als je zegt, zij worden gezien in een spiegel en slechts dan verlicht, dan zijn ze niet los vanwaar de spiegel is. Bergen, rivieren en de grote aarde, planten, bomen en bossen- gebruik geen spiegel om hen waar te nemen. Als je een spiegel gebruik om hen waar te nemen, verdeel je hen in twee delen. Laat bergen gewoon bergen zijn en laat rivieren gewoon rivieren zijn. ‘Elk ding woont in zijn gewone staat; het wereldse aspect blijft altijd.’

Bergen en rivieren worden niet gezien in een spiegel. Zeg me dan, waar kan je hen zien?  Begrijp je? Wanneer je daar komt, keer om: De ijzige hemel van de maan gaat onder, de nacht is bijna voor de helft voorbij. Deze zijde heeft het voor jou samengevat;  die zijde moet jijzelf oversteken.

Maar realiseer jij je dat Hsueh Tou zijn eigen ding gebruikt om anderen te helpen? Met wie zal het een schaduw werpen, koud in de heldere vijver? Denk je dat hij het over zichzelf heeft of dat hij hier reflecteert met iedereen? Het is noodzakelijk mentale activiteit af te snijden evenals begrijpen alvorens dit gebied te bereiken.

Nu,  we hebben geen heldere vijver nodig en we hoeven niet te wachten tot de maan in de ijzige hemel ondergaat. Nu,  hoe zit het?

[Hoewel als één is, zien we de wereld altijd als gescheiden van onszelf. Dat is zien als in een droom. Wij zien de wereld als een illusie. Wij kunnen niet anders. Illusie is niet op te heffen, maar wel te doorzien. Dit wetende leert Nanquan ons illusie als illusie te waarderen. Maezumi roshi zei eens: ‘Ik prefereer illusie boven verlichting.’ Vandaar: ware verlichting is geen verlichting. ]

 

Enkan's rinoceros fan (Sekida, Hekigan-roku Case 91)

Introductie

Om emoties te overstijgen, om je van gezichtspunten te onthechten, bindingen te verwijderen en kleverige punten te ontbinden, om het fundamentele voertuig van transcendentie te handhaven en de schat van het oog van de ware Dharma te ondersteunen, moet je ook op dezelfde wijze antwoorden in alle tien richtingen, kristalhelder zijn in alle opzichten en direct een dergelijk gebied bereiken. Maar zeg me, zijn er die dit op dezelfde wijze bereiken, op dezelfde wijze realiseren, op dezelfde wijze sterven en leven? Om je te testen, zie het volgende.

Het voorval

Op een dag riep Enkan zijn jisha en zei: ‘Breng me de rinoceros fan.’  1)

De jisha zei: ‘De fan is gebroken.’ 2)

 Enkan zei: ‘Als de fan gebroken is, breng dan de rinoceros naar mij.’ 3)

De assistent gaf geen antwoord. 4)

Tosu (later, sprekend in plaats van de jisha) zei: ‘Ik zou niet weigeren hem te brengen, maar ik vrees dat zijn kop en horens niet perfect zijn. 5)

Setcho zei: ‘Ik wil de onvolmaakte hoorn.’ 6)

Sekiso zei: ‘Als ik hem naar jou terug zou brengen, dan zou ik hem niet willen hebben. 7)

Setcho zei: ‘Het is nog altijd de rinoceros.’ 8)

Shikufu trok een cirkel en schreef daarin het karakter voor  ‘os’.  9)

Setcho zei: ‘Waarom deed je dat niet wat eerder? 10)

Hofuku zei: ‘Mijn meester is oud geworden. Zoek maar een andere jisha.  11)

Setcho zei: ‘Veel werk is verloren geraakt.’ 12)

Noten

  1. Hij creëerde nogal enkele complicaties. Hoe dit te vergelijken met de fijne scene hier?
  2. Wat jammer! Wat zegt ie?
  3. Hij is een beetje erg gebroken. De provincie Yu is nog altijd in orde; het ergste lijden is in Korea. Wat wil de meester met de rinoceros?
  4. Al bij al is hij een hamerkop zonder gat. Wat jammer!
  5. Dit schijnt te bevallen, maar niettemin heeft hij twee hoofden en drie gezichten. Hij spreekt nog altijd theoretisch.
  6. Waar is dit nou goed voor? Hij stapelt fout op fout.
  7. Wat zegt ie? Het ligt recht onder zijn neus.
  8. Gevaar! Bijna vergiste hij zich. Trek zijn hoofd terug!
  9. Je komt niet met gras aanzetten dat verdroogd is. Hij is een kerel die met zijn schaduw speelt.
  10. Hij maakt geen onderscheid tussen goud en koper. Ook hij is een kerel in het onkruid.
  11. In een achteraf plaats beschuldigt hij een ambtenaar. Wat is hij aan het doen door armoede te vermijden en toch over zijn lijden te spreken?
  12. Jij bent zelf inbegrepen. Het zou beter zijn hem dertig stokslagen te geven.

Commentaar

Yen Kuan riep eens zijn assistent: ‘Breng mij de rinoceros fan.’  Ofschoon deze zaak niet in woorden uitgedrukt kan worden,  is het toch noodzakelijk. Als je iemand gewone dispositie en bekwaamheid wilt testen,  moet je in staat te zijn woorden te gebruiken om het op deze manier te tonen. Op de laatste dag van de laatste maand van je leven, als je de kracht kan vinden en meester kunt zijn, zelfs wanneer de myriade visioenen in overvloed verschijnen, als je hen kunt beschouwen zonder te bewegen: dit kan genoemd worden voltooiing zonder voltooiing,  moeiteloze inspanning.

Yen Kuan was Chan meester Chi An. Hij was gewoon een fan bij zich te hebben die gemaakt was van de hoorn van een rinoceros.  Hoe kon Yen Kuan niet geweten hebben dat de fan gebroken was? Met opzet vroeg hij de assistent en de assistent zei: ‘De fan is gebroken.’ Kijk hoe die Oude altijd vierentwintig uur per dag binnen Het was en overal Het ontmoette; Yen Kuan zei: ‘Als de fan gebroken was, breng dan de rinoceris bij mij terug.’  Zeg me, wat wilde hij met die rinoceros? Hij wilde alleen maar de man testen om te zien of hij wist of het waar of niet waar was.

T’ou Tzu zei: ‘Ik weiger niet om hem te brengen, maar ik vrees dat de hoorns niet volmaakt zullen zijn.’ Hsueh Tou zei: ‘Ik wil de onvolmaakte hoorn.’ Ook hij begeeft zich naar de formule om overeen te stemmen met het verstand.

Shih Shuang zei:  Als ik het terug breng naar de meester, dan zou ik het niet gehad hebben.’ Hsueh Tou zei: ‘De rinoceros is daar nog steeds.’

Tzu Fu trok een cirkel en schreef er binnen in het woord  ‘os’, omdat hij er altijd van hield objecten te gebruiken om mensen te onderrichten en deze zaak te illustreren. Hsueh Tou zei: ‘Waarom bracht je hem niet eerder?’ Ook hij doorboorde zijn neusvleugels.

Pao Fu zei: ‘De meester is oud geworden, hij moet om iemand anders vragen.’ Deze woorden zijn zeer gepast; de voorafgaande drie citaten zijn gemakkelijk te zien, maar de woorden in deze ene zin hebben een diepe betekenis. Toch heeft Hsueh Tou hem opengebroken. Toen ik vroeger bij de bibliothecaris Ching was, begreep ik zijn gedachtegang; hij zei: ‘De meester is oud en seniel; grijpt hij naar het hoofd, vergeet hij de staart. – eerst zocht hij de fan, nu zoekt hij de rinoceros; het is lastig hem te bedienen en daarom zei Pao Fu: ‘Het is beter iemand anders te vragen.’ Hsueh Tou zei: ‘Wat zonde, zo hard te werken zonder iets tot voltooiing te brengen.’

Dit alles was in de vorm van commentaren;  de Ouden keken hier doorheen. Hoewel iedereen verschillend was, raakten zij, toen zij spraken, honderd keer van de honderd keren de kern, terwijl zij altijd een manier hadden om het te tonen; geen enkele frase verliest de bloedlijn.  Wanneer mensen van deze tijd ondervraagd worden, verzinnen zij theoretische oordelen en vergelijkingen. Daarom wil ik dat mensen wanneer zij de verlichtingservaring zoeken, vierentwintig uur per dag hierop kauwen en van elke druppel water een druppel ijs maken. Zie hoe Hsueh Tou een gedicht uit één draad maakte, zeggende

Gedicht

De rinoceros fan is lang in gebruik geweest,

         In de zomer koel, in de winter warm. Iedereen heeft het; waarom weten zij het niet? Wie heeft het nooit gebruikt?

Maar gevraagd, weet feitelijk niemand.

         Zij weten, maar zij begrijpen het niet. Beter niet de mensen voor schut te zetten. En je moet ook niemand anders verdenken.

De grenzeloze zuivere wind en de hoorn op het hoofd,

         Waar zijn zij? Als jij dat niet ziet in jezelf, waar zal je hen dan wel zien? In de hemel en op aarde. De hoorn is opnieuw gegroeid. Wat is het? Hij deed golven rijzen zonder wind.

Zoals de wolken en de regen, eenmaal gegaan, zijn ze lastig achterna te zitten.

         Hemelen! Hemelen! Dit is nog steeds zijn geld verliezen en in elk geval  zijn straf oplopen’ Hsueh Tou zei ook: ‘Als je wilt dat de zuivere wind terugkeert en de hoorns opnieuw groeien, 1) vraag ik jullie Chan volgelingen om een kantelwoord. 2)  Ik vraag je, aangezien de fan gebroken is, breng de rinoceros naar mij terug.’ 3)

Toen kwam er een monnik naar voren en zei: ‘Iedereen, ga mediteren in de hal!’ 4)

Hsueh Tou zei: ‘Ik wierp mijn hengel voor walvissen, maar ik ving een kikker.’ Toen verliet hij zijn zetel. 5)

Noten

  1. Iedereen heeft deze fan:  zij gebruiken alle vierentwintig uren van de dag zijn kracht; waarom weten zij het niet als zij gevraagd worden? Kun je spreken?
  2. Hij heeft reeds driemaal gesproken. Yen Kuan is nog steeds in leven.
  3. Er is één of er is een halve. Bah! Het zou beter zijn het meditatiekussen omver te werpen.
  4. Hij trekt de boog nadat de dief gegaan is. Hij bereikt noch het dorp nog de winkel.
  5. Hij bracht dit ter berde. Hij trok zijn boog nadat de dief gegaan was.

Commentaar

De rinoceros fan is lang in gebruik geweest, maar gevraagd, weet feitelijk niemand. Iedereen heeft deze fan en is vierentwintig uren van de dag volledig in het bezit van zijn kracht. – waarom weet, eenmaal gevraagd, niemand waar het gegaan is? En de assistent, T’ou Tzu, en allemaal tot aan Pao Fu, geen van hen weten het. Zeg me, weet Hsueh Tou het?

Heb je niet gezien toen Wu Cho een bezoek bracht aan Manjusri, terwijl zij thee dronken, Manjusri een kristallen beker toonde en vroeg: ‘Hebben zij dit in het Zuiden?’ Wo Chu zei: ‘Nee.’ Manjusri zei: ‘Wat gebruiken zij gewoonlijk om thee te drinken?’ Wu Cho was sprakeloos. Als je weet waar dit publieke voorval over gaat, dan zal je weten dat de rinoceros fan een grenzeloze zuivere wind heeft, en zal je ook de hoorn torenhoog zien zitten op de kop van de rino.

De vier oude kerels die spraken zoals zij hier deden, waren als de ochtendwolken en de avondregen; eenmaal gegaan, waren zij moeilijk achter na te zitten. Hsueh Tou zei: ‘Als je wilt dat de zuivere wind terugkeert en de hoorn opnieuw groeit, dan vraag ik jullie Chan volgelingen, dat elk een kantelwoord uitspreekt: ik vraag jullie, aangezien de fan is gebroken, breng de rinoceros naar mij terug.’ Op dat moment kwam er een Chan volgeling naar voren en zei: ‘Iedereen, ga naar de meditatiehal!’ Deze monnik heeft zich de scepter van autoriteit van de meester toegeëigend.  Zeker, hij kon spreken, maar hij was slechts in staat tachtig procent te melden.  Als j dit honderd procent wil, smijt dan dat meditatiekussentje in zijn gezicht. Nu, zeg me,  begreep de monnik de rinoceros of niet?  Als hij het niet begreep, dan wist hij hoe op die manier te spreken; als hij het wel begreep, waarom gaf Hsueh Tou dan niet zijn goedkeuring. Waarom zei hij: ‘Ik wierp mijn hengel voor walvissen,  maar ik ving slechts een kikker.’

Zeg me, uiteindelijk, hoe zit dit? Iedereen hier, er is niets om je zorgen over te maken. Doe je best dit te zien.

Suigan's wenkbrauwen (Hekigan-roku Case 8)

Introductie

Als je het begrijpt, dan kun je er gebruik van maken op de weg, zoals een draak het water bereikt, zoals een tijger in de bergen. Als je het niet begrijpt,  dan zal de wereldse waarheid overheersen en je gelijkt op een ram die gevangen zit in een afrastering, als een dwaas die waakt over een stronk, wachtend op een konijn. Soms is een enkele frase als een leeuw hurkend op de grond, soms is een frase als het juwelen zwaard van de Diamant Koning. Soms snijdt een frase de tong van iedereen op aarde af en soms volgt een frase de golven en de stromen.

Als je het gebruikt op de weg en je ontmoet een mens van kennis, onderscheid je wat geschikt is voor de gelegenheid, je weet wat goed is en wat fout en tezamen getuigen jullie van elkaars verlichting. Wanneer de verlichte mens anderen ontmoet die verlicht zijn, dan ontmoet een vriend een vriend. Hij waardeert hen en zij moedigen elkaar aan. Waar de wereldse waarheid overheerst, daar kan degene met het enkele oog iedereen in de tien richtingen afbreken en staan als een muur van een mijl hoog. Daarom wordt er gezegd: ‘Wanneer het grote functioneren verschijnt, houdt het niet vast met welke gefixeerde maatstaf dan ook.’ Soms nemen we een grassprietje en gebruiken het als het zestien voet hoge, gouden lichaam (van de Boeddha); soms nemen we het zestien voet hoge gouden lichaam en gebruiken het als een grassprietje. Maar zeg me, op welk principe is dit gebaseerd? Om je te testen, citeer ik dit. Kijk!

Het Voorval

Op het einde van de zomersesshin zei Cuiwei (Ts’ui-yen; jap. Suigan) tot de vergaderde monniken:  Gedurende de zomersesshin heb ik veel tot jullie gesproken. 1) Nu. Kijk! Heeft Suigan nog wenkbrauwen.’ 2) Bao-fu  (Pao-fu; jap. Hofuku} zei: ‘Wie diefstal begaat, heeft een slecht geweten.’ 3) Chokei zei: ‘Zij zijn gegroeid.’  4) Yunmen (Yün-men; jap.Ummon) zei: ‘Hindernis’. 5)

Noten

  1. Als je je mond opent, hoe kan je weten dat het zo is?
  2. Alles wat hij bereikt heeft, is dat ook zijn ogen uitgevallen zijn, tezamen met zijn neusvleugels. Hij gaat de hel binnen zo snel als het schot van een pijl.
  3. Duidelijk. Een dief herkent een dief.
  4. Zijn tong valt op de grond; hij gaat van dwaling naar dwaling. Al bij al.
  5. Waar kun je nog heen rennen? Geen  lapjes dragende monnik in de wereld kan eruit springen. Hij is verslagen.

Commentaar

De Ouden hadden ‘s morgens studie en ‘s avonds onderzoek; op het einde van de zomersesshin draaide Ts’ui Yen zich om en sprak aldus tot de gemeenschap en was hij onmiskenbaar eenzaam en onredelijk – niets kon hem stoppen om de hemelen te doen schrikken en de aarde te schudden. Maar zeg me, in de hele grote schatkamer van het onderricht, in de vijf duizend achtenveertig delen van de canon, of zij nu gaan over geest of natuur, of zij het plotselinge bespreken of het geleidelijke, is dit ooit gebeurd? Te midden van al die gelegenheden was Ts’ui Yen onovertroffen. Kijk naar de manier waarop hij praat; zeg me, wat is zijn ware betekenis?

Wanneer de Ouden een haak uitwierpen, was dat geen loze manoeuvre; zij hadden steevast enige waarheid voor het welzijn van de mensen. Velen verstonden dit verkeerd en zeiden: ‘Onder de heldere zon in de blauwe hemel sprak Ts’ui Yen ijdel gepraat door zorgen voort te brengen terwijl die er niet waren.  Op het einde van de zomer sprak hij over zijn eigen fouten en onderzocht hij zichzelf eerst om te vermijden dat anderen hem bekritiseerden.’ Maar dat heeft hier gelukkig niets mee te maken. Dergelijke gezichtspunten worden uitroeiers van Boeddha’s ras genoemd. De verschijning in de wereld van de opeenvolgende generaties van leermeesters zou totaal zonder nut geweest zijn als zij er niet in geslaagd waren mensen te bereiken en hen te onderrichten. Wanneer je dat bevat en als je de gele weg kunt overzien, dan zal je weten dat de Ouden een methode hadden om weg te rijden met de os van een ploeger en het voedsel van een hongerige man te stelen.

Heden ten dage gebruiken mensen,  indien gevraagd, onmiddellijk woorden om op te kauwen en met Ts’ui Yen’s wenkbrauwen de kost te verdienen. Kijk hoe mensen van zijn huis vanzelfsprekend weten waar hij aan het werk is: dwars door tienduizend veranderingen en duizend transformaties, te midden van ondoordringbare complicaties, overal hebben zij manieren zichzelf te tonen;  vandaar zijn zij in staat met hem overeen te stemmen zoals in dit antwoord. Als er niets buitengewoons is met betrekking tot deze woorden vanTs’ui Yen, waarom zouden deze drie mensen, Yun Men, Pao Fu en Ch’ang Ch’ng hem zo overvloedig hebben geantwoord.

Pao Fu zei: ‘Het hart van een dief is laf.’ Hoeveel intellectuele interpretaties hebben deze woorden onlangs uitgelokt. Maar zeg, wat over Pao Fu’s betekenis? Je moet vermijden om dit te zoeken in zijn woorden. Als je gevoelens laat gaan en gedachten laat opkomen, dan zal hij je oogbollen uitrukken. Boven alles realiseren mensen zich niet dat wanneer Pao Fu een kantelwoord gebruikt,  hij de voetstappen van Ts’ui Yen afsnijdt.

Ch’ang Ch’ing zei: ‘Gegroeid.’ Vele mensen zeggen: ‘Ch’ang Ch’ing volgde Ts’ui Yen voetstappen, daarom zei hij dat Ts’ui Yen’s wenkbrauwen waren gegroeid. Maar dit heeft daarmee niets te doen. Zij weten niet dat Ch’ang Ch’ing zijn eigen gezichtspunt geeft wanneer hij zegt: ‘Gegroeid.’ Ieder heeft een plaats om als persoon te verschijnen, maar ik vraag je: ‘Waar is de groei?’

Het is als oog in oog te zijn met een leerling die zwaait met juwelen zwaard van de Diamant Koning. Als je de gezichtspunten van het gewone, gangbare kan verbrijzelen en winst en verlies, bevestiging en ontkenning kan afsnijden, dan zal je zien hoe Ch’ang Ch’ing antwoordde aan Ts’ui Yen.

Yun Men zei: ‘Hindernis.’ Dit is onmiskenbaar voortreffelijk, maar moeilijk te doordringen. Groot Meester Yun Men onderrichtte mensen vaak met één woord van Chan, hoewel in dit ene woord de drie frases altijd aanwezig waren. Kijk hoe deze oude antwoordde in overeenstemming met de gelegenheid. Hij was natuurlijk ver verwijderd van de mensen van zijn tijd en leeftijd. Dit is de manier om iets te zeggen. Ofschoon Yun Men aldus sprak, ligt zijn betekenis niet daar. Aangezien zijn betekenis niet daar ligt, waar is het wel? Als je een mens bent met een kristalhelder oog die in staat is hemel en aarde te verlichten, wees kristalhelder in elk aspect. Zijn enige woord ‘hindernis’ en de woorden van de drie anderen heeft Hsueh Tou tezamen gebonden in een vers:

Gedicht

Ts’ui Yen onderricht zijn volgelingen;

         De oude dief! Hij bederft de kinderen van anderen.

In duizend tijdperken is er geen antwoord

         In duizend of tienduizend er is nog steeds één of een halve.

         Hij verdeelt een hoeveelheid.

Het woord ‘hindernis’ antwoordt hem terug;

         Geloof je niet wat ik zei?

         Hij is onmiskenbaar buitengewoon.

         Alleen als je een dergelijk persoon bent,

         kan je dergelijke taal verstaan.

Hij verloor zijn geld en kreeg straf.

         Hij verzwelgt zijn adem en verslikt zich in zijn stem.

         Hsueh Tou deed dit nogal eens.

         Ik sla hem terwijl hij aan het praten is.

Versleten, oude Pao Fu –

         Jullie zijn medereizigers op hetzelfde pad

         en toch handel je op deze wijze.       

         Twee. Drie.

Kritiek en lofprijzing zijn onmogelijk van toepassing.

         Laten gaan, stilhouden,

         Wie wordt geboren als dezelfde en wie sterft als dezelfde?

         Spreek van hem geen kwaad.

         Gelukkig is er geen connectie.

Babbelzuchtige Ts’ui Yen

         Geest van een wilde vos!

         Houd je mond!

Het is duidelijk een dief.

         Dat mag wel gezegd worden. Hij is gevangen!

Het heldere juweel heeft geen gebrek.

         Kan je dat zeggen? Niemand in de wereld kent zijn prijs.

Wie kan het ware van het valse onderscheiden?

         Velen zijn alleen maar vals. Ik zelf heb nooit het oog voor dit gehad;

         Wat te zeggen over de blauwe ogen van de vreemde monnik    [Bodhidharma]?

Ch’ang Ch’ing kent hem goed.

         Dit is een ziel die een ziel herkent; alleen hij kon dit doen.

         Toch heeft hij nog steeds niet de andere helft.

Zijn wenkbrauwen zijn gegroeid.

         Waar?  Van kop tot teen is er geen enkel sprietje gras.

Commentaar

Hoe kon Hsue Tou een goede vriend genoemd worden als hij niet dit compassievolle gedicht gemaakt had. dat mensen in staat stelt om te zien?  Wanneer de Ouden zo handelden, dan was het omdat zij het niet anders konden doen. Omdat latere studenten gehecht raken aan hun woorden en meer en meer intellectuele interpretaties geven, zien zij daarom niet de boodschap van de Ouden. Als iemand nu plotseling naar voren zou komen, het meditatiekussentje omkieperde en de gemeenschap met schreeuwen uit elkaar dreef, dan zouden we niet verbaasd over hem zijn. Hoewel iemand aldus handelde, moet jij nog steeds zelf aankomen in dit gebied om dit te bereiken.

Wanneer Hsueh Tou zegt: ‘Voor duizend eeuwen is er geen antwoord,’ dan wil hij je alleen maar vertellen dat Ts’ui Yen’s wenkbrauwen daar nog steeds zijn. Wat is daar zo buitengewoon aan dat er voor duizend eeuwen geen antwoord bestaat? Je moet je realiseren dat wanneer de Ouden een woord of een halve zin sputterden, was dat niet zomaar eruit geflapt; men moet het oog hebben om hemel en aarde te beoordelen vóór dit mogelijk is.

Wanneer Hsueh Tou een woord schrijft of een halve zin, is het als het juwelen zwaard van Koning Diamant, als een leeuw knielend op de grond, als een vonk die van een steen spat, als de straling van een bliksemflits. Als hij niet het oog op zijn voorhoofd had, hoe zou hij dan hebben kunnen zien waar de Oude Ts’ui Yen   neerkomt? Deze les die Ts’ui Yen gaf aan de mensen was zodanig ‘dat er voor duizend eeuwen geen antwoord was’. Het gaat verder dan Te Shan’s staf en Linji’s schreeuw. Maar zeg me, wat betekent Hsueh Tou voor ons? En hoe versta je zijn statement ‘voor duizend jaar is hier geen antwoord?’

Het woord ‘hindernis’ geeft antwoord. Hij verliest zijn geld en ondergaat zijn straf’ Wat betekent dit? Zelfs als je het oog hebt om deze hindernis te passeren, wanneer je hier komt, moet je diepgaan, voor het je gelukt is. Zeg me, is het Ts’ui Yen die zijn geld verloor en zijn straf opliep of is het Hsue Tou of is het Yun Men? Als je tot hier kan doordringen,  geef ik toe dat je het oog hebt.

Versleten Oude Pao Fu, kritiek of lofprijzing zijn hier niet van toepassing. Bekritiseerde hij zichzelf? Prees hij de Ouden? Zeg me, waar uitte hij zijn kritiek? Waar prijst hij?

Babbelzuchtige Ts’ui Yen is duidelijk een dief. Zeg me wat heeft hij gestolen, dat Hsueh Tou zegt dat hij een dief is? Je moet vermijden rond te tollen wanneer je de stroom van zijn woorden volgt. Wanneer je daar komt moet je je eigen vervulling hebben vóór je het zal begrijpen.

Het heldere juweel kent geen gebreken. Hsue Tou zegt dat Ts’ui Yen een helder juweel is zonder gebreken of troebel lapwerk.

Wie kan het ware van het valse onderscheiden? Het moet gezegd worden dat er zelden iemand is die dit onderscheid kan maken.

Hsue Tou heeft groot talent, zodat hij dit gehele voorval van het begin tot het einde kan aaneenrijgen in een enkel draad van het vers. Maar op het einde  zegt hij: ‘Ch’ang Ch’ing kent hem heel goed; zijn wenkbrauwen zijn gegroeid.’ Zeg me, waar zijn ze gegroeid? Schiet op, kijk!

[Er is een gezegde: wie foutief de Dharma onderricht, zijn wenkbrauwen zullen afvallen. Suigan vraagt of hij na alle dharmalessen nog wenkbrauwen heeft. Met andere woorden, of hij op juiste wijze de Dharma gepredikt heeft. Hofuku zegt dat elke zenleraar een rover is, namelijk diefstal pleegt. Waarom?  Chokei zegt daarop: ‘Ze zijn juist gegroeid.’ Wat een lofprijzing! Maar Ummon straft hem af: ‘Hindernis’. Wie kan zeggen de Dharma op de juiste wijze verkondigd te hebben?]