Bijlage Bataille. Over het sacrale in onze tijd

In misschien wel een van de meest indrukwekkende en beklemmende teksten over de Kapitale Ontluistering in onze moderne, Westerse samenleving, schrijft Georges Bataille (1897 – 1962) onder andere:

‘Eigenlijk is het paradoxaal en vooral heel moeilijk om over het heilige te spreken in een tijd waarin er welbeschouwd slechts een ondergeschikte, haast nietszeggende plaats voor is overgebleven in het gemeenschapsleven van de mens. Vroeger was het gebruikelijk om op kruispunten, straathoeken of pleinen heilige tekens te plaatsen, bijvoorbeeld een kruis. Wij echter brengen op diezelfde plaatsen voornamelijk wegwijzers voor toeristen of reclameborden aan. Nog voor kort bouwde men heiligdommen, waarbinnen wij nu nog sterk het heilige ervaren. Maar de kerken die in onze dagen gebouwd zijn, verschaffen zo’n gewaarwording totaal niet meer. Vergeleken met die van de Middeleeuwen lijken ze iets te missen. De hedendaagse architecten bouwen banken, warenhuizen, opslagplaatsen en woonblokken; binnen deze grenzen zijn zij in hun element. Wanneer het gaat om een kerk – en een kerk is niets minder dan een heilige plaats – dan beschikken ze niet meer over de vereiste geestesgesteldheid.’

En ‘Ik durf dus te stellen: wanneer wij de zin voor het heilige niet meer bezitten, dan is dat doordat we bang zijn. We zoeken niet langer geestdrift of roes, maar zekerheid en gemak. Eigenlijk zouden we willen leven alsof de dood al niet meer bestond, alsof we de wereld zouden kunnen reduceren tot doelmatige arbeid en gemak. (…) We hebben ons er toe beperkt heimelijk een angst te laten gisten die we niet meer meester zijn en die verholen in ons heerst als een aanhoudende buikpijn. Ondanks de brandstapel zochten de heksen vroeger ontzetting in de sabbat: zij gaven de voorkeur aan hun waanzinnige extase boven een verzekerd en kalm bestaan. Wij tegenwoordig geven de voorkeur aan ongestoorde rust. Alleen hebben we uiteindelijk het een noch het ander. ‘ (Uit: Le sacre au XXe siecle, Conferences 1951 – 1953, deel VIII, p. 187 – 189.)