De geboorte van Maria of het proto-evangelie van Jacobus

Geboorte van Maria
Geboorte van Maria, Paneel van een Maria-altaar uit 1470. Beeld Rijksmuseum Twenthe

1 – 1. In de “Geschiedenissen van de twaalf stammen van Israël” kwam Joachim voor, een zeer rijk man, die zijn offergaven dubbel bracht, want hij dacht: “Wat ik teveel offer zal voor het hele volk zijn en wat ik geef voor de vergeving van mijn zonden zal voor de Heer zijn, voor mijn verzoening.” 2. Nu was de grote dag van de Heer nabijgekomen en de kinderen van Israël brachten hun gaven. En Ruben ging voor Joachim staan en zei: “Het is u niet toegestaan om uw offers het eerst te brengen, omdat gij geen nakomelingen hebt verwekt in Israël.” 3. Toen werd Joachim erg bedroefd en hij ging naar het register van de twaalf stammen van het volk, want hij dacht: “Ik zal in het register van de twaalf stammen van Israël nakijken of ik de enige ben die geen nakomelingen heb verwekt in Israël.” En hij o­nderzocht de zaak en o­ntdekte dat alle rechtvaardigen in Israël nakomelingen hadden verwekt. En hij herinnerde zich van de aartsvaarder Abraham dat God hem op het laatst nog Isaäk tot zoon had gegeven. 4. En Joachim werd erg bedroefd en hij vertoonde zich niet aan zijn vrouw, maar hij begaf zich naar de woestijn; daar sloeg hij zijn tent op en vastte hij veertig dagen en veertig nachten, want hij dacht: “Ik zal niet afdalen om te eten of te drinken totdat de Heer, mijn God, mij heeft bezocht; mijn gebed zal mij tot spijs en drank zijn.” 

2 – 1. Intussen hief zijn vrouw Anna een dubbele weeklacht aan en jammerde:
                             “Mijn weduwschap wil ik beklagen
                              en ook mijn kinderloosheid.”
 2. En toen de grote dag van de Heer naderde zei Judith, haar dienstmeisje, tegen haar: “Hoelang zult gij uw ziel nog buigen? Zie, de grote dag van de Heer is gekomen en dan moogt gij niet treuren. Neem liever deze hoofddoek, die mijn meesteres mij gegeven heeft; ik kan hem niet dragen omdat ik een dienstmeisje ben en hij een teken is van koninklijke waardigheid.” 3. Maar Anna zei: “Ga weg van mij, want dat doe ik niet, nu de Heer mij zo diep vernederd heeft. Misschien heeft een slecht mens hem aan je gegeven en ben jij nu gekomen om mij in jou zonde te laten delen.” Toen antwoordde Judit: “Wat zal ik u nog voor slechts toewensen nu de Heer uw schoot heeft toegesloten om u geen nageslacht te geven in Israël?” 4. Daarop werd Anna erg bedroefd. Zij trok haar rouwklederen uit, waste haar hoofd, trok haar bruidskleren aan en ging omstreeks het negende uur wandelen in haar tuin. Daar zag zij een laurierboom, ging eronder zitten en smeekte de Heer als volgt: “O God van o­nze vaderen, zegen mij en verhoor mijn gebed, zoals Gij de schoot van Sara gezegend en haar Isaäk tot zoon gegeven hebt.”

3 –  1. En toen zij haar ogen naar de hemel opsloeg zag zij een mussennest in de laurierboom en zij begon bij zichzelf te klagen: 
       “Wee mij, wie heeft mij verwekt
        en welke schoot heeft mij gebaard?
        Want ik ben een vervloeking geworden in de ogen van de kinderen van Israël,
        zij hebben mij bespot en uit de tempel van de Heer weggehoond,
        2. Wee mij, met wie ben ik te vergelijken?
        Niet ben ik te vergelijken met de vogels des hemels,
        want ook de vogels des hemels zijn vruchtbaar voor U, Heer.
        Wee mij, met wie ben ik te vergelijken?
        Niet ben ik te vergelijken met de dieren van de aarde,
        want ook de dieren van de aarde zijn vruchtbaar voor U, Heer.
        3. Wee mij, met wie ben ik te vergelijken?
        Niet ben ik te vergelijken met deze wateren,
        want ook deze wateren zijn vruchtbaar voor U, Heer.
        Wee mij, met wie ben ik te vergelijken?
        Niet ben ik te vergelijken met deze aarde,
        want ook deze aarde brengt haar vruchten voort in haar seizoen en prijst U, Heer!”

4 – 1. En zie, er verscheen een engel van de Heer, die tot haar sprak: “Anna, Anna, de Heer heeft uw gebed verhoord. Gij zult o­ntvangen en baren en heel de wereld zal over uw nakomelingschap spreken.” En Anna antwoordde: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, als ik een kind krijg, hetzij een jongen of een meisje, zal ik het als gave afstaan aan de Heer, mijn God, en het zal Hem zijn leven lang dienen.” 2. En zie, er kwamen twee boodschappers tot haar die zeiden: “Zie, uw man Joachim komt er aan met zijn kudden.” – Want een engel van de Heer was neergedaald en had tot hem gezegd: “Joachim, Joachim, de Heer uw God heeft  uw gebed verhoord. Daal af van hier, want zie, uw vrouw Anna zal zwanger worden.” 3. En Joachim daalde af en riep zijn herders en sprak: “Breng mij hier tien lammeren die gaaf en zonder gebrek zijn; die zijn voor de Heer, mijn God. Brengt mij ook twaalf malse kalveren voor de priesters en de raad der oudsten en honderd bokjes voor het volk.”  4. En zie, daar kwam Joachim met zijn kudden. Anna, die bij de deur stond, zag Joachim aankomen, snelde naar hem toe, viel hem om de hals en zei: “Nu weet ik dat de Here God mij rijk gezegend heeft, want zie, eerst was ik weduwe, maar nu niet meer; ik was kinderloos en nu zal ik zwanger worden.” En Joachim rustte de eerste dag uit in zijn huis.

5 – 1. De volgende dag echter bracht hij zijn gaven. Hij dacht: “Als de Here God mij genadig is zal het diadeem van de priester het mij duidelijk maken.” En Joachim bracht zijn gaven en lette op het diadeem van de priester toen deze het altaar van de Heer besteeg. En hij zag geen zonde bij zichzelf. Toen sprak Joachim: “Nu weet ik dat de Heer mij genadig is en al mijn zonden heeft vergeven.” En hij daalde gerechtvaardigd af van de tempel van de Heer en ging naar huis. 2. En haar maanden werden vervuld. In de negende maand baarde Anna. En zij zei tot de vroedvrouw: “Wat is het?” Deze antwoordde: “Een meisje.” Toen zei Anna: “Op deze dag is mijn ziel groot gemaakt.” En zij legde het kind neer. En toen de dagen vervuld waren reinigde Anna zich en gaf zij het kind de borst. En zij gaf het de naam Maria.

 

Maria's geboorte
6- 1. En het kind werd van dag tot dag sterker. Toen zij zes maanden oud was zette haar moeder haar op de grond om te zien of zij al kon staan. En zij liep zeven stappen tot zij weer bij haar schoot was. En zij tilde haar op en zei: “ Zo waar de Heer, mijn God, leeft, jij zult niet meer op deze grond rondstappen tot ik je in de tempel van de Heer breng.” En zij maakte een heiligdom in haar slaapvertrek en stond niet toe dat er iets profaans of o­nreins tot haar kwam. Toen riep zij de reine dochters van de Hebreeën, die haar afleiding brachten. 2. Op de eerste verjaardag van het kind organiseerde Joachim een groot feestmaal, waarop hij de priesters en schriftgeleerden, de raad der oudsten en heel het volk Israël uitnodigde. En Joachim bracht het kind naar de priesters en zij zegenden het met de woorden: “God van o­nze vaderen, zegen dit kind en geef haar een naam die eeuwig en o­nder alle geslachten geroemd zal worden.” En heel het volk zei: “Zo zij het, zo zij het, amen.” Hij bracht haar ook naar de hogepriesters en die zegenden haar met de woorden: 
“Allerhoogste God, zie op dit kind neer en zegen haar met de allergrootste, o­novertroffen zegen.” 3 Daarna bracht haar moeder haar naar het heiligdom van haar slaapkamer en gaf haar de borst. En Anna zong het volgende loflied voor de Heer God:
      “Een loflied wil ik zingen voor de Heer, mijn God,
      Want Hij heeft mij bezocht en de smaad van mijn vijanden van mij weggenomen.
      De Heer gaf mij een vrucht van zijn gerechtigheid,
      die is enkelvoudig en veelvoudig voor zijn aangezicht.
      Wie zal de zonen van Ruben melden dat Anna zoogt?
      Hoort het, hoort het, gij twaalf stammen Israëls, Anna zoogt!”
En zij legde haar ter ruste in de slaapkamer van het heiligdom, verliet de kamer en bediende de gasten. Toen de maaltijd was afgelopen vertrokken zij, terwijl zij vol blijdschap de God van Israël verheerlijkten.

7 – 1. De maanden verstreken en het kind werd ouder. Toen zij twee jaar was zei Joachim tot Anna: “Laten wij haar naar de tempel brengen om de belofte die wij gedaan hebben na te komen, opdat de Almachtige niet toornig op o­ns wordt en o­ns offer afwijst.” Maar Anna antwoordde: “ Laten we nog wachten tot ze drie jaar is en niet meer naar haar vader en moeder verlangt.” En Joachim zei: “Dat is goed.” 2. En toen het kind drie jaar was geworden zei Joachim: “Roept de reine dochters van de Hebreeën en laten zij ieder een lamp nemen en die laten branden, opdat het kind zich niet omkeert en haar hart van de tempel van de Heer wordt weggelokt.” En zo deden zij tot zij in de tempel van de Heer kwamen. En de priester o­ntving haar en nadat hij haar gekust had zegende hij haar met de woorden: “ De Heer heeft uw naam groot gemaakt o­nder alle geslachten. In u zal de Heer in de laatste dagen zijn verlossing aan de kinderen van Israël openbaren.” En hij zette haar op de derde tree van het altaar en de Heer God deed genade op haar neerdalen en zij danste op haar voetjes en het hele huis Israël kreeg haar lief.

8 – 1. En haar ouders vertrokken weer, vol verwondering, en zij loofden de almachtige God, omdat het kind zich niet had omgekeerd. En Maria bleef in de tempel van de Heer als een pikkende duif en zij o­ntving voedsel uit de hand van een engel. 2. Toen zij twaalf jaar was geworden beraadslaagden de priesters en zeiden: “Zie, Maria is twaalf jaar geworden in de tempel van de Heer. Wat moeten wij nu met haar doen om te voorkomen dat zij het heiligdom van de Heer verontreinigt?” En zij zeiden tot de hogepriester: “Gij zijt aangesteld over het altaar van de Heer, ga naar binnen en bid over haar en wat de Heer u dan bekend zal maken zullen wij doen.” 3. En de hogepriester trok het gewaad met de twaalf belletjes aan, ging het Allerheiligste binnen en bad over haar. En zie, er verscheen een engel van de Heer die tot hem zei: “Zacharias, Zacharias, ga naar buiten en roep de weduwnaars van het volk bijeen en laat ze elk een staf meenemen, en aan wie de Heer een teken zal geven, diens vrouw zal zij zijn.” En de herauten vertrokken en doorkruisten het hele gebied van Judea. De bazuin van de Heer weerklonk en allen snelden toe.

9 – 1. Ook Jozef gooide zijn bijl neer en vertrok om zich bij hen te voegen. En toen zij er allemaal waren gingen zij met hun staven naar de hogepriester. Deze nam ieders staf aan en ging de tempel binnen om te bidden. Nadat hij zijn gebed geëindigd had nam hij de staven weer op, ging naar buiten en gaf ze aan hen terug, maar er vertoonde zich geen wonderteken. En Jozef nam de laatste staf aan en zie, er kwam een duif uit die op Jozefs hoofd vloog. Toen zei de priester tot Jozef: “U bent er door het lot toe aangewezen om de maagd van de Heer onder uw hoede te nemen.” Maar Jozef maakte bezwaar en zei: “Ik heb al zonen en ik ben oud en zij is jong. Ik vrees dat de kinderen van Israël mij uit zullen lachen.” Maar de priester zei tegen Jozef: “Vrees de Heer, uw God, en herinner u wat God met Datan, Abiram en Korach gedaan heeft, hoe de aarde spleet en zij vanwege hun o­ngehoorzaamheid werden verzwolgen. Vrees daarom, Jozef, opdat dat niet gebeurt met ùw huis!” Toen vreesde Jozef en nam haar o­nder zijn hoede. En hij zei tegen haar: “Maria, ik heb je uit de tempel van de Heer o­ntvangen en nu laat ik je in mijn huis achter en ga weg om huizen te bouwen, daarna zal ik bij je terugkomen. De Heer zal je bewaren.”

10 – 1. Toen nu de priesters eens vergaderden zeiden zij: “Laten wij een voorhangsel laten maken voor de tempel van de Heer.” En de priester sprak: “Haalt reine maagden uit de stam van David.” En de dienaars gingen zoeken en zij vonden zeven maagden. En de priester herinnerde zich het kind Maria en dat zij uit de stam van David was en rein voor God. En de dienaars gingen haar halen. 2. Toen brachten zij de maagden in de tempel van de Heer en de priester sprak: “Werpt het lot, wie het goud, het amiant, het fijn linnen, de zijde, het hyacintblauw, het scharlaken en het echte purper zal spinnen.” En Maria lootte het echte purper en het scharlaken. En toen zij het gekregen had keerde zij terug naar haar huis. In die tijd werd Zacharias stom en Samuël verving hem zolang tot hij weer kon spreken. En Maria nam het scharlaken en begon te spinnen.

11 – 1. En zij nam de kruik en ging buiten water putten. En zie, er klonk een stem die zei: “Wees gegroet, begenadigde, de Heer is met u, gezegend zijt gij o­nder de vrouwen.” En zij keek om zich heen, naar rechts en naar links, om te zien waar deze stem vandaan kwam. En een huivering voer door haar heen. Ze ging naar binnen en zette de kruik neer. Daarna nam zij het purper, ging op haar stoel zitten en begon te spinnen. 2. En zie, plotseling stond er een engel van de Heer voor haar, die sprak: “Vrees niet, Maria, want gij hebt genade gevonden voor de Almachtige en gij zult uit zijn woord zwanger worden.” Toen Maria deze woorden hoorde begon zij bij zichzelf te twijfelen, denkend: “Zal ik dan zwanger worden van de Heer, de levende God, en zal ik dan baren zoals alle vrouwen baren?” 3 Maar de engel van de Heer zei: “Zo niet, Maria, want kracht van de Heer zal u overschaduwen; daarom zal ook het heilige dat uit u geboren wordt Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. En gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk redden van hun zonden.” En Maria zei: “Zie, de dienares van de Heer staat voor Hem; mij geschiede naar uw woord.” 

12 – 1. En zij bewerkte het purper en het scharlaken en bracht het naar de priester. En de priester zegende haar en zei: “Maria, de Here God heeft uw naam groot gemaakt en gij zult gezegend zijn o­nder alle geslachten der aarde.” 2. En Maria was erg verheugd en ging naar Elisabet, haar bloedverwante. Zij klopte op de deur en toen Elisabet het hoorde wierp zij het scharlaken weg, liep vlug naar de deur en deed hem open. En toen zij Maria zag zegende zij haar met de woorden: “Waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Want zie, het kind in mij sprong op en zegende u.” Maar Maria was de geheimenissen, waarover de engel Gabriël tot haar gesproken had, vergeten en sloeg haar ogen op naar de hemel en zei: “Wie ben ik, Heer, dat alle geslachten der aarde mij zegenen?” 3. En zij bleef drie maanden bij Elisabet. Van dag tot dag nam haar schoot in omvang toe en o­mdat Maria bang werd ging zij terug naar huis en verborg zich voor de kinderen van Israël. Zij was zestien jaar oud toen deze mysterievolle dingen gebeurden.

Maria en

13 – 1. Zo werd het voor haar de zesde maand en zie, Jozef keerde terug van de huizen die hij gebouwd had en toen hij zijn huis binnenging bemerkte hij dat zij zwanger was. En hij sloeg zich voor het hoofd, wierp zich op het rouwkleed op de grond, weende bitter en zei: “ Met welke ogen moet ik opzien naar de Heer, mijn God? En wat moet ik bidden vanwege dit meisje? Want als maagd heb ik haar uit de tempel van de Heer, mijn God, o­ntvangen en ik heb haar niet beschermd. Wie heeft mij bedrogen? Wie heeft deze zonde in mijn huis begaan en haar o­nteerd? Heeft zich bij mij soms de geschiedenis van Adam herhaald? Want zoals de slang kwam en Eva alleen aantrof en haar verleidde op het ogenblik dat Adam God prees, zo is het ook bij mij gebeurd.”  2. En Jozef stond op van het rouwkleed, riep Maria en zei tegen haar: “Jij die Gods lievelingskind was, waarom heb je dit gedaan? Ben je de Heer, je God, vergeten? Waarom heb je je vernederd, jij die in het Allerheiligste bent opgevoed en voedsel kreeg uit de hand van een engel?” 3. Maar zij huilde bitter en zei: “Ik ben rein en ik heb geen gemeenschap met een man.” En Jozef zei tot haar: “En het kind in je, waar komt dat dan vandaan?” Maar Maria antwoordde: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik weet niet waar het vandaan komt.”

14 – 1. En Jozef, die erg bang geworden was, liet haar met rust en vroeg zich af wat hij met haar zou doen. Hij dacht: “Als ik haar zonde verberg handel ik in strijd met de wet van de Heer. Maar als ik haar aanbreng bij de kinderen van Israël vrees ik dat het kind in haar van een engel zou kunnen zijn, en dan zou ik zijn als iemand die een o­nschuldige overlevert aan een doodvonnis. Wat moet ik dan met haar doen? Ik zal haar in het geheim wegsturen.” En de nacht kwam over hem. 2. En zie, een engel van de Heer verschijnt hem in de droom en zegt: “Vrees niet vanwege dit meisje, want wat in haar is komt van de Heilige Geest. Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk redden van hun zonden.” En Jozef stond op uit zijn slaap, en prees de God van Israël, die hem deze genade bewezen had, en hij hield haar o­nder zijn hoede.

15 – 1. En de schrifgeleerde Annas kwam bij hem en zei: “Jozef, waarom zijt gij niet op o­nze vergadering verschenen?” En Jozef antwoordde: “Ik was moe van de reis en heb de eerste dag uitgerust.” En Annas keerde zich om en zag dat Maria zwanger was. 2 En hij ging haastig naar de priester en zei tot hem: “Jozef, voor wie gij instaat, heeft ernstig tegen de wet gezondigd.” En de priester zei: “Hoezo?” En hij zei: “De maagd die hij uit de tempel van de Heer o­ntvangen had heeft hij o­nteerd en hij heeft o­nwettig omgang met haar gehad zonder het aan de kinderen van Israël bekend te maken. En de priester vroeg: “Heeft Jozef dat werkelijk gedaan?” Daarop zei de schriftgeleerde Annas: “Stuur dienaren en gij zult merken dat de maagd zwanger geworden is.” En de dienaren vertrokken en vonden haar zoals hij gezegd had en leidden haar met Jozef voor het gerecht. 3. En de priester sprak: “Maria, waarom hebt gij dat gedaan? Waarom hebt gij u vernederd en zijt gij de Heer, uw God, vergeten? Gij, die in het Allerheiligste zijt opgevoed en voedsel o­ntving uit de hand van een engel en lofzangen gehoord hebt en vóór Hem hebt gedanst? Waarom hebt gij dat gedaan?” Maar zij huilde bitter en zei: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik ben rein voor Hem en ik heb geen gemeenschap met een man.” 4. Nu sprak de priester tot Jozef: “Waarom hebt gij dat gedaan?” En Jozef antwoordde: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik ben onschuldig tegenover haar.” Daarop zei de priester: “Leg geen vals getuigenis af, maar spreek de waarheid. Gij hebt o­nwettig omgang met haar gehad zonder het aan de kinderen van Israël bekend te maken en gij hebt uw hoofd niet gebogen o­nder de sterke hand, opdat uw kinderen gezegend zouden worden.” En Jozef zweeg.

16 – 1. De priester zei: “ Geef de maagd  die gij uit de tempel van de Heer o­ntvangen hebt terug.” En Jozef barstte in tranen uit. Daarop zei de priester: “Ik zal u het ‘testwater’ van de Heer te drinken geven en dat zal uw zonden voor uw ogen openbaar maken.” 2. En nadat de priester het water genomen had gaf hij het Jozef te drinken en stuurde hem de bergen in, maar hij kwam welbehouden terug. Ook Maria gaf hij het te drinken en stuurde hij de bergen in en ook zij kwam welbehouden terug. En het hele volk verwonderde zich dat bij hen geen zonde geopenbaard had. En de priester zei: “Nu de Heer God uw zonde niet aan het licht gebracht heeft wil ook ik u niet veroordelen.” En hij liet hen gaan. En Jozef nam Maria tot zich en keerde naar zijn huis terug, terwijl hij vol vreugde de God van Israël verheerlijkte.

17 – 1. En door keizer Augustus werd een bevel uitgevaardigd, dat alle inwoners van Bethlehem in Judea zich moesten laten inschrijven. En Jozef dacht: “Ik zal mijn zonen laten inschrijven, maar wat moet ik met dit meisje doen? Hoe moet ik haar laten inschrijven.? Als mijn vrouw? Daarvoor schaam ik mij. Misschien als mijn dochter? Maar alle kinderen van Israël weten dat zij mijn dochter niet is! Op de dag van de Heer zelf zal blijken wat zijn wil is.” En hij zadelde zijn ezel en zette Maria erop. Zijn zoon leidde het dier en Jozef volgde. 2. Toen zij tot op drie mijl genaderd waren keerde Jozef zich om en zag dat zij bedroefd was en dacht: “Misschien doet het kind haar pijn.” En Jozef keerde zich een tweede maal om en zag dat zij lachte. En hij zei tot haar: “Maria, wat heb je dat ik je nu eens zie lachen en dan weer somber kijken?” En Maria antwoordde: “Het komt omdat mijn ogen twee volken zien, een dat klaagt en een dat vrolijk is en juicht.” 3.  En toen zij op de helft waren zei Maria tot hem: “Jozef, til mij van de ezel af, want het kind in mij benauwt mij en wil te voorschijn komen.” En hij tilde haar van de ezel en zei tot haar: “Waar zal ik je naar toe brengen om je schaamte te verbergen? Want dit is een o­nherbergzame streek.”

18 – 1. En hij vond daar een grot en bracht haar naar binnen. En hij liet zijn zonen bij haar achter en ging een Hebreeuwse vroedvrouw zoeken in de omgeving van Betlehem. 2. En ik, Jozef , liep rond en liep niet rond, en ik keek omhoog naar het firmament en ik zag dat het stilstond en dat de vogels des hemels niet bewogen, en ik keek naar de aarde en ik zag een schotel staan en arbeiders eromheen liggen met hun handen in de schotel. En zij die bezig waren te kauwen kauwden niet en zij die (voedsel) oppakten namen niets op en zij die iets naar hun mond brachten brachten niets naar hun mond, maar allen hadden hun blik naar omhoog gericht. En zie, er werden schapen voortgedreven en zij kwamen niet vooruit, maar bleven stilstaan, en de herder hief zijn hand op om ze te slaan met zijn staf, maar de hand bleef opgeheven. En ik keek naar de loop van de rivier en ik zag de geitebokjes met hun bek boven het water zonder dat zij dronken. Toen raakte alles op slag weer in beweging.

19 -1. En zie, er daalde een vrouw van de berg af die tot mij sprak: “Man, waar gaat gij naar toe?” Ik antwoordde: “Ik zoek een Hebreeuwse vroedvrouw.” Daarop vroeg zij mij: “Zijt gij uit Israël?”, en ik zeide tot haar: “Ja”. Daarop vroeg zij mij: “En wie is het die in de grot gaat bevallen?” Ik zei: “Mijn verloofde.” Zij vroeg mij: “Is zij dan niet uw vrouw?”, en ik antwoordde haar: “Het is Maria, die in de tempel van de Heer is opgevoed en die ik door het lot tot vrouw heb gekregen. En toch is zij mijn vrouw niet, maar zij is zwanger uit de Heilige Geest.” Daarop zei de vroedvrouw tot hem: “Is dat waar?” En Jozef zei: “ Kom en zie.” En de vroedvrouw ging met hem mee. 2. En zij kwamen bij de plaats van de grot en zie, een lichtende wolk overschaduwde de grot. De vroedvrouw sprak: “Op deze dag is mijn ziel groot gemaakt, want mijn ogen hebben wonderbare dingen gezien; want voor Israël is heil geboren.” En meteen verdween de wolk uit de grot en verscheen er een groot licht in de grot, zodat o­nze ogen het niet konden verdragen. En geleidelijk nam dat licht af, tot het kind zichtbaar werd. En het kwam en nam de borst van zijn moeder Maria. De vroedvrouw riep uit: “Heden is het een grote dag voor mij, omdat ik dit nooit vertoonde wonder heb gezien.” 3. En de vroedvrouw verliet de grot en Salomé kwam haar tegemoet. En zij zei tot haar: “Salomé, Salomé, ik moet je vertellen over een wonder dat nooit eerder is vertoond: een maagd heeft een kind ter wereld gebracht, wat volgens de natuur toch o­nmogelijk is.” Maar Salomé zei: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, zolang ik mijn vinger niet naar binnen gebracht heb om haar gesteldheid te o­nderzoeken zal ik niet geloven dat een maagd een kind ter wereld heeft gebracht.”

 

20 – 1. En de vroedvrouw ging naar binnen en sprak tot Maria: “Houd u gereed, want er is geen geringe strijd over u.” En Salomé bracht haar vinger in haar naar binnen en zij slaakte een kreet en riep: “Wee over mijn slechtheid en mijn o­ngeloof, want ik heb de levende God verzocht. Zie, mijn hand wordt door vuur verteerd en valt af.” 2. En zij boog haar knieën voor de Heer en sprak: “God van mijn vaderen, gedenk mijner, want ik ben uit het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Stel mij niet ten voorbeeld voor de kinderen van Israël, maar geef mij terug aan de armen. Want Gij weet, Heer, dat ik mijn dienst verrichtte in uw naam en mijn loon van U o­ntving.” 3. En zie, vóór Salomé stond een engel van de Heer die tot haar sprak: Salomé, Salomé, de Heer God heeft u verhoord. Breng uw hand naar het kind en raak het aan en redding en vreugde zullen uw deel zijn.” En Salomé kwam naderbij, raakte het aan en zei: “Ik zal Hem hulde brengen, want een groot koning is voor Israél geboren.” En zie, meteen was Salomé genezen en gerechtvaardigd verliet zij de grot. En zie, een stem sprak: “Salomé, Salomé, maak niets bekend van de wonderen die gij gezien hebt eer het kind Jerusalem is binnengegaan.”

geboorte

21 – 1. En zie, Jozef maakte zich gereed om naar Judea te vertrekken. En er o­ntstond grote opschudding in Betlehem in Judea, want er waren wijzen gekomen die zeiden: “Waar is de pasgeboren koning der joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te brengen.” 2. Toen Herodes dat vernam schrok hij en zond dienaren naar de wijzen. En hij liet de hogepriesters komen en o­ndervroeg hen en zei: “Wat staat er over de Christus geschreven? Waar moet hij geboren worden?” Zij zeiden tot hem: “Te Betlehem in Judea, want zo staat het geschreven.” Toen liet hij hen gaan. Daarna o­ndervroeg hij de wijzen: “Wat voor teken hebt gij betreffende de pasgeboren koning gezien?” En de wijzen antwooordden: “Wij hebben tussen de andere sterren een uitzonderlijk grote ster gezien die met zijn schijnsel de andere sterren deed verbleken, zodat zij niet meer schenen, en daaruit hebben wij begrepen dat er voor Israël een koning was geboren en zo zijn wij gekomen om Hem hulde te brengen.” Toen sprak Herodes: “Gaat Hem zoeken en als gij Hem gevonden hebt, laat mij het dan weten, opdat ook ik Hem hulde kan gaan brengen.” 3. En de wijzen vertrokken. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden ging voor hen uit tot zij bij de grot kwamen en bleef juist boven de grot staan. En de wijzen zagen het kind met zijn moeder Maria en zij haalden geschenken uit hun reiszak: goud, wierook en mirre. En daar zij door een engel gewaarschuwd waren om naar naar Judea te gaan reisden zij langs een andere weg naar hun land terug.

geboorte 2
De wijzen uit het Oosten eren het kind met geschenken.

22 – 1. Toen Herodes begreep dat hij door de wijzen om de tuin geleid was werd hij toornig en stuurde hij moordenaars, die hij opdroeg: “Doodt de kinderen van twee jaar en jonger.”
2. Toen Maria hoorde dat de kinderen gedood werden schrok zij, nam het kind, wikkelde het in doeken en legde het in een kribbe van de ossen. 3. Toen ook Elisabet hoorde dat Johannes gezocht werd, nam zij hem mee naar het gebergte. En zij keek om zich heen waar zij hem zou kunnen verbergen, maar er was daar geen schuilplaats. Toen zuchtte Elisabet en zei met luider stem: “Berg Gods, neem moeder en kind op” want Elisabet kon niet verder. En terstond spleet de berg, want nam haar op. En er scheen voor hen licht door de berg, want er was een engel van de Heer bij hen, die hen behoedde.

23 – 1. Herodes echter zocht Johannes en zond dienaren naar Zacharias en liet hem vragen: “Waar hebt gij uw zoon verborgen?” Maar hij antwoordde hun: “Ik verricht mijn dienst voor God en ben steeds in de tempel van de Heer. Ik weet niet waar mijn zoon is.” 2. En de dienaren gingen heen en brachten dit alles aan Herodes over. Toen werd Herodes toornig en dacht: “Zijn zoon zal zeker koning over Israël worden.” En opnieuw stuurde hij hem de boodschap: “Spreek de waarheid! Waar is uw zoon? Gij weet toch dat uw bloed in mijn hand ligt.” En de dienaren vertrokken en brachten dit alles aan hem over. 3. Toen antwoordde Zacharias: “Ik ben een martelaar van God als gij mijn bloed vergiet, want de Heer zal mijn geest tot zich nemen, omdat gij o­nschuldig bloed vergiet in de voorhof van de tempel van de Heer. En tegen de morgenschemering werd Zacharias vermoord. En de kinderen van Israël wisten niet dat hij vermoord was.

24 – 1. Maar toen de priesters op het uur der begroeting binnenkwamen kwam de zegen van Zacharias hen niet tegemoet zoals gewoonlijk. Zo bleven de priesters op Zacharias wachten om hem met gebed te begroeten en de Allerhoogste te prijzen. 2. Maar toen hij wegbleef werden zij allen o­ngerust. Tenslotte waagde een van hen het om naar binnen te gaan. En bij het altaar zag hij geronnen bloed en hoorde hij zijn stem zeggen: “Zacharias is vermoord en zijn bloed zal niet uitgewist worden tot zijn wreker komt.” Toen hij deze woorden hoorde schrok hij, ging weer naar buiten en vertelde het aan de priesters. 3. En nadat zij moed verzameld hadden gingen zij naar binnen en zagen wat er gebeurd was. En de panelen van de tempel weeklaagden en zelf scheurden zij (hun klederen) van boven tot beneden. Zijn lichaam vonden zij niet, maar wel vonden zij zijn bloed, dat tot steen geworden was. En bevreesd gingen zij weer naar buiten en deelden aan heel het volk mee, dat Zacharias vermoord was. En alle stammen van het volk vernamen het en zij beweenden hem en weeklaagden drie dagen en drie nachten. 4. Na de drie dagen beraadslaagden de priesters wie zij in de plaats zouden aanstellen en het lot viel op Simeon, want hij was het, aan wie door de Heilige geest bekendgemaakt was, dat hij de dood niet zou zien eer hij de Christus in het vlees zou hebben aanschouwd.

25 – 1. Maar ik, Jakobus, die deze geschiedenis heb opgeschreven, trok me terug in de woestijn toen er in Jerusalem, bij de dood van Herodes een grote opschudding was o­ntstaan, tot de rust was weergekeerd. En ik loofde de Here God die me het verstand en de wijsheid had gegeven om deze geschiedenis op te schrijven. 2. De genade zal zijn met hen die o­nze Heer Jezus Christus vrezen, aan wie zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen

Bron: website Nieuweopenbaring.nl