›› Zen

Een biografie met veel hiaten en duistere plekken

Dogen’s levensloop bevat veel  vraagtekens.  De Soto traditie bekommerde zich eerst en vooral om een inspirerende hagiografie te bezitten. De complexe, al te menselijke feiten van de geschiedenis bleven onbesproken of werden bedekt met mooie verhalen. 1 Zelfs zijn familieachtergrond is hoogstwaarschijnlijk  hoger voorgesteld dan  in werkelijkheid het geval was. Maar het verhaal wil dat Dogen geboren is uit een adellijke van de keizer afstammende familie. In elk geval is zijn geboortedatum 2 januari 1200.   Al zeer vroeg verloor hij beide ouders, hoewel sommige moderne scholars de historiciteit hiervan betwijfelen.  Toen hij twee jaar oud was, stierf zijn vader. Opgevoed door zijn moeder en een half broer werd hij als kind   al vertrouwd gemaakt met de Chinese en Japanse klassieke literatuur. Hier ligt ongetwijfeld zijn sensitiviteit voor taal, zoals hij dat later in  proza en poëzie zou tonen.

In 1207  overleed zijn moeder. Haar dood en begrafenis zou hij   levenslang met zich meedragen. Nooit meer zou hij vergeten hoe de wierook tijdens de uitvaart van zijn moeder opbrandde, omhoog steeg en verdween.  Vergankelijkheid zou zijn belangrijkste thema worden. De Boeddha Weg is er niet om vergankelijkheid op te heffen, want dat is een onmogelijkheid, maar dient ertoe de ervaring van vergankelijkheid te kennen en  er door en door vertrouwd mee te raken. Vergankelijkheid is Boeddha-natuur, en de ervaring van vergankelijkheid is de ervaring van Verlichting.

Dogen kwam onder voogdijschap van een oom die voor het kind een briljante carrière in de aristocratische kringen van Kyoto op het oog had. Maar Dogen wilde monnik worden. Hij wendde zich tot een andere oom van moederszijde, die diep onder de indruk geraakte van zijn motivatie, en hem naar een van de beroemdste tempelkloosters voor Boeddhistische studies uit die tijd stuurde, het tempelcomplex op de Mt. Hiei. In april 1213  vond de inwijdingsceremonie  plaats,  voltrokken door de toenmalige abt Koen. Dogen verslond de systematische studie van de Boeddhistische sutras. Hij moet een uiterst serieus student zijn geweest, gedreven door het inzicht  dat leven en dood tezamen de ‘Grote Zaak’ vormde en dat er wegens de kortstondigheid van dit bestaan   geen tijd te verliezen valt. Hoe ernstig hij  zijn studie opvatte, enig gevoel van onbehagen moet hem al vroeg bekropen hebben. De tempels op de Mt.  Hiei behoorden tot de Tendai School, die er een syncretistische benadering van het Boeddhisme  opnahield. Uit alle scholen van het Boeddhisme werd wel iets van belang gehaald.  Daarnaast waren er allerlei folkloristische en sjamanistische elementen en gebruiken binnengeslopen. Maar in zijn jonge, scherpe geest ontstond een vraag die  het hart van het Tendai-systeem scheen te raken. Daarin werd geleerd dat elke mens krachtens geboorte begiftigd was met de Dharma-natuur. Iedereen bezit “oorspronkelijke verlichting”  Ook wel anders geformuleerd: “Dit lichaam zelf is de Boeddha”. De bevestiging ervan was slechts een kwestie van geloof, niet van religieuze inspanning. Deze wereld, dit ondermaanse bestaan is zelf niet anders dan het Lichaam van de Dharma.  Waarom, vroeg de jonge Dogen zich dan ook af, moeten wij ons zo inspannen om een staat van verlichting te bereiken die er van alle eeuwigheid reeds is?  In het licht van zijn tempeltraining met zijn strenge en veeleisende  discipline en al zijn intellectuele, morele, cultische en religieuze activiteiten, een begrijpelijke vraag. De kwestie lijkt misschien wat theoretisch. In een snelle oplossing  voor het probleem kan men oorspronkelijke verlichting vergelijken met een aangeboren talent voor bv. muziek. Welnu talent is niet voldoende, er moet hard gestudeerd worden om  resultaat te zien. Maar Dogen begreep dat verlichting niet te vergelijken is met het bezitten van een aangeboren talent. Later zal hij herhaaldelijk vaststellen: praktijk/beoefening is Verlichting.  Verlichting is niet alleen een aangeboren mogelijkheid, of is een resultaat, maar een zienswijze/ervaring, die aan het licht komt door en in   beoefening.

Maar vooralsnog zat Dogen met een vraag, waarop ook zijn leraren geen bevredigend antwoord wisten. Hij werd verwezen naar een zekere Eisai (1141-1215) die in China was geweest,   daar  enige ervaring met Rinzai Zen had opgedaan en nu verbleef in de Kenninji Tempel, gelegen aan de rand   van het toenmalige Kyoto. Waarschijnlijk heeft Dogen Eisai zelf niet ontmoet, die al spoedig overleed. Maar hij kwam in elk geval iets te weten over ‘zen’ via diens opvolger Myozen (1184-1225). Tussen hen ontstond een warme leraar - leerling verhouding. Beide besloten naar China te gaan in het vermoeden dat daar nog de oorspronkelijke, authentieke Dharma te vinden zou zijn.

Japan was al sinds eeuwen gericht geweest op China. Reeds vanaf de vijfde eeuw waagde men regelmatig de gevaarlijke overtocht naar het vasteland om zich te laten  inspireren door de Chinese cultuur (architectuur, kleding, politiek, kunst en literatuur). Ook waren de Japanners zeer geïnteresseerd in het Chinese Boeddhisme, waarvan  men alle varianten ijverig importeerden. In zoverre is er niets vreemds aan Dogen’s verlangen naar China te gaan.

De traditie vertelt dat Dogen in China verschillende kloosters bezocht, in de leer ging bij de dienstdoende abt (allen maakten deel uit van de Rinzai School), maar steeds geen bevrediging kon vinden voor zijn spirituele verlangens. Zelfs werd hem meerdere keren de transmissie aangeboden, maar Dogen weigerde deze beleefd. Tot hij zijn uiteindelijke leraar Ju-ching ontmoette, onder wiens leiding hij verlichting bereikte en daarna naar Japan terugkeerde om de authentieke Dharma te gaan verkondigen. Maar waarschijnlijk was Dogen minder reislustig dan de kerkelijke hagiografen het voorstellen. Vermoedelijk verbleef hij uitsluitend in de tempel op Mt. T’ien-t’ung, waar hij na het overlijden van Myozen, een leerling werd van Ju-ching die de nieuwe abt van het klooster geworden was. Niettemin zijn er een paar verhalen die enig licht werpen op de ‘spirit’ waarmee Dogen naar China was gegaan en wat hem daar verraste. 2

Toen  het schip aangekomen was, bleef Dogen nog enige dagen achter. Misschien moest hij wachten tot zijn papieren in orde ware. Er kwam een oude kok aan boord van een nabijgelegen klooster om Japanse paddenstoelen te kopen. Dogen raakte met hem in gesprek en vond het zo leerzaam wat deze man hem te vertellen had, dat hij de kok vroeg niet weg te gaan, maar op het schip te overnachten opdat zij de volgende dag verder met elkaar konden praten. Maar de kok weigerde omdat zijn keukenverplichtingen hem naar het klooster riepen.  Dogen  vroeg hem waarom hij zich bezighield met zo’n lastige taak en zich niet meer toelegde op zazen en het bestuderen van de sutras. Studie had toch veel meer zin. De oude man lachte en antwoordde: “Mijn jonge vriend, wat moet jij nog veel leren over de ware betekenis van praktijk en van woorden en geschriften.”

 Later ontmoette hij de oude kok weer in het klooster. Dogen vroeg hem  : “Wat zijn woorden en wat zijn geschriften?” “Een, twee, drie, vier, vijf”, antwoordde de man. “Maar wat is praktijk dan”, vroeg Dogen weer. “Niets is verborgen, alle dingen zijn geopenbaard” was het antwoord. De woorden van de kok maakte op Dogen een diepe indruk.

In de Sung periode, de tijd dat Dogen China bezocht was Ch’an (Zen) reeds over zijn  hoogtepunt en  bloei heen. De verhalen over het leven en de verlichting van de oude meesters werden weliswaar verzameld (de zgn koancollecties), maar de vitaliteit, het verrassende en vaak shockerende van de leraren uit de T’ang periode (600 - 1100) waren in de loop der tijd overdekt geraakt met een dikke laag institutionalisering en regulering. Dogen zal zich later ook zeer kritisch uitlaten over hetgeen hij in China aan Boeddhisme aantrof. Vooral de Rinzaitak kreeg in felle bewoordingen te horen dat zij ver afgedwaald waren  “van de grote Weg van de Boeddhas en Patriarchen”.

Zo niet Ju-ching, zijn leraar. Hoewel het klooster op Mt. T’ien-t’ung al van vroegere tijden bestuurd werd door abten uit de Rinzai lijn, behoorde Ju-ching zelf  tot de kringen van de Ts’ao-tung School, waarop de Soto School teruggaat.  Dogen zal zijn leraar prijzen om zijn compromisloze strengheid jegens zichzelf en zijn leerlingen, gecombineerd met een volkomen oprechtheid en persoonlijke warmte. Onder diens leiding zal hij   de grote waarde van de leraar - leerling verhouding leren kennen.  “Als je niet de juiste leraar ontmoet hebt, is het beter helemaal geen Boeddhisme te studeren”, schrijft hij later. Ju-ching benadrukte de beoefening van zazen, dag en nacht. Wanneer zijn discipelen in slaap vielen, sloeg hij hen met zijn schoen en schold hen uit.  Hij hield zich verre van politiek en interesseerde zich totaal niet voor wereldse bekendheid noch voor geldelijk gewin. Voor Dogen was Ju-ching de juiste leraar. Twee jaar (1225 -1227) zou hij zijn leerling blijven, “zich dag en nacht wijdend aan uitsluitend zazen”.  Beroemd is Dogen’s verlichtingsverhaal.  Het gebeurde in de vroege ochtend tijdens een drie maanden durende trainingstijd in 1225. Een monnik die naast Dogen zat was in slaap gevallen. Toen Ju-ching dit bemerkte, schreeuwde hij hem toe: “Als je zazen beoefent, vallen  lichaam en geest weg. Hoe kun je dan in slaap vallen?”. Een diep schok ging door Dogen heen, gevolgd door een grote vreugde. Nog diezelfde morgen ging hij naar Ju-ching’s privévertrek en offerde wierook. Ju-ching vroeg hem: “Waarom brand je wierook?’ Dogen antwoordde: “Mijn lichaam en geest zijn weggevallen”. “Lichaam en geest zijn weggevallen”, voegde de meester toe, “weggevallen zijn lichaam en geest”. En aldus herkende Ju-ching de echtheid van Dogen’s verlichting. 3

Niet lang daarna gaf Ju-ching aan Dogen het officiële certificaat van de patriarchale opvolging in de Ts’ao-tung lijn.  Dogen had in China voor het eerst dergelijke documenten van authentieke spirituele afstamming onder ogen gekregen en was zeer ontroerd bij het zien ervan. Nu kwam zijn eigen naam te staan   onder alle grote namen,  als laatste in de lijn van opvolging.

In 1227 keerde Dogen terug naar Japan. Als raad gaf zijn leraar hem mee:”Wanneer je terug bent in Japan, werk dan aan de Verlichting van alle mensen van dat land.  Woon niet in de nabijheid van een stad, noch in de buurt van machtigen en rijken. Vermijd keizers, ministers en generaals.  Woon in de bergen, ver verwijderd van de wereld en wijd je aan de training van jonge monniken, zelfs als je maar één leerling hebt”.

Terug in Japan vroeg men hem wat hij had meegebracht. “Ik kom terug met lege handen. Ik breng geen sutras, geen commentaren, geen beelden, geen religieuze artikelen mee. Het enige dat ik weet  is dat mijn neus verticaal en mijn ogen horizontaal staan”.

Dogen schreef over zijn ontmoeting met Ju-ching pas na 1240. Wellicht is zijn terugblik en herinnering zeer gekleurd door wat hij na zijn China reis in Japan meegemaakt en ondernomen heeft. Ju-ching stierf in 1228.  De schriftelijke verslagen over het leven van Ju-ching tonen een heel ander beeld dan de lofprijzingen van Dogen. Volgens de ‘records’ was Ju-ching geenszins een bijzonder leraar.  Nergens is sprake van een groot hervormer, noch van claims van de Ts’ao-tung traditie, noch van enige kritiek op een rivaliserende Rinzai school.  Zelfs Dogen’s latere, zo vaak herhaalde en hem typerende uitdrukkingen als”het wegvallen van lichaam en geest”, “niet-denken, of “alleen maar zitten” ontbreken. In plaats daarvan  lezen we over een vrij gewone Sung leraar die raadselachtige opmerkingen maakt naar aanleiding van Ch’an gezegden, die cirkels in de lucht met zijn whisk, stok, trekt, en voor de controle van willekeurige gedachten   concentratie aanbeveelt op Josu’s  “MU”.   Wellicht heeft Dogen zo zijn eigen ervaringen en indrukken opgedaan in zijn privé-ontmoeingen met Ju-ching. Maar wat hij nou precies van Ju-ching geleerd en wat hij uiteindelijk zelf ontwikkeld heeft, blijft in het duister.

Niet minder schemerig zijn   de activiteiten die Dogen ontplooide na zijn terugkeer. In Bendowa (Over de beoefening met hart en ziel van de Weg) geschreven in 1231 schrijft hij hoezeer hij het als een last ervaarde de Ware Dharma in zijn vaderland te moeten propageren, maar dat hij nog wilde wachten op een goede gelegenheid. In elk geval is hij eerst direct teruggegaan  naar Kenninji, de (rinzai) zentempel vanwaar hij vertrokken was.  Erg gelukkig moet hij er niet zijn geweest. De tempel was in verval, de discipline tanende, en hij was omgeven door monniken die zich niet voor hem interesseerden. In 1232 vertrok hij uit Kenninji, uit Kyoto, meer de provincie in (Fushimi district), waar hem door een invloedrijk familielid een oud klooster was aangeboden dat in de negende eeuw gesticht was door Dogen’s Fujiwara’s voorouders. In een paar jaar had hij het hele ongebruikte complex verbouwd en stichtte daarmee het eerste onafhankelijke zenklooster in Japan.  Hij noemde het Kosho-Horinji, een naam die zijn hoge aspiraties bevatte, daar de naam zowel aan het klooster van Hui-neng, de zesde zenpatriarch van Ch’an herinnerde als ook aan de tempel Hsing-sheng ssu, het eerste van de vijf officiële Ch’anklooster in de Sung.  Hier in Koshoji vormde zich rond Dogen geleidelijk   een aanzienlijke gemeenschap, zowel van leken als monniken.

1234 werd voor Dogen uiterst belangrijk. In dat jaar sloot Koun Ejo zich bij hem aan. Ejo zou zijn toekomstige Dharma-erfgenaam worden, maar ook de man die verantwoordelijk zou zijn voor de uitgave van zijn geschriften.  Binnen een paar jaar werd hij hoofdmonnik (shuso) van het klooster.  Hij was eerder een Tendai monnik geweest (net als Dogen) en had Zen gestudeerd  in de school van Dainichibo Noni (data onbekend), een pionierende, maar omstreden Japanse Zenpersoonlijkheid. Niet veel later zouden ook anderen uit deze zen school zich  voegen bij Dogen’s kring.

In deze jaren begon Dogen ook te werken aan zijn literaire oeuvre. Eerst schreef hij de Fukan za zengi (een universele aanbeveling van de beoefening van zazen), gevolgd door de Tenzo kyokun  (over de praktijk van de kloosterkok). Waarschijnlijk begon hij ook in deze periode met het bijeenbrengen van driehonderd Zen verhalen, zoals dat gebruikelijk was bij de Sung Ch’an auteurs. Deze oude verlichtingsverhalen boden hen de gelegenheid om zelf  hun interpretaties en waardering tot uitdrukking te brengen van de wijsheid van de oude meesters.  Dogen noemde zijn collectie reeds Shobogenzo ( Het Oog en de Schatkamer van de Ware Dharma) naar het model van de beroemde Sung meester Tahui Tsung-kao, de man die Dogen later zo verschrikkelijk de mantel uit zou vegen. Was deze Shobogenzo nog geschreven in het chinees (vandaar kana Shobogenzo of ook wel Shobogenzo Sambyaku-soku), Shobogenzo Driehonderd Verhalen),   op basis hiervan begon Dogen een geheel eigen project te ontwikkelen met uitgebreide commentaren en eigen interpretaties, geschreven in zijn eigen landstaal, bekend geworden als de ‘kana’ of inheemse Shobogenzo.

De Shobogenzo  is een verzamelnaam voor 96 afzonderlijke essays, geschreven in de loop van ongeveer twintig jaar. Elk essay staat als een afgerond geheel op zichzelf. De hoofdstukken gaan over zeer diverse, Boeddhistische onderwerpen, geschreven in een taalkundig, speels mengsel van Chinees en Japans. Enigszins selectief en grof ingedeeld omvat de Shobogenzo  :

  •  praktische instructies (regels voor de zazen beoefening (Zazengi), richtlijnen voor het beoefenen van de Weg (Gakudo Yojin-shu), instructies voor de kok( Tenzo Kyokun) enz.),
  • filosofische stukken (bijvoorbeeld, Genjokoan (actualisatie van de koan van alledag),  over geboorte en dood ((Shoji), over tijd (Uji), onverdeelde activiteit (Zenki);
  • poëtische verhandelingen (een sutra van bergen en rivieren (Sansui-kyo), lente en herfst (Shunju), pruimenbloesems (Baika), de maan (Kajo), een geschilderde rijstcake (Gabyo);
  • artikels die de ‘transmissie’ van de leer behandelen: de toewijding aan de Weg (Bendowa),  van aangezicht tot aangezicht transmissie (Menju), gaande voorbij Boeddha (Bukkojoji).

Dogen’s Shobogenzo is een goudmijn, voor wie het geduld voor lezen en studie heeft.

Mocht Dogen zich verheugen over een toenemend aantal serieuze leerlingen, zijn leven verliep geenszins rustig. In de zomer van 1243 besloot hij onverwachts Koshoji te verlaten en bracht hij zijn leerlingen naar de afgelegen, bergachtige provincie Echizen, vlak bij de kust van de Japanse Zee. De reden van zijn vlucht is niet zo duidelijk. Wellicht bezweek Dogen voor de druk die van twee zijden op hem uitgeoefend werd. Op de eerste plaats was hij betrokken geraakt in een heftig dispuut met het Tendai hoofdkwartier op de Mt.Hiei. Dogen wilde een eigen koers zonder compromissen met het establishment en zonder de bescherming van de staat. Voor de monniken op de Mt. Hiei was dat vragen om moeilijkheden. Hoog op de berg gelegen vormde hun tempelcomplex niet alleen een veilige burcht ter bescherming van hun eigendommen en onafhankelijke positie, het beschikte ook over een schare monniken, opgeleid als krijgers, die af en toe de berg afdaalden om een of andere nieuwe, rivaliserende sekte het leven onmogelijk te maken. Moord op concurrerende leiders en verwoesting van tempels kwamen regelmatig voor. Zo erg is het voor Dogen niet gelopen. Maar hij had zeker wat te vrezen. Ergens tussen 1242 en 1243 werd Dogen opgeroepen zijn Boeddhisme te verdedigen tegenover het hof. Zijn apologie Gokoku shobogi  (De Betekenis van het Ware Dharma voor de Bescherming van de Staat)  wekte slechts de woede van de Hiei’s.

Op de tweede plaats voelde Dogen zich bedreigd vanuit de Zen Scholen. De groep nieuwe leerlingen, begonnen met de komst van Ejo, vormde een aanzienlijke uitdaging voor zijn eigen “Ware Dharma”.  Afkomstig uit de school van Dainichibo Nonin, ook wel de Bodhidharma School genoemd, werden zij als Boeddhistische outcast beschouwd. Hun versie van Rinai Zen was eens verboden door het hof en verworpen door Eisai. Dogen  ging zich meer en meer polemisch tegenover hun achtergrond opstellen. Ook heeft hij met lede, zo niet jaloerse ogen moeten toezien hoe een concurrerend zenleraar, een zekere Enni Ben’en (1202-1280), evenals hijzelf een Chinaganger,  naar de hoofdstad was gekomen en niet ver van Kosho ji  zich gevestigd had als  stichter en abt van Tofukuji - met de uitdrukkelijke bedoeling dat deze tempel   het centrum zou  worden van de Japanse Zen.

Koshoji liet hij over  aan zijn leerling Gijun. Op 30 juli 1243 arriveerde Dogen in de provincie Echizen en deed hij zijn intrede in een kleine tempel Kippoji genaamd.   Slechts één jaar verbleef hij er. Vaak ingesloten wegens hevige sneeuw gaf hij onderricht en werkte hij energiek als nooit te voren. Hij schreef liefst negenentwintig hoofdstukken van de Shobogenzo. Intussen  werkte zijn lekenleerlingen aan de constructie van een nieuwe tempel, Daibutsuji.   Dogen   verhuisde daarheen in 1244. De tempel werd gebouwd naar Chinees Sung model, dat Dogen zo zeer bewonderde. Er ontstond een gebouwencomplex met verschillende los van elkaar staande ruimtes voor diverse functies: een Dharmahal voor de lezingen en het onderricht, een Boeddhahal voor ceremonies en het dagelijkse zingen der sutras, een monnikshal voor het verblijf van de monniken enz.  Op 15 juni 1246 veranderde Dogen de naam Daibutsuji in Eiheiji, wat betekent “tempel van de eeuwige vrede”.  De naam herinnert aan de tijd in de late Han Dynastie toen Boeddhisme geïntroduceerd werd in China.  Hiermee realiseerde Dogen zijn lang gekoesterde droom: het stichten van een ideale monastieke gemeenschap zoals dat eens Po-chang Huai-hai (720-814) voor ogen had gestaan. Echizen was een uiterst geschikte plaats voor dit doel: ver verwijderd van het gewoel van de stad, uit het zicht van het gevestigde Boeddhisme en onbereikbaar voor het keizerlijke machtscomplex en de samurai-klasse.

Slechts acht nieuwe hoofdstukken voegde hij toe aan de Shobogenzo. Zijn stijl en interesse onderging een aanzienlijke verandering. Hij richtte zich in zijn onderricht exclusief tot de directe communiteit van monniken rondom hem. Was hij in zijn vroegere geschriften overtuigd van de universaliteit van Zen, nu benadrukte hij dat Zen alleen  geleefd kon worden binnen de muren en de traditionele vormen van het klooster. Aldus dreef hij een wig tussen leken en monniken. Dogen werkte   aan “de ritualisering van elk aspect van het monastieke leven”(Kim).  Hij beschreef gedetailleerd de regels waaraan jongere monniken zich moesten houden in relatie tot hun ‘senioren’. Pijnlijk nauwkeurige instructies stelde hij op voor de vroege ochtend zazen, de ochtend zazen, de vroege avond zazen en de avond zazen. Een andere tekst behandelt de spirituele betekenis van het bereiden en het eten van voedsel, gevolgd door minutieuze aanwijzingen voor het gebruik van het eetgerei (oryoki).  Eten was voor Dogen een spirituele aangelegenheid.  Voedsel en de Dharma waren nondualistisch één. Hij formuleerde een gedragscode voor het gebruik van de monastieke bibliotheek, dat door hem beschouwd werd als het centrum van het intellectuele leven. Een dag in Eiheiji was een onafgebroken ritueel waarin de monniken precieze vormen beoefenden van lopen, buigen, schoonmaken, naar het toilet gaan, slapen. Want elk aspect van het alledaagse was heilig. Ritueel was voor Dogen geen ingesnoerd, beperkt gedrag, maar een “vrije expressie van Boeddha-natuur”

 Wat echter in de latere geschriften wel erg opvalt, is de aanwezigheid van zijn leraar. Ju-ching,  die hij jarenlang  niet vermeld had, kreeg ineens een prominente plaats toegewezen. Hij was ‘de Oude Boeddda”, de enige die Boeddhisme begrepen had. En alleen de transmissie via hem was de ware transmissie.   Zijn kritiek op de   Rinzai tak begon groteske vormen aan te nemen  Linchi werd het voorwerp van zijn aanvallen. Misschien bedoelde Dogen niet eens Lin -chi zelf -meerdere malen wordt hij ook door Dogen geprezen, maar vooral zijn volgelingen in deze (Dogen’s) tijd, ofwel de school ten tijde van de Sung. Niettemin kritiseert hij Linchi’s befaamde uitdrukking “een mens zonder rang of stand” als woorden die ‘niet volledig zijn doorgedrongen tot de waarheid’. Lin-chi was als student al ‘niet van het hoogste kaliber’ en had nooit het niveau bereikt van zijn leraar Huang-Po. Geen wonder dat Dogen diens opvolgers “honden” noemt, die zich slechts tevreden stellen met het bezit van het portret en de geschriften van hun meester. Van alle opvolgers van Lin-chi kwam Tahui Tsung-kao het meest uitgebreid in aanmerking   voor zijn kritiek.  Tahui was een fervent voorstander van koanstudie. Zijn gehoor bestond vooral uit leken.  Maar volgens Dogen “is het moeilijk te zeggen of hij ooit het voedsel   van de Boeddhas en Patriarchen heeft geproefd”. Hij verweet Tahui niet te luisteren naar zijn leraar  Tao-wei aan wie hij een certificaat van opvolging gevraagd had. Tao-wei weigerde en raadde hem aan geen haast te maken.  Dogen wrijft hem in geen talent voor het gaan van  de Weg te hebben, totaal onopgevoed te zijn, uitsluitend honger te hebben naar roem en winst.  Zijn opvolgers konden niet anders dan ‘namaaksels” zijn. Yanagida Seizan, een zeer gezien historicus van de Chinese Ch’an suggereert dat Dogen toen hij  de ‘records’ van zijn leraar Ju-ching in handen kreeg nogal teleurgesteld was. De leerlingen van Ju-ching hadden niets begrepen van diens boodschap. Dogen was ervan overtuigd dat hij alleen in Japan de ware leer van zijn meester bewaarde, terwijl deze op het continent verloren gegaan was. Vandaar zijn aanval op Ta-hui en zijn opvolgers. Overigens merkt Yanagida er bij op dat deze aanval niet zozeer een innerlijke ontwikkeling voorstelde, maar veeleer een aanwijzing is voor de neergang van Dogen’s denken en het begin  van’seniliteit’ 12) Misschien was Dogen, nog geen vijftig jaar oud, reeds opgebrand.

Dogen schijnt slechts één keer Eiheiji verlaten te hebben.  Op uitnodiging van Shogun Tokiyori ging hij naar Kamakura. Waarom hij deze reis ondernam, weten we niet.  Werd hij alsnog gedreven door politieke ambities? Of was de reis een vroom verzinsel van Dogen’s opvolgers?  In elk geval was hij al na een paar maanden terug.

In 1250 bood ex-keizer Gosaga Dogen aan om hem de purperen mantel te verlenen. Hij weigerde meerdere malen, maar accepteerde de eremantel uiteindelijk vanwege de keizerlijke aandrang. Hij heeft de pij nooit gedragen.  Vanaf die tijd werd zijn gezondheid snel slechter, waardoor het voor hem moeilijker werd aan de monastieke activiteiten deel te nemen. In de zomer van 1252 verergerde zijn toestand. Toch schreef hij op 6 januari 1253   Shobogenzo Hachi-dainigaku (De Acht Aandachtspunten van een Verlicht Mens), zijn laatste boodschap aan zijn leerlingen. Het waren dezelfde aansporingen die Sakyamuni Boeddha op het einde van zijn leven gegeven had aan zijn bhikkus.  Volgens de opmerkingen die Ejo toegevoegd had op het einde van dit hoofdstuk, hoopte Dogen een Shobogenzo te voltooien die bestond uit honderd hoofdstukken. Het zou er niet van komen.

Op 14 juli benoemde Dogen Ejo tot hoofd van het Eiheiji klooster. Dogen kreeg het advies om elders  medische verzorging te zoeken. Tegen zijn wil verliet hij met Ejo en enkele andere leerlingen zijn geliefde Tempel van de Vrede. Hij werd verzorgd in het huis van zijn lekenleerling Kakunen in Kyoto. Maar zijn ziekte was reeds zo vergevorderd, wellicht ook door de reis, dat medische hulp geen baat bracht.

Op 28 augustus 1253 nam Dogen afscheid van zijn treurende leerlingen en stierf in de houding van zazen. 

Vrij spoedig ontbrandde er een interne strijd rond zijn erfenis. 13)  Ejo had lang niet het gezag van zijn leraar en te midden van de overgebleven monniken ontstond meningsverschil met betrekking tot de praktijk en   de opvolging.  Vooral de  formele successie was voorwerp van een bittere controverse. Het is echter zeer moeilijk een helder beeld te krijgen van wat er precies gebeurde. De onderlinge strijd duurde voort tot Keizan Jokin (1268-1325) de ‘hoge patriarch’ van de Soto School werd. Hij slaagde erin de strijdende partijen tot eenheid te brengen.

Hoewel Keizan zichzelf trouw achtte aan Dogen’s leer, bracht hij een groot aantal vernieuwingen teweeg. Het belangrijkste wat hij deed was Soto te brengen naar ‘het gewone volk’. Keizan stimuleerde een   mengeling van Zen met elementen uit het esoterisch Boeddhisme. Naast de Zen Hal, uitsluitend ten behoeve van zazen, kwam ook een cultus ruimte voor  Shingon (Vajrayana) rituelen. Begrafenisrituelen gingen behoren tot de belangrijkste taken van de zenpriesters. Men hield ceremonies voor het welzijn van personen en voor de welvaart van het land. Betrekkelijk weinig monniken zag men regelmatig  in de meditatiehal. Over verlichting werd steeds minder gesproken of het werd onbespreekbaar. Maar de Soto Gemeenschap had nog altijd het sterke gevoel zich met  Zen Boeddhisme bezig te houden. Wat Dogen begonnen was, groeide uit tot een Zenkerk, de Soto School in Japan.

  • 1. Voor Dogens biografie: Kim, 1975, p. 13-51; Bielefeldt, 1988, hoofdstuk 2 en 3; Dumoulin, 1990, p. 51-119.
  • 2. Voor Dogens verblijf in China, zie Talashi James Kodera, 1980
  • 3. Sommige wetenschappers, waaronder Bielefeldt, betwij¬felen Dogens weergave van dit gebeuren. Ju-chings 're¬cords' bevatten nergens deze beroemd geworden, door Dogen veel gebruikte uitdrukking. Ju-ching zou mogelij¬kerwijs iets gezegd hebben dat fonetisch ongeveer klinkt als: 'Lichaam en geest vallen weg,' maar in werkelijkheid zou hij gezegd hebben: 'In zazen zijn alle bezoedelingen weggevallen.' Bielefeldt: 'Dit heeft geleid tot de gedachte dat Dogen zijn verlichting te danken had een een misver¬stand aangaande het Chinees. Op zichzelf wel geestig.