›› Varia

Een hartverscheurend toezien

Bij de dood van Shakyamuni Boeddha en Jezus van Nazareth

Een schilderij nodigt uit stil te staan. ‘Bekijk mij, want ik wil bekeken worden, overdenk mijn lijnen, vormen en kleuren; neem mij op in je bloed; loop mij niet voorbij; rust hier, ook al is mijn beeld verontrustend.’ Zo spreekt het schilderij.

nirwana 5                       Een Japanse rolprint, uit de Heian periode (794–1185), toont het overlijden van Shakyamuni Boeddha.[1]De Boeddha sterft niet. Hij gaat het nirvana binnen. In China en Japan werd Boeddha’s binnentreden in de eeuwigheid talloze malen afgebeeld soms op doeken van anderhalf tot twee meter.

We zien Shakyamuni in alle rust liggen op een gouden doodsbed. Het gezicht is zacht gekleurd, streepjes vuurrode, gesloten lippen, waarboven een subtiel snorretje zweeft; de wijsheid stip op het voorhoofd, de gekrulde haren, de lange, koninklijken oren. Hij ligt opgebaard in een fijn wit kleed, dat zich mooi plooit om het dode lichaam.

            Zo stil en vredig als de Boeddha daar ligt, zo beweeglijk en onrustig is de omgeving. Het stille lichaam van de Boeddha wordt omringd door aardse en hemelse figuren die grote droefheid tonen. Geknield, of liggend op de grond, de handen voor de ogen, de gezichten verwrongen. Sommigen buigen zich voorover naar de kist, anderen wenden zich huilend af. Er zijn er ook die stil toekijken, berustend, gelaten, zich overgevend aan het afscheid. Ook de dieren tonen rollend over de grond en pootjes omhoog hun hartzeer. Het is gissen wie wie is. Maar behalve de hemelse bodhisattvas, zoals Kanzeon, Manjusri en Maitreya, moet tussen de menigte ergens Ananda staan, of Subhuti, Vimalakirti, Cunda, de smit, Upali. Ook zijn moeder en stiefmoeder en zijn zoon Rahula zijn traditioneel aanwezig. Alle geledingen van Boeddha’s volgelingen zijn vertegenwoordigd en iedereen toont op geheel eigen wijze zijn droefheid: sommigen stil, kalm, lijdzaam, anderen rouwen luid en ongegeneerd om Boeddha’s dood. Waarom dit verschil, zullen we nog horen. De vredig liggende Boeddha, de jammerende leerlingen en de onbewogen, gelijkmoedige volgelingen – zij vormen het drama dat de rolprent ons zien laat.

De dood van Jezus is vele malen afgebeeld. Ik kijk naar een fresco, gemaakt door Giotto di Bondone tussen 1304-1306: de bewening van Christus, ook wel Lamentatie genaamd. Het is te zien in de Scrovegni Kapel te Padua (Italië). Giotto was een tijdgenoot van Dante, die hem ook noemt in zijn Divina Comedia. Hij was in zijn tijd al zo beroemd dat de inwoners van Florence wensten dat hij de klokkentoren voor de kathedraal zou ontwerpen. Bij Giotto begint de Renaissance. De formele Byzanthijnse kunstbenadering wordt achterwege gelaten. Giotto gaat terug naar de tekst en schilderde diep menselijke figuren waarvan de kijker de emoties mee kan beleven. Hij weet de illusie te wekken dat het heilige verhaal zich voor onze ogen afspeelt.[2]

                               giotto 2

                                    Giotto, De bewening van Christus

Jezus is van het kruis afgenomen. Een omhooglopend pad leidt naar een boom, herinnering aan het kruis, maar ook aan de boom in het paradijs. De achtergrond is hemelsblauw, waar engelen zwevend vol verdriet toezien. Jezus ligt in de schoot van Maria. Liefdevol omhelst zij haar dode kind. Dit tedere tafereel zal in de schilderkunst vele malen terugkeren. Maria volgde haar zoon op zijn kruisweg, tot aan zijn wrede dood op Golgotha. Haar verdriet is bezongen in het Stabat Mater, dat aldus begint:

                                    Stabat mater doloros

                                    Iuxta crucem lacrimosa

                                    Dum pendebat filius.

 

                          Naast het kruis met schreiende ogen

                          stond de moeder diep bewogen

                          toen haar zoon te sterven hing.

 

De dichter is onbekend. Maar het is geschreven in de dertiende eeuw. Hoewel het al gauw in de liturgie een rol speelde, werd het gebruik er van verboden door het concilie van Trente. Het zou te profaan zijn en er was geen Bijbelse oorsprong voor te vinden. Sinds 1727 was het weer geoorloofd dit gedicht te zingen in de liturgie. Veel componisten hebben het getoonzet: o.a. Palestrina, Scarlatti, Rossini, Verdi, Poulenc. De meest bekende compositie is van Giovanni Battista Pergolesi, die het waarschijnlijk met tussenpozen heeft geschreven, rond 1735. Het slot schreef hij op zijn sterfbed. Hij overleed op 26 jarige leeftijd, ten gevolge van tuberculose. Zijn Stabat Mater is misschien wel de mooiste treurmuziek uit de renaissance.

            Het dode lichaam van Jezus liggend in de schoot van zijn moeder werd iconisch omdat kunstenaars dit uitlichtte. Zij zonderden het af uit het verhaal van de kruisweg: de Piëta, Italiaans voor compassie of piëteit, werd een eigen voorwerp voor meditatie – zie Michelangelo, Donatello, El Greco, Vincent van Gogh.

            Het fresco van Giotto toont rechtsonder Maria Magdalena die de voeten van Jezus streelt. Enkele dagen eerder waste zij zijn voeten met haar tranen en overgoot hen met kostbare balsem. Zo nam zij afscheid, want zij voorvoelde dat haar dierbare leraar heen zou gaan.

            Johannes, in het midden, Jezus geliefde leerling, heft zijn armen op, een gebaar van wanhoop. Rechtsonder, achter Maria Magdalena, staat Jozef van Arimathea met het kleed van Jezus om zijn schouders. Daarnaast zien we Jozef, de man van Maria.

            Zowel de rolprent van Boeddha’s binnentreden in het nirwana als Giotto’s bewening van Christus, beide schilderingen tonen hoe de achterblijvende leerlingen hartverscheurend toezien bij het sterven van hun leraar.

De dagen die eraan voorafgingen

De laatste maanden van de Boeddha zijn uitgebreid beschreven in het Maha-Parinibbana Sutta, de grote leerrede over het uiteindelijke nirwana. Feiten en fictie lopen door elkaar heen. Maar omdat alle belangrijke leerstukken nog eens herhaald worden, kan het heel goed gelden als het testament van de Boeddha. Ondanks zijn hoge leeftijd bezoekt de Boeddha te voet nog diverse plaatsen waar hij belangrijke onderdelen van zijn onderricht nog eens onder de aandacht brengt. In Rajagaha (de Gierenpiek) wijst hij op de zeven principes voor een harmonieus ordeleven. Hij geeft een uitvoerige uiteenzetting over goed gedrag (sila), concentratie (samadhi) en inzicht (prajna), de drie pijlers van het Boeddhisme. In Nalanda volgt een interessant dialoog met Sariputra:

Toen dan kwam de eerwaarde Sariputra naar de Verhevene toe. Bij hem aangekomen groette hij hem en zette zich terzijde neer. Terzijde zittend sprak de eerwaarde Sariputra het volgende tot de Verhevene: 'Ik heb zoveel vertrouwen in de Verhevene, dat ik denk dat er geen andere asceet of brahmaan is geweest, zal zijn of nu leeft, die groter is en meer hogere kennis bezit dan de Verhevene, dat wil zeggen met betrekking tot de staat van ontwaaktheid.'

            'Groots en gedurfd, Sariputta, zijn deze woorden, met grote zekerheid geslaakt, ze klinken als een leeuwenroep. De heiligen, de volledig ontwaakten die er in het verleden waren, ken jij al die verhevenen door hun geest met jouw geest te peilen en weet je hoe hun gedrag was, hoe hun leer was, hoe hun inzicht was, hoe hun manier van leven was, hoe zij werden bevrijd?'

            'Dat niet, Heer!'

            'De heiligen, Sariputta, de volledig ontwaakten die er in de toekomst zullen zijn, ken jij al die verhevenen door hun geest met jouw geest te peilen?'

            'Dat niet, Heer!'

            'Ken je, Sariputta, mij dan, die nu een heilige, volledig ontwaakte is, door mijn geest met jouw geest te peilen? 'Dat niet, Heer!'’ Dus, Sariputta, je hebt geen kennis omtrent de geestesgesteldheid van de heiligen, de volledig ontwaakten in het verle­den, in de toekomst en in het heden. Heb je dan zojuist niet een grootse en gedurfde uitspraak gedaan, met grote zekerheid geslaakt, die klinkt als een leeuwenroep?'[3]

Klaarblijkelijk kende de Boeddha zijn plaats in de geschiedenis. Hij is er niet van gediend als de grootste leraar aller tijden beschouwd te worden. Hij zou raar opgekeken hebben als hij hoorde dat Boeddhisme de beste religie allertijden is.

In Vesali leert hij de vier vormen van het cultiveren van aandacht. Tijdens de regentijd is de Boeddha enige tijd ernstig ziek. Na zijn genezing ging hij naar Kotigama. Hij leert Ananda de Dhamma-spiegel:

En, Ananda, welke is die Dhamma-spiegel, die metho­de, waarmee voorzien de leerling van de edelen dat alles voor zichzelf kan uitmaken? Welnu, deze leerling van de edelen is voorzien van een op kennis gebaseerd geloof in de Boeddha en hij weet: "Die Verhevene is een heilige, een volkomen ont­waakte, volmaakt in kennis en levenswandel, een gezegende, een kenner van de wereld, een onovertroffen coach van diegenen onder de mensen die getraind kunnen worden, een leraar van goden en mensen, een boeddha, een verhevene.

            Hij is voorzien van een op kennis gebaseerd geloof in de Dhamma en hij weet: ‘Goed onderwezen is de Dhamma door de Verhevene, al in het hier en nu van waarde en niet pas in de toekomst, uitnodigend, stimulerend, door wijze mensen in­nerlijk te ervaren.’

           Hij is voorzien van een op kennis gebaseerd geloof in de Sangha en hij weet: "Goed op weg is de gemeenschap van leer­lingen van de Verhevene, op de rechte weg is de gemeenschap van leerlingen van de Verhevene, de juiste methode volgt de gemeenschap van leerlingen van de Verhevene, de juiste koers vaart de gemeenschap van leerlingen van de Verhevene, dat wil zeggen de vier paren van personen, de acht soorten mensen153. Deze gemeenschap van leerlingen van de Verhe­vene is waard om aan te offeren, waard om gastvrijheid te ver­lenen, waard om giften te ontvangen, vererenswaardig, een on­overtroffen veld van verdienste154in de wereld." Hij (de leerling van de edelen) bezit de deugdzaamheid die de edelen lief is, waar niets aan ontbreekt, zonder feilen, vlek­keloos, zuiver, bevrijdend, geprezen door de wijzen, vrij van bederf, leidend tot concentratie.

           Dit, Ananda, is de Dhamma-spiegel, de methode, waarmee voorzien de leerling van de edelen kan uitmaken wat zijn be­stemming na de dood zal zijn.'[4]

Weer terug in Vesali dineert hij met Ambapali, een geziene courtisane. Opnieuw wordt verteld dat de Boeddha overvallen werd door een ernstige ziekte. ‘Hevige pijnen traden op, alsof hij doodging. Hij accepteerde ze aandachtig en bewust zonder dat zijn geest er door geplaagd werd.’ Maar hij wil nog geen afscheid nemen, bedwingt zijn ziekte, staat op van zijn ziekbed en gaat in de schaduw van het huis zitten. Dan komt Ananda naar hem toe en vraagt hem vóór hij heen zal gaan een uitspraak over de monniksorde te doen. Er volgt een belangrijk antwoord: 

'Maar wat verwacht de monniksorde dan van mij, Ananda? De Dhamma is door mij onderwezen zonder onderscheid te maken tussen esoterische en exoterische leringen. De Voleindigde heeft geen gesloten vuist waarin hij, zoals veel leraren, leringen verborgen houdt. Wie zo zou denken: “Ik moet leiding geven aan de monniksorde" of “De orde moet zich op mij richten”, die zou nu met betrekking tot de monniksorde een uitspraak doen. Maar de Voleindigde denkt niet in die termen. Waarom zou hij dan met betrekking tot de monniksorde een uitspraak doen? Ik ben nu oud, bejaard, een oude man; ik ben op jaren en heb een respectabele leeftijd bereikt, ik ben tachtig jaar. Zoals men een oude wagen gaande houdt door hem met banden bijeen te binden, evenzo, Ananda, wordt het lichaam van de Voleindigde gaande gehouden door het als het ware met banden bijeen te binden. Alleen wanneer de Voleindigde door de aandacht af te wenden van alle verschijnselen en door bepaalde gevoelens te laten ophouden en de van verschijnselen vrije concentratie van de geest bereikt en daarin verblijft, ervaart het lichaam van de Voleindigde comfort.

           Daarom, Ananda, moeten jullie in je leven jezelf tot eiland zijn, jezelf tot toevlucht zijn en niemand anders tot toevlucht hebben; laat de Dhamma jullie tot eiland zijn, laat de Dhamma jullie tot toevlucht zijn en niet iets anders. En hoe doet een monnik dat?

           Hiertoe, Ananda, blijft een monnik bij het lichaam, het lichaam beschouwend, ijverig, helder bewust, oplettend, een einde makend aan de hunkering naar en het verdriet om de wereld; hij blijft bij de gevoelens, de gevoelens beschouwend, ijverig, helder bewust, oplettend, een einde makend aan de hunkering naar en het verdriet om de wereld; hij blijft bij de geest, de geest beschouwend, ijverig, helder bewust, oplettend, een einde makend aan de hunkering naar en het verdriet om de wereld; hij blijft bij de mentale factoren, de mentale factoren beschouwend, ijverig, helder bewust, oplettend, een einde makend aan de hunkering naar en het verdriet om de wereld.. Aldus, is een monnik in zijn leven zichzelf tot eiland, zichzelf tot toevlucht en heeft hij niemand anders als toevlucht; is de Dhamma hem tot eiland. is de Dhamma hem tot toevlucht en niet iets anders. De monniken, Ananda, die nu of na mijn heengaan zo zullen leven, die zullen voor mij aan de top van degenen staan, die zich (in mijn leer) willen oefenen.[5]

Daarna voorspelt de Boeddha dat hij over drie maanden het uiteindelijke nirvana zal binnengaan.

De Boeddha en Ananda gaan naar het Grote Bos naar de Hal met het Puntdak. Hij vraagt alle monniken uit de buurt naar hem toe te komen. Opnieuw onderricht hij:

'Welaan, monniken, de dingen die door mij ontdekt en onderwezen zijn, die moeten door jullie goed opgenomen worden, nagevolgd worden, gecultiveerd worden, in praktijk gebracht worden, zodat het heilige leven lang zal duren, lang zal standhouden. Dat zou tot heil zijn van vele mensen, tot geluk van vele mensen, uit mededogen met de wereld, tot voorspoed, welzijn en geluk van goden en mensen. Welke zijn die dingen, monniken, die door mij ontdekt en onderwezen zijn? Het zijn de vier vormen van het cultiveren van de aandacht, de vier vormen van juiste inspanning, de vier grondslagen van magische kracht , de vijf geestelijke vermogens , de vijf krachten, de zeven factoren van het ontwaken en het edele achtvoudi­ge pad. Dit zijn de dingen die door mij ontdekt en onderwe­zen zijn.'[6]

Zij gaan naar Pava en verblijven in het Mango-bos van Cunda, de smid. Cunda nodigt de Boeddha en de gehele monniksschare uit voor een maaltijd. Op het menu staan ‘truffels’ – het is niet duidelijk wat het Pali-woord betekent, sommigen vertalen ‘varkensvlees’. Dankzij zijn paranormale gezichtsvermogen weet de Boeddha dat de truffels bedorven zijn. Hij zegt Cunda deze hem voor te zetten, maar de monniken te bedienen met de andere spijzen. De smid doet wat hem wordt gevraagd. Zoals gewoonlijk verblijdde de Boeddha de gast met een uiteenzetting over de Dhamma. 

            Maar na het eten van de maaltijd werd de Boeddha ernstig ziek. Hij kreeg een bloederige diarree en er traden hevige pijnen op, alsof hij op het punt stond te sterven. ‘Die verdroeg de Verhevene vol aandacht en helder bewust, zonder erdoor verstoord te raken.’ Op zeker moment zei hij tegen Ananda: 'Kom, Ananda. laten we naar Kusinara gaan!'

            Onderweg zegt de Boeddha tegen Ananda dat hij wil rusten en vraagt hem wat water te geven uit de rivier. Ananda wijst hem er op, dat het water troebel is en vuil, omdat vijfhonderd wagens er doorheen getrokken zijn. De Boeddha houdt vol, tot drie keer toe. Dan gehoorzaamt Ananda, doopt zijn bedelnap in het drabbige riviertje en ziet hoe zijn kom volloopt met helder en fris water. De Boeddha drinkt van het water. Vervolgens zegt hij tot Ananda enkele uiterst vriendelijke woorden over Cunda, de smit:

'Wellicht dat iemand bij Cunda de smid schuldgevoel oproept door te zeggen: “Het werpt een smet op je, vriend Cunda, het is een schande voor je, dat de Voleindigde, na bij jou zijn laatste maaltijd gebruikt te hebben, het uiteindelijke nirwana is binnengegaan." Bij Cunda de smid moet schuldgevoel als volgt voorkomen worden: "Het strekt je tot voordeel, vriend, een eer is je te beurt gevallen, dat de Voleindigde, na bij jou zijn laatste maaltijd gebruikt te hebben, het uiteindelijke nirwana is binnengegaan. Vriend Cunda, ik heb uit de mond van de Verhevene gehoord, ik heb uit zijn eigen mond vernomen, dat er twee maaltijden zijn, die even veel vruchten afwerpen, even grote gevolgen hebben, die veel vruchtbaarder zijn en veel meer voordelen bieden dan andere maaltijden en niet daarmee te vergelijken zijn. Welke twee? De maaltijd na het eten waarvan de Voleindigde tot het onovertroffen, volkomen ontwaken komt en de maaltijd na het eten waarvan hij de sfeer van 'het nirwana zonder rest van levensbrandstof ' binnengaat. De eerwaarde Cunda heeft karma verzameld dat tot een lang leven leidt, tot een goed uiterlijk, tot geluk, tot roem, tot de hemel en tot macht." Zo, Ananda, moet schuldgevoel bij de eerwaarde Cunda voorkomen worden.'[7]

Te voet gaat de Boeddha met Ananda en een groot aantal monniken naar Kusinara. Daar aangekomen ging de Boeddha liggen om uit te rusten. Er gebeurde een wonder. De tweeling-damar bomen stonden ineens in volle bloei, hoewel het daar niet het seizoen voor was. Er vielen hemelse koraalbloemen en sandaalpoeder uit de lucht die het lichaam van de Boeddha bedekte. Er klonken hemelse muziekinstrumenten en hemelse gezangen. Tot Ananda zei hij:

'Kijk eens wat er gebeurt, Ananda! Het is echter niet hierdoor dat de Voleindigde wordt vereerd, gehuldigd, gerespecteerd, geacht en erkenning krijgt. Maar als een monnik of non of mannelijke of vrouwelijke lekenvolgeling voortdurend de Dhamma in zijn volledigheid beoefent, de juiste koers vaart en in overeenstemming met de Dhamma leeft, dan vereert, huldigt en respecteert hij of zij de Voleindigde en acht hem met de hoogste eerbied. Daarom, Ananda, moeten jullie je trainen voortdurend de Dhamma in zijn volledigheid te beoefenen, op de juiste weg te blijven en te leven in overeenstemming met de Dhamma.’[8]

Vervolgens wijst de Boeddha Ananda er opdat er vier plaatsen zijn die het na zijn dood waard zullen zijn te bezoeken: de plaats waar de Voleindigde geboren is (Lumbini); de plaats waar hij tot het onovertroffen, volkomen ontwaken gekomen is (Bodhgaya); de plaats waar hij het onovertroffen rad van de Leer in beweging gezet heeft (Varanasi); en de plaats waar hij de sfeer van het nirwana zonder rest van levensbrandstof is binnengegaan (Kusinara).

            Ananda raakt overmeesterd door een geweldige droefheid. Hij gaat een huisje binnen, waar hij in snikken uitbarst. Hij weet dat zijn leraar hem zal verlaten, terwijl hij nog steeds slechts een leerling is en nog veel te doen heeft. De Boeddha riep hem bij zich en sprak hem enigszins vermanend toe:

'Genoeg, Ananda, treur niet, jammer niet! Heb ik er niet duidelijk voor gewaarschuwd dat wij van alle geliefde en aangename dingen en personen afstand moeten doen, dat wij er afscheid van moeten nemen, dat ze aan een proces van transformatie onderhevig zijn? Hoe zou het mogelijk zijn, Ananda, dat wat geboren is, ontstaan is, geconditioneerd is, aan verval onderhevig is, niet zou vervallen? Die mogelijkheid bestaat niet. Lange tijd, Ananda, heb jij de Voleindigde bijgestaan met liefdevol handelen in daad, woord en gedachte, dat weldadig, aangenaam, onverdeeld en onbeperkt was. Daarmee heb je verdienste verworven, Ananda. Als je je inspant, zal je spoedig vrij van de vergiften zijn.'[

Daarna richtte hij zich tot de monniken en prees Ananda als zijn voortreffelijke verzorger, die jarenlang regelde wanneer men de Boeddha kon spreken.

 Een rondtrekkende asceet Subhadda wilde de Boeddha bezoeken. Ananda weigerde zijn toestemming te geven. Tot driemaal toe. De Boeddha, die dit hoorde, zei Ananda hem alsnog toe te laten, ‘want hij wil mij niet lastig te vallen, maar hij komt vanwege verlangen naar kennis’. Subhadda vraagt wat de Eerwaarde denkt van zijn concurrenten: ‘die asceten en brahmanen, die hoofden van groeperingen, van ordes, die leraren van groeperingen, die bekend zijn, beroemde sekteleiders, die een goede reputatie bij veel mensen hebben, te weten…. (en dan volgen er een paar namen), die allen, zoals ze zelf beweren, tot hoger inzicht gekomen, zijn zij geen van allen tot hoger inzicht gekomen of sommigen wel en anderen niet?' De Boeddha antwoordt: ‘Hou op met dat soort vragen!’ En hij leert hem het achtvoudige pad. Subhadda is direct overtuigd en gaat jubelend weg.

                  Opnieuw richt hij zich tot Ananda: 

'Misschien, Ananda, komt bij één van jullie deze gedachte op: “Het woord van de leraar is heengegaan; wij hebben geen leraar meer.” Maar dat moet niet zo gezien worden. De leer en de discipline, die door mij onderwezen en uiteengezet zijn, die zijn na mijn heengaan jullie leraar. Als ik er met meer ben, moeten jullie elkaar niet meer zo toespreken, zoals jullie elkaar nu aanspreken met het woord vriend. Een oudere monnik moet een jongere monnik met zijn voornaam of zijn familienaam of met "vriend” aanspreken; een jongere monnik moet een oudere monnik met "Heer" of "eerwaarde” aanspreken.’[10]

Aan de om hem heen staande monniken vraagt de Boeddha of zij nog twijfels of vragen hebben met betrekking tot de Boeddha, de Dhamma, de Sangha of het pad of de beoefening. Nu kan je het nog aan mij vragen, lijkt hij te zeggen. Maar de monniken bleven zwijgen. Ananda roept namens allen nog uit: ‘Niemand twijfelt of heeft nog enige onzekerheid met betrekking tot de Boeddha, de Dhamma, de Sangha of het pad of de beoefening.’ En de Boeddha reageert: ‘Ik, de Voleindige, weet met zekerheid dat al deze vijfhonderd monniken, zelfs de geringste onder hen, niet meer in staat zijn om terug te vallen. Zij allen kunnen er zeker van zijn tot ontwaken te komen.'

*******

De gebeurtenissen die voorafgaan aan Jezus kruisdood moge bekend zijn, hoewel de kennis van de Bijbel in de geseculariseerde wereld snel verminderd. Uit de vier evangeliën kies ik enkele gebeurtenissen. En evenals bij het verhaal over de dood van de Boeddha is ook de beschrijving van Jezus’ lijdensweg historisch allerminst zeker. Zo wordt de historiciteit van het laatste avondmaal betwijfeld. De gnostische evangeliën spreken nauwelijks over kruisiging en opstanding. Geschiedenis in onze zin is het verleden voor zover we het menen te kennen. Maar de vertellers van deze verhalen hoefden zich niet te bekommeren om historische waarheid. Zij schreven een beeldbepalend verhaal. Daarmee nodigen zij de lezer uit zijn eigen persoonlijke, historische bestaan te vergeten en het einde van zijn dierbare leraar in zich op te nemen, erdoor geraakt te worden en erdoor getransformeerd te worden. Het evangelie, en het geldt voor alle spirituele teksten, richt zich gezagsvol tot de individuele lezer. Alle religieuze verhalen, aansporingen, verklaringen en beelden zijn allereerst geschreven voor mij. Daarom heeft de geschiedenis van de mystiek mij schatten aan literatuur gebracht.

            Bij het begin van het lijdensverhaal geeft Johannes een fraaie inzet: ‘Het was kort voor het Pesach feest. Jezus wist dat zijn tijd gekomen was en dat hij uit de wereld zou terugkeren naar de Vader. Hij had de mensen die hem in de wereld toebehoorden lief en zijn liefde voor hen zou tot het uiterste gaan’ (Joh. 13:1). 

            Maar het wordt wel een verschrikkelijk verhaal, een horror story. Al noteert Johannes nog wel eerst Jezus’ schitterende afscheidsrede. Hij vertelt daarin iets over zijn innerlijk leven: ‘Ik spreek niet namens mezelf als ik tegen jullie spreek, maar de Vader die in mij blijft, doet zijn werk door mij. Geloof me, ik ben in de Vader en de vader is in mij’ (Joh. 14:10). Er volgen beroemde zinnen: ‘Ik ben de weg, de waarheid en het leven’ (Joh. 14:6), ‘Ik ben de ware wijnstok’ (Joh. 15:1), ‘Dit is Mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt, zoals Ik u heb liefgehad’ (Joh. 15:12), ‘opdat zij allen één mogen zijn’ (Joh. 17:21). Woorden die contemplatie verdienen om te leren er één mee te zijn.

            Ook hier klinkt weer dat de leerlingen niet tot de wereld behoren: ‘Ik laat jullie vrede na: mijn vrede geef ik jullie, zoals de wereld die niet geven kan.’ En even verder: ‘Als jullie bij de wereld zouden horen, zouden ze jullie hebben liefgehad als iets van haar zelf, maar jullie horen niet bij haar, want ik heb jullie uit de wereld weggeroepen.’ Jezus heeft geen politieke of sociale boodschap. Zijn leer is zuiver spiritueel. En dat dringt maar slecht door. 

Jezus geeft de reden van zijn heengaan:

‘Het is goed voor jullie dat ik ga, want als ik niet ga zal de pleitbezorger niet bij jullie komen, maar als ik weg ben, zal ik hem jullie zenden… De Geest van de waarheid zal jullie, wanneer hij komt, de weg wijzen naar de volle waarheid. Hij zal niet namens zichzelf spreken, maar hij zal zeggen wat hij hoort en jullie bekendmaken wat komen gaat. Door jullie bekend te maken wat hij van mij heeft, zal hij mij eren. Alles wat van de Vader is, is van mij daarom heb ik gezegd dat hij alles wat hij jullie bekend zal maken, van mij heeft. Nog een korte tijd en jullie zien niet meer, maar kort daarna zien jullie me terug.'

De leraar moet heengaan en de leerlingen aan hun lot overlaten. Door zijn vertrek, fysiek of mentaal, kan de leer in de leerling vaardig worden. De innerlijke ‘pleitbezorger’, de Geest, moet zijn werk gaan doen. Vanaf nu is de gezagsvolle verhouding tussen leraar en leerling veranderd in een liefdevolle vriendschap:

´Ik heb jullie liefgehad, zoals de Vader mij heeft liefgehad. Blijf in mijn liefde: je blijft in mijn liefde als je je aan mijn geboden houdt, zoals ik me ook aan de geboden van mijn Vader gehouden heb en in zijn liefde blijf. Dit zeg ik tegen jullie om je mijn vreugde te geven, dan zal je vreugde vol­komen zijn. Mijn gebod is dat jullie elkaar liefhebben zoals ik jullie heb liefgehad. Er is geen grotere liefde dan je leven te geven voor je vrienden. Jullie zijn mijn vrienden wanneer je doet wat ik zeg. Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie, omdat ik alles wat ik van de Vader heb gehoord, aan jullie bekendgemaakt heb. Jullie hebben niet mij uitgekozen, maar ik jullie, en ik heb jullie opgedragen om op weg te gaan en vrucht te dragen, blijven­de vrucht. Wat je de Vader in mijn naam vraagt, zal hij je geven. Dit draag ik jullie op: heb elkaar lief.'(Joh. 15:1vv)

Na de maaltijd gaat Jezus met zijn leerlingen naar de hof van Getsemane. Hij zoekt een plek om te bidden. De nacht was vol dreiging. Hij voelde zich onrustig en angstig, ‘dodelijk bedroefd’. Hij bad: ‘Vader als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren’. Overvallen door doodsangst viel zijn zweet in grote druppels als bloed op de grond (Lucas 22:44). Blaise Pascal zal later in zijn Penséesschrijven: ‘Jezus zal in doodsnood verkeren tot het einde der wereld: gedurende die tijd moet men niet slapen.’ Voor hem was niet de martelgang naar Golgotha het ergste, maar de volstrekte eenzaamheid in Getsemane. Ziehier het citaat in zijn geheel. Het is één van de mooiste bladzijden uit de Pensées:

Het mysterie van Jezus. Jezus ondergaat in zijn lijden de martelingen, die de mensen hem hebben aangedaan; maar in zijn doodsnood doorstaat hij de martelingen, die hij zichzelf aan­doet: turbare semet ipsum (zichzelf ontroeren. Joh. 9:33). Het was een foltering van een niet menselijke, doch almachtige hand, want men moet almachtig zijn om zoiets te kunnen doorstaan. Jezus zoekt tenminste enige troost bij zijn drie meest geliefde discipelen, doch zij slapen; hij smeekt hen een weinig met hem te waken, maar zij laten hem alleen met een volslagen onverschil­ligheid, en hadden zo weinig medelijden met hem, dat dit hen er niet eens toe kon bewegen een ogenblik wakker te blijven. En zo was Jezus geheel alleen overgelaten aan de toorn van God. Jezus is alleen op aarde; hij heeft niet alleen niemand, die zijn leed meevoelt en meedraagt, doch zelfs niemand, die ervan af­weet; de hemel en hij alleen kennen het. Jezus is in een hof, niet in een lusthof, zoals de eerste Adam, waarin deze zichzelf in het verderf stortte, en met hem het ge­hele mensdom, maar in een hof van folteringen, waar hij zich­zelf heeft gered, en met hem de gehele mensheid. Hij verduurt deze smart en verlatenheid in de verschrikking van de nacht. Ik geloof, dat Jezus zich nimmer heeft beklaagd, behalve deze ene keer; maar ditmaal deed hij het, alsof hij zijn bovenmatige smart niet langer aan kon: 'Mijn ziel is bedroefd, tot de dood toe.’

           Jezus zoekt gezelschap en verlichting van zijn smart bij de men­sen. Het komt mij voor, dat dit de enige keer was in zijn leven. Maar hij vindt ze niet, want zijn discipelen slapen. Jezus zal in doodsnood verkeren tot aan het einde der wereld: gedurende die tijd moet men niet slapen.

Wanneer Jezus te midden van deze algehele verlatenheid ook zijn vrienden, die hij had uitverkoren om met hem te waken, slapende vindt, maakt hij zich ongerust over het gevaar, waaraan zij zich blootstellen; niet hem, maar zichzelf, en waarschuwt hen tot hun eigen behoud en hun eigen welzijn met een warme teder­heid jegens hen, niettegenstaande hun ondankbaarheid; hij waar­schuwt hen, dat de geest gewillig is doch het vlees zwak. Wanneer Jezus hen ten tweede male slapende vindt, zonder dat de zorg voor hem of die voor zichzelf hen heeft wakker kunnen houden, heeft hij de goedheid hen niet wakker te maken, en hij laat hen in hun rust.

            Jezus bidt, onzeker als hij is ten aanzien van de wil van zijn Vader, en is bang voor de dood; maar wanneer hij die wil heeft leren kennen, staat hij op om zich daar geheel aan te onder­werpen:Eamus. Processit. (Laat ons gaan. Hij ging uit). Jezus heeft tot de mensen gebeden, en werd niet verhoord. Terwijl de discipelen sliepen, heeft Jezus hun heil bewerkt. Hij heeft het gedaan voor alle rechtvaardigen, terwijl zij sliepen, én in het niet voor hun geboorte, én in de zonden sinds hun ge­boorte.

            Hij bidt slechts éénmaal, dat de drinkbeker moge voorbijgaan, en dan nog in onderworpenheid, en twee keer, dat hij komen moge, als het moet.

            Jezus in doodsnood.

            Jezus, die al zijn vrienden ziet slapen, en al zijn vijanden waken, geeft zich geheel over aan zijn Vader.[11]

Voor Pascal staat Getsemane voor de ‘condition humaine’: ‘Men stelle zich een aantal mensen voor in ketenen, allen ter dood veroordeeld, waarvan er elke dag een paar voor de ogen der anderen worden gewurgd; de overblijvenden zien in het lot dezer anderen, wat ook hen te wachten staat; in smart en wanhoop zien zij elkander aan en wachten hun beurt af. Dat is het beeld van ’s mensen lot.’[12]

Het gerechtshof. Het wordt een afgang. De leerlingen zijn gevlucht en houden zich angstvallig schuil in de stad. Jezus wist niets tegen het Sanhedrin en Pilatus in te brengen. Hij gaf enkele schamele antwoorden die niets ontkenden en niets bevestigden. De hogepriesters beschuldigden hem van hoogverraad en godslastering. En Pilatus wilde eigenlijk met de zaak niets te maken hebben. Het volk mocht kiezen en zij kozen voor de vrijlating van een andere misdadiger. En zij riepen om zijn kruisiging.

            Waarom? Was Jezus niet een charismatische prediker geweest, waar grote groepen mensen ademloos naar geluisterd hadden? Hij had wonderen verricht, zieken genezen en doden weer tot leven gewekt. Velen hadden hun hoop op hem gesteld. Hij zou het volk bevrijden van de Romeinse overheersing. Hij zou welvaart brengen voor de armen, de verschoppelingen, de onderdrukten. Maar langzamerhand was het doorgedrongen dat Jezus iets anders bedoelde met zijn ‘Koninkrijk’. Zij waren al zeer teleurgesteld, dat hij in die richting niets had ondernomen en nu zagen ze een zwijgzame, hulpeloze joodse man.

            In zijn prachtige, biografische roman Jezus, het verhaal van een leven, beschrijft Shusaku Endo hoe vanaf het begin van zijn publieke optreden tot en met zijn einde een groot onbegrip over zijn optreden heeft bestaan.[13]Zelfs zijn leerlingen begrepen Jezus niet. Wat moesten ze aanvangen met die onbegrijpelijke aansporingen: 'Heb je vijanden lief; doe degenen goed die jullie haten; zegen wie jullie vervloeken; bid voor wie jullie vervolgen. Als iemand je op de wang slaat, keer hem ook de andere toe; als iemand je bo­venkleed afneemt, bied hem ook je onderkleed aan. Behandel an­deren zoals je zelf behandeld wilt worden... Oordeel niet. Zoek geen vergelding. Vergeef... Wees gul...'

            Niettemin had Jezus hooggespannen verwachtingen gewekt. Hij zou de nationalistische wensen van het volk kunnen waarmaken. Maar Jezus leerde een innerlijke vrede, een liefde die geen onderscheid maakt. Endo: ‘De leerlingen hadden er nog geen notie van dat de hele bedoeling van zijn bestaan was om een zichtbaar teken te zijn van Gods liefde in de rauwe, harde wereld. En om in die wereld een liefdesvuur te ontsteken.’

            In zijn Mattheus Passie geeft Bach een mooi muzikaal antwoord op de vraag van Pilatus: ‘Wat voor kwaad heeft hij gedaan?’ Twee hobo’s d’amore doen met zacht-droeve klanken tranen druppelen over de woorden:

                                 Er hat uns allen wohlgetan, 

                                 Den Blinden gab er das Gesicht, 

                                 Die Lahmen macht er gehend, 

                                Er sagt uns seines Vaters Wort, 

                                Er trieb die Teufel fort, 

                               Betrübte hat er aufgericht', 

                               Er nahm die Sünder auf und an.          

                              Sonst hat mein Jesus nichts getan.

 

De vernederingen worden alleen maar groter. Pilatus laat Jezus geselen, dat naar gewoonte de kruisiging voorafging. De zweep die hiervoor gebruikt werd, bestond uit kleine stukjes bot en metaal, die aan een aantal leren striemen waren bevestigd. Het aantal slagen dat Jezus te verduren kreeg is nergens vastgelegd; maar het aantal slagen in de Joodse wet was negenendertig (de veertig slagen die in de Thora worden vereist minus één, om een telfout te voorkomen). De huid werd van de rug afgerukt, hetgeen leidde tot veel bloedverlies.

            Vervolgens zetten de soldaten een ‘kroon’ van doornachtige takken op zijn hoofd, die wederom bloedingen veroorzaakte. Om hem nog verder te bespotten deden zij hem een koningsmantel om en gaven ze hem een stok in de hand. Ze spuugden Jezus in het gezicht. De mantel werd weer uitgetrokken en zijn eigen kleren aangedaan. Jezus kreeg de dwarsbalk van het kruis op zijn schouders gebonden, waarna men in een stoet op weg ging naar de executieplaats, Golgotha genaamd.

Het laatste uur. De laatste woorden.

De Maha-Parinnibbana Sutta beschrijft de laatste ogenblikken van de Boeddha als volgt: 

Toen dan richtte de Verhevene zich tot de monniken, 'Welaan, monniken, ik zeg jullie, wat de mens bezielt, is aan vergankelijkheid onderhevig. Streeft niet aflatend!' Dit waren de laatste woorden van de Voleindigde.

‘Daarop bereikte de Verhevene het eerste stadium van
meditatie; vanuit het eerste het tweede stadium; vanuit het
tweede het derde stadium; vanuit het derde het vierde stadium;
vanuit het vierde stadium bereikte hij de sfeer van oneindigheid van de ruimte; van daaruit bereikte hij de sfeer van oneindigheid van het (kosmisch element) bewustzijn; van daaruit
bereikte hij de sfeer van nietsheid; van daaruit bereikte hij de
 sfeer van noch-voorstelling-noch-geen-voorstelling; van daar
uit bereikte hij het ophouden van voorstelling en gevoelens.

            Toen dan sprak de eerwaarde Ananda het volgende tot de eerwaarde Anuruddha: 'De Verhevene is het uiteindelijke nirwanabinnengegaan, Heer Anuruddha.'

            'Vriend Ananda, de Verhevene is nog niet het uiteindelijke nirvana binnengegaan. Hij heeft het ophouden bereikt.'

            Toen dan bereikte de Verhevene vanuit het ophouden
van voorstelling en gevoelens de sfeer van noch-voorstelling-
noch-geen-voorstelling; van daaruit bereikte hij de sfeer van
 nietsheid; van daaruit bereikte hij de sfeer van oneindigheid
van het (kosmisch element) bewustzijn; van daaruit bereikte hij de sfeer van oneindigheid van de ruimte; van daaruit bereikte hij het vierde meditatiestadium; van daaruit bereikte hij het derde meditatiestadium; van daaruit bereikte hij het tweede meditatiestadium; van daaruit bereikte hij het eerste meditatiestadium. Vanuit het eerste meditatiestadium bereikte hij het tweede, van daaruit het derde; van daaruit het vierde. Vanuit het vierde meditatiestadium ging de Verhevene direct het uiteindelijke nirvana binnen.

            Toen de Verhevene het uiteindelijke nirwana was binnengegaan, vond er onmiddellijk daarna een grote aardbeving plaats, die verschrikkelijk was en de haren te berge deed rijzen en uit de hemel barstten donderslagen los. 

Toen de Verhevene het uiteindelijke nirwana was binnengegaan, uitte de eerwaarde Anuruddha dit vers:7

'De Standvastige ademde niet meer in en uit. 

Onverstoorbaar ging deze wijze in vrede heen. 

Met onverschrokken geest accepteerde hij de pijn. 

Als het doven van een licht werd zijn geest bevrijdt.'

Toen de Verhevene het uiteindelijke nirwana was binnengegaan, uitte de eerwaarde Ananda dit vers:

'Het verschrikkelijke is gebeurd,

dat de haren te berge doet rijzen:

de Ontwaakte, bekleed met alle kwaliteiten,

is het uiteindelijke nirwana binnengegaan.'

Toen de Verhevene het uiteindelijke nirwana was binnengegaan weenden sommige monniken bij wie de hartstochten nog niet waren verdwenen met opgeheven armen. Ze vielen als geveld neer en rolden heen en weer (weeklagend): 'Al te snel is de Verhevene het uiteindelijke nirwana binnengegaan, al te snel is de Gezegende het uiteindelijke nirwana binnengegaan, al te snel is het Licht uit de wereld verdwenen.'

            Maar de monniken bij wie de hartstochten verdwenen waren, accepteerden het aandachtig en bewust: 'Niet eeuwig zijn de dingen die ons bezielen. Hoe zou het in dit geval anders kunnen zijn?'[14]

*******

Zo vredig als de Boeddha overleed, zo wreed was het einde van Jezus.Op Golgotha aangekomen werd de gevangene opnieuw van zijn kleren ontdaan, behoudens een lendendoek die hij als Jood mocht aanhouden. De dwarsbalk werd op de grond gegooid en Jezus snel achterovergedrukt met zijn schouders tegen het hout. De beul voelde naar de holte aan de voorzijde van de pols en dreef er, tussen de handwortelbeetjes, een zware, vierkante smeedijzeren spijker doorheen, het hout in. Vervolgens deed hij hetzelfde aan de andere kant, erop lettend de armen niet te ver uit te strekken, zodat de veroordeelde ze enigszins kon buigen en bewegen.

            Soldaten hesen de dwarsbalk met Jezus eraan naar boven, langs een verticale, in de grond geslagen paal met een miniem zitplankje en aan top een inkeping. Daar werd de balk in gelegd, zodat het geheel een T vormde. In tegenstelling tot wat schilderijen suggereren was het kruis opvallend laag. Men drukte de linkervoet van de gevangene achterwaarts tegen de rechtervoet. Met beide voeten uitgestrekt en de tenen omlaag, werd een spijker van zo'n zeventien centimeter door de wreef van elk ervan gedreven, waarbij de knieën lichtjes gebogen bleven. Een naambord voltooide het geheel.

            Aan het kruis moet Christus ondraaglijke pijnen hebben geleden. Probeerde hij zijn armen wat te laten doorzakken, dan schoten er vlammende scheuten door zijn vingers en naar boven door z'n armen, om in zijn hersenen tot explosie te komen. De spijkers oefenden namelijk druk uit op de nervus medianus, een zenuwstreng die dwars door pols en hand loopt. Trachtte hij de pijn wat te verzachten door zich met zijn voeten omhoog te drukken, dan bracht hij daarmee zijn volle gewicht op de spijkers in zijn voeten, wat de zenuwen tussen de middenvoetsbeentjes deed opspelen.

            Doordat Jezus aan zijn armen hing, trad al snel verzuring op en sloegen krampen in grote golven door hem heen. En omdat hij onvoldoende in staat was zich op te drukken, raakten de grote spieren van de borstkas verlamd. De kleine spieren tussen de ribben konden zodoende slechts beperkt werken, waardoor Jezus wel wat lucht kon inzuigen, maar bijna niet uitademen. Gevolg: al na tien minuten hing hij half stikkend aan het kruis. Het was het begin van een urenlange cirkelgang van grenzeloos lijden die nog werd versterkt door het schuren van de opengereten schouders en rug tegen het ruwe olijfhouten kruis en door overmatig zweten, met als gevolg een onlesbare dorst. Na verloop van tijd begon een nieuwe marteling: een vernietigend steken in de borst, doordat longen en hartzakje zich vulden met bloed en het hart werd samengeperst. Een proces van verstikking, uitdroging en hartritmestoornissen leidde ten slotte tot de dood.[15]

            Het is onbegrijpelijk dat Jezus zo uitgeput aan het kruis hangend nog enkele woorden kon zeggen: 

´Eli, Eli, lama sabachthani?´Dit betekent: ´Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?´

´Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.´

´Ik verzeker je: nog vandaag zal je met mij in het paradijs zijn.´

'Vader, in uw handen leg ik mijn geest.´

Toen Jezus zijn moeder zag staan, en bij haar de leerling van wie hij veel hield, zei hij tegen zijn moeder: ‘Dat is uw zoon,’ en daarna tegen de leerling: ‘Dat is je moeder.’

´Ik heb dorst.´

´Het is volbracht.´

Alle gelovigen koesteren deze ‘kruiswoorden’.  Persoonlijk vind ik: ‘In uw handen , Vader, beveel ik mijn geest’, de mooiste. Bij onze dood geven we de geest.  Ik verdwijn, maar ik laat de Geest achter.

Deze kruiswoorden zijn op muziek gezet door Franz Joseph Haydn, Heinrich Schütz, Pergolesi en César Franck. In de vorige eeuw schreef Sofia Goebaidoelina een compositie op de Sieben Wortevoor cello, bayan en strijkers. De cello associeert zij met Christus op het kruis, de bayan (een soort accordeon, zeer populair in Rusland) representeert het rijk van God de Vader, versterkt met een strijkorkest, de evangelist geeft stem aan de Heilige Geest. Deze muziek is de vertolking van haar persoonlijke religieuze credo. Een rode draad in het stuk is een citaat van vijf maten uit Schutz bij de woorden ‘Mich dürstet’.Aan het eind van het zesde deel, na een laatste fortissimo, breekt alles af. 'Het is volbracht'; de strijkstok van de cello speelt dood op de kam. In het slotdeel schuift de strijkstok zelfs over de kam heen en treedt zo buiten de speelmogelijkheden van het instrument als symbool van Christus' kruisdood en de overgang naar een andere werkelijkheid. Over haar muziek zegt zij: ‘Kunst is re-ligio, opnieuw verbinden, een verbin­ding zoeken met God. Ik componeer muziek om de spirituele integriteit te herstellen, als een legato in het staccato van het moderne leven. Muziek is een sacrale ruimte van de klank, het is de mystieke gewaarwording van een alomtegenwoordigheid.’[16]

Volgens de evangeliën is Jezus midden op de dag, omstreeks twaalf uur aan het kruis genageld. Zijn laatste ademhaling geschiedde rond drie uur ’s middags.

            Het dode lichaam van Jezus werd van het kruis gehaald en in een grafkelder gelegd. Het was bij de Joodse wet verboden het lijk in de nacht te laten hangen.

            Jezus was gestorven drieëndertig jaar oud. Zijn publieke optreden duurde ongeveer drie jaar.

*******

Shakyamuni Boeddha was tachtig jaar oud geworden. Ongeveer vijftig jaar heeft hij rondgezworven in Noord India om onderricht te geven.

            Toen men hoorde dat de Verhevene het nirwana was binnengegaan, kwamen monniken, nonnen, leken, mannen en vrouwen vanuit alle windstreken naar Kusinara.Sommige monniken jammerden huilden en klaagden: 'Al te snel is de Verhevene het uiteindelijke nirwana binnengegaan, al te snel is de Gezegende het uiteindelijke nirwana binnengegaan, al te snel is het Licht uit de wereld verdwenen.'

            Maar andere monniken bij wie de hartstochten verdwenen wa­ren, accepteerden het aandachtig en bewust: 'Niet eeuwig zijn de dingen die ons bezielen. Hoe zou het in dit geval anders kunnen zijn?' Subhadda, die op gevorderde leeftijd het huis verlaten had, waagde het zelfs te zeggen: 'Genoeg, vrienden, jammert niet, weeklaagt niet! Wij zijn nu mooi bevrijd van die grote asceet. Wij werden onderdrukt door zijn geboden en verboden: "Dit mogen jullie, dit mogen jullie niet." Nu kunnen we doen wat we willen. En waar we geen zin in hebben, dat hoeven we niet te doen.'

            Maar Mahakassapa, de oudste die nu de leider van de Sangha was, maakte aan al het gedoe een einde:Daarop richtte de eerwaarde Kassapa zich tot de monniken en sprak: “Genoeg, vrienden! Jammert niet, weeklaagt niet! Heeft de Verhevene er niet duidelijk voor gewaarschuwd dat wij van alle geliefde en aangename dingen afstand moeten doen, dat wij er afscheid van moeten nemen, dat ze aan een proces van transformatie onderhevig zijn? Hoe zou het moge­lijk zijn, vrienden, dat wat geboren is, ontstaan is, geconditio­neerd is, aan verval onderhevig is, niet zou vervallen? Die mo­gelijkheid bestaat niet.'”

            Zeven dagenlang werd het lichaam van de Boeddha vereerd en verheerlijkt. Zij brachten hem hulde met dans, gezang muziek, bloemenkransen en reukstoffen, met het maken van baldakijnen en ronde paviljoens. 

            Op de zevende dag werd de Boeddha gecremeerd. De as werd in acht gelijke proporties verdeeld om gebracht te worden naar de gebieden die hij vele malen bezocht had. Daar werden stoepas gebouwd voor de resten van de Verhevene en men vierde feest.[17]

Een kleine excursie

Of er in latere tijden rolprenten van Boeddha’s overlijden gemaakt zijn, weet ik niet. Mocht dat zo zijn, dan kan men verwachten dat de kunstenaars zich hielden aan de traditie en met kleine uitzonderingen de oude schilderingen kopieerden. In de westerse kunstgeschiedenis ligt dit anders. Daar gaan de schilders met hun tijd mee. In de renaissance en de romantiek wordt het drama van de dood van Jezus groot en plastisch uitgebeeld. Zie Rembrandts beroemde ets ‘De drie kruisen’. Jezus hangt tussen de twee misdadigers en er omheen is veel gewoel van volgelingen, vijanden en soldaten. Er valt een hemels licht op de heuvel van Golgotha. Goya schildert op een levensgroot doek Jezus aan het kruis in volstrekte verlatenheid. Een zwarte achtergrond, waar tegen het doodsbleke lichaam van Jezus scherp naar voren komt. Een uitgeput, van pijn doortrokken gelaat. Geen omstanders. Een wrede eenzaamheid. Een wrede dood.

                                   rembrANDT 2

Rembrandt van Rijn, De drie kruisen, ets, 1653, Rijksmuseum, Amsterdam.

 

                                                   Goya 2

                                      Francisco Goya, Jezus aan het Kruis, 1780

 Maar ik ga snel verder naar onze tijd toe. In 1966 werd in het Guggenheim Museum in New York voor het eerst ‘The Stations of the Cross, Lema Sabachthani’van Barnett Newman tentoongesteld. Bezoekers, vooral de katholieken, waren uiterst verbaasd. Men wist dat in ongeveer alle katholieke kerken kruiswegstaties te zien waren. Veertien schilderijen die zeer realistisch de gang naar Golgotha verbeelden. Op Goede Vrijdag loopt men in processie langs elke statie. Men knielt, overdenkt en bidt bij elke scène uit de lijdensweg. Sinds 1741 werd de kruisweg een verplicht onderdeel in alle rooms katholieke kerken. Het aantal was vastgesteld op veertien: 

  1. Jezus wordt ter dood veroordeeld. 
  2. Jezus ontvangt Zijn kruis. 
  3. Jezus valt voor de eerste maal.
  4. Jezus ontmoet Zijn moeder Maria.
  5. Simon van Cyrene wordt gedwongen om het kruis te dragen.
  6. Veronica droogt bloed van het gezicht van Jezus.
  7. Jezus valt voor de tweede maal.
  8. Jezus ontmoet de vrouwen van Jeruzalem.
  9. Jezus valt voor de derde maal.
  10. Jezus wordt van Zijn kleding beroofd.
  11. Jezus wordt aan het kruis genageld – de kruisiging.
  12. Jezus sterft aan het kruis.
  13. Het lichaam van Jezus wordt van het kruis afgenomen–de kruisafneming of kruisafname.
  14. Het lichaam van Jezus wordt in het graf gelegd.

De titel van de expositie wekte dus bepaalde verwachtingen. Maar toen men eenmaal door de museumzalen liep, zag men… ‘niets’. Dat wil zeggen men zag grote doeken, acryl en linnen, ongeveer 2 bij 1,50 meter, met gekleurde of zwarte vlakken en strepen, sommige leken wat uitgevloeid. Wat was hier nog de kruiswegstatie? Men kon zich er niets bij voorstellen.

 

                          Newman

Barnett Newman The stations of the cross: Lema Sabachthani. (1958-1966) Eerste statie. 

Newman maakte de schilderijen tussen 1958 en 1966. Hij is een generatiegenoot van Rothko, de Kooning en Pollack, zij het dat hij pas op latere leeftijd enigszins bekend werd. Zij hadden, elk op eigen manier, het picturale uit hun kunst verbannen. Realistische beelden schilderen kon niet meer. Zij stelden zich zeer elementaire vragen: wat is kleur? Wat doet een kleur? Wat doet een groot of klein vlak.? Ik heb ooit gehoord dat Newman op een ochtend een enkele streep zette op het doek en vervolgens daar de gehele dag naar heeft zitten kijken. Wat is een streep? Wat doet het met het vlak? Wat doet het met de kijker?

            Newman, evenals Rothko, schilderde grote vlakken, waarbij hij opmerkte dat men de neiging heeft deze op afstand te bekijken. Maar hij zei, dat je er juist dicht op moet gaan staan. De toeschouwer moet het indrinken. Kleur is emotie, gevoel. Newman: ‘Mijn doeken zijn niet vol omdat ze vol kleuren zijn, maar omdat kleur de volheid schept. Waar ik mee bezig ben is de volheid ervan. Het is voor mij interessant om te zien hoe moeilijk het voor veel mensen is om de intense hitte en gloed van mijn kleuren te incasseren..‘Ik heb nooit met kleuren gemanipuleerd. Ik heb geprobeerd kleuren te scheppen.’ [18]

            Over zijn kruiswegstaties zegt hij: ‘De titel moet als metafoor voor mijn gevoel bij het schilderen van deze beelden staan. Hij moet niet letterlijk worden verstaan, maar als aanduiding. Elke kruiswegstatie in mijn werk was ook een statie in mijn persoonlijk leven – in mijn leven als kunstenaar. Het is een uitdrukking daarvoor, hoe ik gewerkt heb. Ik was een pelgrim bij het schilderen.’[19]

            In de catalogus van de tentoonstelling schreef Newman een ‘statement’. Ziehier de volledige tekst:

Lema Sabachtani– waarom? Waarom heb je mij in de steek gelaten? Waarom mij verlaten? Waarom? Dit is het Lijden. Dit is het protest van Jezus. Niet de verschrikkelijke gang over de Vita Dolorosa, maar de vraag die geen antwoord heeft. Deze overweldigende kwestie, die niet klaagt, doet ons thans spreken over vervreemding, alsof vervreemding een moderne uitvinding is, een schaamte. Deze vraag die geen antwoord heeft, is al zo lang met ons geweest – sinds Jezus – sinds Abraham – sinds Adam – de oorspronkelijke vraag. Lema? Met welk doel – is de onbeantwoordbare vraag van menselijk lijden. Kan het Lijden uitgedrukt worden door een reeks anekdotes, door veertien sentimentele illustraties? Vertellen de staties niet van één gebeurtenis? De eerste pelgrims liepen over de Vita Dolorosa om zichzelf te identificeren met het oorspronkelijke moment, niet om het te reduceren tot een vrome legende; zelfs niet om het verhaal van één mens en zijn doodsangst te vereren, maar om te getuigen van het verhaal van de doodsangst van elk mens; de doodsangst die individueel is, voortdurend, onverminderd, dwingend –wereld zonder einde. ‘Zij die geboren zijn moeten sterven – Tegen uw wil werd U gevormd –Tegen uw wil werd U geboren – Tegen uw wil moet u leven – Tegen uw wil sterven.’ Jezus hoorde deze woorden zeker van de Pirqe Abot,[20]de Wijsheid van de vaders.’ Niemand krijgt van iemand permissie om geboren te worden. Niemand vraagt om het leven. Wie kan zeggen dat hij meer toestemming heeft dan iemand anders?’

Voor Newman is elke statie uitdrukking van doodsangst. Evenals de gelovige uitgenodigd wordt langs de veertien staties van de Vita Dolorosa te trekken en zich te identificeren met het lijden van Jezus, de historische afstand tussen hem en Jezus te overbruggen en te ervaren dat Jezus dus eeuwig lijdt, zo wordt de toeschouwer uitgenodigd langs deze schilderijen te trekken, zodat zijn ervaring dezelfde wordt als die van de kunstenaar. Newman beschouwt de staties als fasen van een continue doodsangst en niet als een serie van gescheiden episodes.

            Aan de titel van zijn staties voegde hij de laatste woorden van Jezus ‘Lama Sabachthani’ toe. De gehele groep beschouwde hij als één schreeuw.

            In een sleuteldocument waarin Newman zijn intenties uiteenzette, bespreekt hij zijn kunst als expressie van een natuurlijk verlangen naar het verhevene: het sublieme.

‘Wij doen opnieuw het natuurlijke menselijke verlangen naar het verhevene gelden, naar een betrokkenheid met onze verhouding tot de absolute emoties. Wij hebben de verouderde rekwisieten van een ouderwetse legende met een antiek gemaakt voorkomen niet nodig. Wij scheppen beelden waarvan de realiteit uit zichzelf duidelijk is, en die ontdaan zijn van de stutten en steunen die associaties oproepen met ouderwetse beelden, of die nu schoon of subliem zijn. Wij bevrijden onszelf uit de belemmerin­gen van de herinnering, associatie, nostalgie, legende, mythe of wat dan ook, die de hulpmiddelen van de wes­terse schilderkunst geweest zijn. In plaats van kathedra­len te maken van Christus, de mens of het 'leven', ma­ken we [ze] uit onszelf, uit onze eigen gevoelens. Het beeld dat we voortbrengen, is het uit zichzelf evidente beeld van een openbaring, reëel en concreet, dat door ie­dereen begrepen kan worden die er zonder de nostalgi­sche bril van de geschiedenis naar kijkt.’[21]

Newman toont zich hierverwant met de mystieke traditiesvan de negatieve weg. Alle beelden, vormen, gedachten, omschrijvingen, voorstellingen worden achtergelaten opdat de ervaring, het gevoel overblijft.

            Voor een indruk kies ik twee staties: de eerste en de dertiende. Ze tonen een spectaculaire gebeurtenis en vragen een affectief schouwen. De wisseling wit-zwart. Zwart: de schreeuw, het gehele lijden van Jezus. De mens als gekruisigde. Het lijden van de mens met God.

 

                        Newman2

                                    Barnett Newman, De dertiende Statie.

 

Tot op heden herdacht.     

Tempels die een rolprent van Boeddha’s nirwana in hen bezit hebben, tonen dit kunstwerk een keer per jaar aan het publiek en wel op 15 februari. De15e van de maand geldt als memorial day van Boeddha’s verlichting.

            In Kusinara is een stupa en een tempel opgericht ter herinnering aan Boeddha’s dood. Tot op de dag vandaag komen pelgrims van alle boeddhistische denominaties om tot de Boeddha te bidden en hem eer te bewijzen met wierook en bloemen.

Gal Vihara, Polonnaruwa, een beroemde rotstempel in Sri Lanka uit de twaalfde eeuw, trekt duizenden pelgrims naar de liggende boeddha, een beeld van veertien meter lengte. Het hoofd van de Boeddha rust op een kussen versierd, met een leeuwenkop, herinnering aan zijn Verlichting die de kracht had van de schreeuw van een leeuw. De voetzolen zijn versierd met lotusbloemen. De Boeddha ‘slaapt’, rustend op zijn linkerzij. 

 

                    nirwana 2

         De liggende Boeddha, Gal Vihara, Polonnaruwa, Sri Lanka, 12 eeuw.

Het kruisbeeld hangt in bijna alle katholieke huizen aan de kamermuren. In Jerusalem is op de vermeende plaats van Jezus’ dood de Grafkerk oftewelVerrijzeniskerk gebouwd. De kerk kent een geschiedenis van soms bloedige incidenten vooral tussen moslims en christenen, maar ook tussen verschillende christelijke groeperingen onderling. Sinds 1852 wordt de kerk beheerd door zes christelijke confessies: het Grieks-orthodox patriarchaat van Jeruzalem, de Rooms-Katholieke Kerk (de orde der Franciscanen) en de Armeens-Apostolische Kerk voor de binnenkant van het gebouw, Syrisch-Orthodoxe Kerk van Antiochië, de Koptisch-Orthodoxe Kerk en de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk.

Meditatie. Het voorbeeld dat Shakyamuni Boeddha gaf bij zijn sterven. 

Het sterven van de Boeddha, zijn binnengaan in nirvana, wordt in de canon beschreven als een meditatieproces. Meerdere keren doorloopt hij de cirkelgang van de dhyanas. Zoals Anarudddha opmerkt, heeft de Boeddha nog niet het echte sterven bereikt. Na het ophouden van voorstelling en gevoelens keert hij terug naar de eerste dhyana, doorloopt de cyclus tot en met de achtste, begint weer bij de eerste, tot hij de vierde bereikt. Pas bij de laatste gaat hij daadwerkelijk het nirvana in.

            Ongetwijfeld is de mediterende, zittende Boeddha het meest iconische van alle Boeddhabeelden. Omdat ik de Boeddha wil volgen, wil ik de meditatie beoefenen, zoals hij die geleerd heeft: zitten, zoals hij zat onder de bodhiboom. Dat wil zeggen met een stil, onbeweeglijk lichaam, de rug zacht gestrekt, de aandacht gericht op een vast punt. De Nirvana Sutta beschrijft wat bij dit herhaalde en lange zitten inwendig gebeurt en het wordt beschreven in termen van acht dhyanas, acht stadia van contemplatie. Dhyana is Sanskriet (in Pali jhana) voor concentratie, absorptie, verzonkenheid. Het is het achtste element van het achtvoudige pad, wellicht het minst besproken en in het Westen zelden vermeld, laat staan beoefend. Toch zeggen de dhyanas veel over de rijkdom en mogelijkheden van de boeddhistische meditatie. Zonder dat het in deze volgorde hoeft te gebeuren, beschrijven zij hoe het denken of het intentionele bewust steeds dunner wordt tot het – ten minste voor een moment – verdwenen is. Overigens kent ook de christelijke mystiek deze contemplatieve toestanden, al worden zij in andere woorden beschreven. 

De eerste vier heten materiële dhyanas, de tweede vier immateriële dhyanas. Om ze enigszins te verduidelijken volg ik een wat uitgebreidere versie van de Maha-Sukuludayi Sutta:

En verder, Udayin, heb ik aan mijn leerlingen de weg verkondigd welke volgend zij de vier meditatiestadia ontwik­kelen. Hierbij gaat een monnik, afstand genomen hebbend van zintuiglijke geneugten, afstand genomen hebbend van onheil­zame geestestoestanden, het eerste meditatiestadium binnen, dat vergezeld gaat van nadenken en overwegen, uit afzonde­ring geboren is en gekenmerkt wordt door vreugde en geluk, en verblijft daarin.

            Hij overgiet dit lichaam met uit afzondering geboren vreug­de en geluk, hij doordrenkt, vervult en doordringt het ermee; er is geen plekje in zijn hele lichaam dat niet doordrongen is met uit afzondering geboren vreugde en geluk.

Doel van Boeddhistische meditatie is inzicht, Vipassana. Het betreft een heldere blik op de werkelijkheid als zijnde onderhevig aan vergankelijkheid, aan lijden en zonder zelf, dit wil zeggen zonder vaste kern. Het groeien van dit inzicht wordt ondersteund door de beoefening van kalmte en rust, Samatha, een verstilling van geest.

Meditatie[22] in de Pali-canon is een heel traject. Voor men tot de eigenlijke zitmeditatie komt, dienen er enkele voorwaarden vervuld te worden. In de eerste dhyana worden zij genoemd: afstand nemen van het zoeken naar zintuiglijke geneugten en van onheilzame geestestoestanden. Dat gebeurt op de eerste plaats door het onderhouden van de voorschriften. Wie een verantwoord ethisch leven leidt, heeft een goed geweten en innerlijke rust. En dat is een gunstig uitgangspunt voor meditatie. Mochten tien voorschriften te veel zijn, het verzorgen van de eerste, niet doden oftewel geen geweld, omvat alle anderen. Want elk breken van welk voorschrift dan ook, is een geweldpleging, fysiek, verbaal of geestelijk.

Een tweede beoefening is het bewaken van de poorten van de zintuigen. Bij het zien van vormen niet opgaan in de hoofdkenmerken van het geziene, noch in de details. Het vraagt een beheersing van de zintuigen om naar binnen gericht te kunnen zijn. 

Een derde beoefening: het vertrouwd raken met aandacht en oplettendheid ofwel ‘mindfull’ kunnen zijn. Ten slotte, de kunst van het opheffen van de vijf hindernissen: begeerte, haat, traagheid, piekeren en twijfel. Toegerust met deze houdingen, ontstaat er enthousiasme, enthousiasme wekt vreugde en vreugde wekt aandacht. En het is gemakkelijk om je op vreugde te concentreren. En zo komen we bij de eerste dhyana.

Overigens zijn dit geenszins alleen maar voorbereidende oefeningen. Zij vormen een levenslange training. En verder is het goed te zien hoe tijdens de zithouding alle vier tegelijkertijd aanwezig zijn: een krachtig, helder en aanwezig zitten verdrijft de vijf hinderen; er is aandacht; de zintuigen krijgen tijdens zazen zo min mogelijks prikkels, zij worden aan vasten gezet en zolang we op het kussen stil en onbeweeglijk zitten– welk voorschrift wordt dan niet onderhouden? Aldus de retorische vraag van Dogen Zenji.

Hoewel er hier sprake is van een formele meditatie beoefening, kunnen de dhyanas ook voorkomen in ons gewone leven. Ik stel me voor: je gaat zitten op een bankje in een park. Je hebt je zorgen en bezigheden even achter je gelaten, genietend van het zonnetje en je mijmert wat over gisteren, vandaag of over de dag van morgen, je ziet de kinderen spelen, een hond die snuffelend langs komt, je bekijkt een boom, je bewondert de wolken en je voelt je heel behaaglijk, tevreden, rustig, kalm. Dan richt je de aandacht op een gelukkige herinnering, onlangs of uit je jeugd. Roep alle details helder op en doordring het gehele lichaam met de vreugde die dit brengt, zodat alle poriën ervan vervuld worden. Het verzinken in die heerlijkheid, die vanzelf ontstaat, is het binnengaan in de eerste dhyana. Het verlichtingsverhaal van de Boeddha vertelt hoe hij de eerste dhyana bereikte.

Na enkele vruchteloze pogingen zette de Boeddha alles op alles om verlicht te worden. Hij was bereid, desnoods ten koste van zijn leven, de ergste zelfkwellingen te ondergaan.  Zo probeerde hij zolang mogelijk zijn adem in te houden tot zijn hoofd bijna uit elkaar barstte. Het bracht hem geen verlichting. Toen besloot hij te vasten: niets te eten, niets te drinken. Het bracht hem op het randje van de dood. Uitgeput bedacht hij dat hij nu wel alle ascetische oefening zonder succes had uitgeprobeerd. Toen herinnerde hij zich dat hij eens als kind in zijn eentje onder een boom zat, terwijl zijn vader op het land aan het werk was. En dat hij zich gelukkig voelde. Ineens kwam de gedachte bij hem op: misschien moet ik niet de pijn, het lijden zoeken, maar die vreugde binnengaan. Sterker, misschien moet ik niet bang zijn voor de vreugde! En aldus nam hij die vreugde tot zich. Dat werd voor Shakyamuni het bereiken van de eerste dhyana. Het betekende voor de oude Indiase spiritualiteit een revolutie. Tot die tijd overheerste de opvatting, dat alleen door strenge ascese verlichting bereikt kon worden.[23]

Wie zenmeditatie wil leren, wordt altijd aanbevolen om zich te vestigen in een gegronde fysieke houding en aandachtig de ademhaling te tellen. Dat is een moeilijke, maar goede beoefening. Het vraagt enig geduld en doorzettingsvermogen voordat het zitten enigszins probleemloos wordt. Het tellen van de ademhaling wordt echter nooit ‘gemakkelijk’, al doe je dit dertig jaar. Maar voor een introductie in zazen is het de moeite waard, de instructie voor de eerste dhyana niet te vergeten: te zitten met een vreugdevolle herinnering en het zittende lichaam daarmee te overgieten. De concentratie op vreugde is moeiteloos en uiterst aangenaam. Men ervaart simpelweg ‘bliss’, gelukzaligheid. En ook al zweeft de geest weer naar een andere gedachte, in die zittende houding is het eenvoudig om naar dit geluk terug te keen.

Vervolgens, Udayin, bereikt een monnik door het tot
rust komen van nadenken en overwegen innerlijke vrede en 
eenpuntigheid van geest, gaat hij het tweede meditatiestadium 
binnen, dat vrij is van nadenken en overwegen, uit concentratie
geboren is en gekenmerkt wordt door vreugde en geluk, en
verblijft daarin.

            Hij overspoelt dit lichaam met uit concentratie geboren vreugde en geluk, hij doordrenkt, vervult en doordringt het ermee; er is geen plekje in zijn hele lichaam dat niet doordron­gen is met uit concentratie geboren vreugde en geluk.

In de tweede dhyana is het gericht zijn op een object, nadenken en overwegen, weggevallen. Er is vreugde zonder bepaalde reden. Het geluksgevoel ontstaat uit de concentratie zelf. De eenpuntige gerichtheid - bv. op de ademhaling, een woord of een beeld – veroorzaakt het stil leggen van het denken en maakt aldus ruimte voor een gelukkige staat van zijn.

            Vervolgens, Udayin, verwijlt een monnik door het op­houden van vreugde in gelijkmoedigheid en aandacht, in volle bewustheid en ervaart hij lichamelijk geluk, hetgeen de edelen beschrijven als "gelijkmoedig, aandachtig, verwijlend in ge­luk"; zo gaat hij het derde meditatiestadium binnen en verblijft daarin.

            Hij overspoelt dit lichaam met geluk dat vrij is van vreug­de, hij doordrenkt, vervult en doordringt het ermee; er is geen plekje in zijn hele lichaam dat niet doordrongen is met geluk dat vrij is van vreugde.

Is in de tweede dhyana nog van vreugde sprake die bewerkstelligd wordt, in deze derde dhyana is zij meer een geschenk, een genade, een welbehagen dat toebedeeld wordt. Hier vindt nog ondersteuning plaats door middel van éénpuntige gerichtheid en met behulp van de nu optredende gelijkmoedigheid, dat wil zeggen een gemoedstoestand die niet afhankelijk is van vreugde of verdriet.

            Vervolgens, Udayin, gaat een monnik, na het achterlaten van geluk en na het achterlaten van lijden en omdat vroeger al blijdschap en neerslachtigheid verdwenen waren, het van leed en geluk vrije, door zuivere gelijkmoedigheid en aandacht ge­kenmerkte vierde meditatiestadium binnen en verblijft daarin.

            Hij zit terneer, dit lichaam met een geheel zuivere, geheel gelouterde geest doordringend; er is geen plekje in zijn hele lichaam dat niet met deze geheel zuivere, geheel gelouterde geest doordrongen is.

In dit vierde stadium is ook de vreugde achter gelaten. Met deze blijdschap wordt vooral bedoeld een spiritueel enthousiasme over het gaan van de geestelijke weg. De neiging is groot voor deze gelukzaligheid ‘een tent te bouwen’, omdat we hier graag zolang mogelijk willen wonen. Overblijven alleen nog aandacht en zuivere gelijkmoedigheid (Pali upekkha). De geest verkeert in een toestand van volkomen evenwicht. Lijden is even welkom als geluk, en dat geldt voor regen en zonneschijn, ziekte en gezondheid. In het oude Boeddhisme van de Pali-canon is gelijkmoedigheid de belangrijkste deugd boven mededogen. De Boeddha gaat het uiteindelijke nirvana eerst binnen dankzijde contemplatie op gelijkmoedigheid. 

De vierde dhyana, verdiept door heilige onverschilligheid en waakzaamheid, representeert een uiteindelijke staat van bevrijding, voorbij de tegenstellingen geluk en verdriet, leven en dood, verlichting en onwetendheid. Deze vrijheid noemt het Boeddhisme nirvana. Er vindt een nieuwe geboorte plaats.Van hieruit toont zich compassie. Compassie is de voltooiing van contemplatie en contemplatie is de realisatie van compassie. Hier komen de vier onmetelijkheden in het zicht, de brahmavihara: oneindige welwillendheid, medevreugde en compassie. De vier dhyanas en de vier onmetelijkheden zijn tweeling bergen met als top: upekkha: onverschilligheid of beter belangenloosheid. Stap voor stap door de vier dhyanas gaan is stap voor stap afzien zonder voorbehoud van al het aardse incl. alle vreugde en geluk ook van religieuze aard.

Wat blijft er voor het bewustzijn als het zijn binnenste eenzaamheid is binnengegaan? In de staat van upekkhawordt men een nieuw persoon. Gelijkmoedigheid transformeert.Men treedt opnieuw de wereld binnen. Het mysterie van deze geest van gelijkmoedigheid bestaat in het feit dat er twee tegenstrijdige tendensen zijn: het meest inwendige is in staat zich plotseling om te keren en om extern te functioneren. 

Dankzij de passage door de vier dhyanas kan de contemplatieve houding zichzelf achterlaten en zich wenden tot degene die lijden. Deze uiteindelijke top van contemplatie, die, terwijl hij in zichzelf blijft, een voortdurende beweging ten toon spreidt en de ander raakt, noemen we compassie of compassievolle contemplatie Deze hoogste en meest eenzame top representeert een staat waar het ene bewustzijn het andere raakt zoals de toppen van een berg elkaar groeten.[24]

Ziehier het mysterie van contemplatie. We denken dat contemplatie nog aangevuld moet worden met actie. Maar contemplatie is actie en leidt van nature, van uit zichzelf tot actie. Het meest passieve wordt het hier meest actieve. Er hoeft niets bedacht te worden. De staat van gelijkmoedigheid is de groots denkbare staat van onthechting en daarmee tegelijkertijd de grootst mogelijk liefdevolle hechting aan de wereld. De vier onmetelijkheden die in de totale leegte van gelijkmoedigheid direct en onbeperkt optreden, verspreiden zich zonder moeite grenzeloos, zoals in een Sutta beschreven wordt:

Met een geest vervuld van liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid doordringt hij zo lang als mogelijk één windstreek, evenzo de tweede, de derde en de vierde. Aldus doordringt hij de hele wereld zo lang als mogelijk overal, alom, naar boven, naar beneden en horizontaal met een geest vervuld van liefdevolle vriendelijkheid, mededogen, medevreugde en gelijkmoedigheid, wijds, groots, onmetelijk, vrij van haat en vrij van boosaardigheid.

Net zoals een krachtige trompetspeler met weinig moeite van zich laat horen in de vier windstreken, zo slaat hij, door de ontwikkeling van liefdevolle vriendelijkheid en bevrijding van het hart, daarbij van alles wat geschapen is niets over en blijft hij bij niets stilstaan. Dit is de weg die leidt tot vereniging met de Brahma‑goden.’ [25]

De verleiding ligt voor de hand. Wie een geestelijk pad volgt, wil graag zijn inspanningen beloond zien. Niet alleen door te weten zelf op de goede weg te zijn, maar dat ook anderen kunnen zien dat individuele meditatie en contemplatie waardevol zijn Zo ontstaat de vraag naar maatschappelijke relevantie, naar het nut ervan voor de samenleving. De waarde van de innerlijke weg moet getoond worden in goede werken, sociale verbondenheid. Als het niet gezien wordt in handelingen, dan is het mystieke pad waardeloos. Natuurlijk is een deugdzaam leven en sociale betrokkenheid lovenswaardig. Maar het is prijzenswaardiger om die wens voor maatschappelijke relevantie achter zich te laten en te vertrouwen op de onkenbare werking van de contemplatie. Zelfs al zou objectief aangetoond worden dat de contemplatieve weg nergens tastbaar toe leidt, dan blijft het de moeite waard in deze staat van totale onthechting te blijven rusten, ook al verkeren we in grote onwetendheid omtrent resultaten: vertrouwen dat niet ik, maar contemplatie zelf het werk zal doen. De Boeddha leerde totale onthechting en wordt dan ook bekritiseerd vanwege veronderstelde onverschilligheid jegens zijn naaste en de wereld. Maar hij leerde onthechting omdat alleen in een volledig achterlaten van alles wat we weten, verlangen en bezitten, de innerlijke ruimte geschapen wordt die heilzaam is voor de wereld.

De Boeddha is niet de enige die deze onthechting leert. Meister Eckhart had diezelfde scherpte. Hij leerde de armoede van geest: niets te willen, niets te weten, niets te bezitten. En hij muntte hier voor een woord: Abgeschiedenheit, zuivere afgescheidenheid.In een fraai traktaatje [26]prijst hij deze afscheidenheid als hoogste, boven de liefde: ‘Want het voornaamste van de liefde is dat zij me dwingt God lief te hebben, terwijl daarentegen afgescheidenheid God dwingt om mij lief te hebben. Het is veel heerlijker om God naar mij toe te dwingen dan mezelf naar God toe. En dat komt omdat God zich voegzamer in mij kan voegen en zich beter met mij kan verenigen dan ik me zou kunnen verenigen met God.’ 

God kan een vrij en ontledigd hart niet voorbijgaan. Afgescheidenheid blijft altijd in zichzelf staan. ‘Volkomen afgescheidenheid kent geen enkele neiging om zich onder of boven een schepsel te plaat­sen; ze wil onder noch boven zijn, ze wil dus op zichzelf staan, voor niemand ten goede of ten kwade, zij streeft geen gelijkheid of onderscheid met enig schepsel na, zij wil niet dit of dat: zij wil niets anders dan zijn. Dat bete­kent niet dat zij dit of dat wil zijn. Immers, wie dit of dat wil zijn, wil iets zijn, terwijl afgescheidenheid juist niets wil zijn. Daarom legt zij op geen enkel ding beslag.’

Eckhart prijst afgescheidenheid ook boven barmhartigheid. ‘Want barmhartigheid betekent dat de mens uit zichzelf treedt om zich te wijden aan de noden van zijn medemensen, waardoor zijn hart wordt bezwaard. Daarvan blijft afgescheidenheid geheel vrij, zij blijft in zichzelf en laat zich door niets bezwaren; zolang er iets is dat de mens bezwaart, is het niet goed met hem gesteld. Kortom: alle deugden in beschouwing nemend, vind ik er niet een, die zo zonder gebreken de mens met God verbindt als afgescheidenheid.’

Ten slotte, geeft Eckhart nog een omschrijving: ‘Nu kun je vragen wat afgescheidenheid precies is, omdat ze zo buitengewoon edel is van zichzelf. Weet dan, dat echte afgescheidenheid niets anders is dan dat de geest even onbeweeglijk tegenover alles staat wat op hem afkomt aan liefde en leed, eer, schande en smaad als een berg van lood tegenover een zwakke wind. Deze onbeweeglijke afgescheidenheid brengt de mens tot de grootste gelijkheid met God.’ Alsof ik de Boeddha hoort preken over gelijkmoedigheid.

De Boeddha en Eckhart spreken hier over een zuiver geestelijk proces. Zij speculeren niet over hoeveel materiële zaken je al of niet mag bezitten: een huis, een auto, mooie kleren, noch hoeveel er op je bankrekening mag staan. Je kunt welvarend zijn en toch geestelijk volkomen onthecht, zoals je aan weinig bezit dodelijk verknocht kan zijn. De Boeddha was trouwens voor welvaart. Want dankzij een welvarend bestaan, heeft men de gelegenheid zich te wijden aan het geestelijk leven. Materiële armoede is een slechte voorwaarde.

Deze contemplatieve weg heeft de Boeddha ons voorgeleefd met zijn dood. Hij ging het nirvana binnen, zoals gezegd, na het bereiken van de vierde dhyana. Zijn totaal ophouden, zijn volledig verdwijnen keerde zich om in een ongekende ontplooiing van aanwezigheid en werkzaamheid. Tot op de dag van vandaag, op grotere schaal dan tijdens zijn leven, geeft de Boeddha onderricht – wereldwijd. Dit is het karma van de contemplatie, waarvan de persoon in kwestie geen idee heeft.

In de Pali-canon staan nog andere formuleringen van de dhyanas. Hiervan een voorbeeld waarbij bovendien de vier immateriële dhyanas of ‘sferen’ worden genoemd en omschreven:

‘En verder, Udayin, heb ik aan mijn leerlingen de weg verkondigd welke volgend zij de acht bevrijdingen ontwik­kelen. Zelf een vorm hebbend ziet men vormen. Dit is het eerste stadium van bevrijding.Zich niet bewust van de vormen van het eigen lichaam, ziet men buiten zich vormen. Dit is het tweede stadium van be­vrijding.

            Hij richt zijn aandacht op de schoonheid [van het meditatie­object]. Dit is het derde stadium van bevrijding.

            Na het geheel overstijgen van de voorstelling van vor­men, na het ophouden van de voorstellingen van weerstand,na het uitschakelen van de aandacht voor de voorstelling van de veelheid der dingen stelt men zich voor dat de ruimte oneindig is en betreedt zo de sfeer van oneindigheid van de ruimte en verblijft erin. Dit is het vierde stadium van bevrijding.

            Na de sfeer van oneindigheid van de ruimte geheel over­stegen te hebben, stelt men zich voor dat het bewustzijn oneindig is en betreedt zo de sfeer van oneindigheid van het bewustzijn en verblijft erin. Dit is het vijfde stadium van be­vrijding. 

            Na de sfeer van oneindigheid van het bewustzijn geheel overstegen te hebben, stelt men zich voor dat er niets is en betreedt zo de sfeer van nietsheid en verblijft erin. Dit is het zesde stadium van bevrijding.

Na de sfeer van nietsheid geheel overstegen te hebben, be­treedt men de sfeer van noch-voorstelling-noch-geen-voor-stelling en verblijft erin. Dit is het zevende stadium van be­vrijding. 

            Na de sfeer van noch-voorstelling-noch-geen-voorstelling geheel overstegen te hebben, bereikt men de uitdoving van voorstelling en gevoel en verblijft erin. Dit is het achtste sta­dium van bevrijding. En daarbij hebben vele leerlingen van mij blijvend de perfectie van direct inzicht bereikt.[27]

De geest is oneindig plooibaar en kent vele subtiele vormen.  Al wordt het bij de laatste vier dhyanas steeds moeilijker er iets bij voor te stellen. En dat lijkt ook wel de bedoeling. Toch komen er enkele interessante, contemplatieve thema’s aanbod: zelf een vorm hebben en vormen zien; zonder besef van eigen lichamelijke vormen lichamelijke vormen zien; schoonheid zien; ervaring hebben van oneindige ruimte; de ervaring van een oneindig bewustzijn; de sfeer kennen van ‘niets’; de sfeer kennen van noch voorstelling, noch geen voorstelling; de uitdoving van voorstelling en gevoel.

 Hoewel ‘Zen’ van het Chinese Chan komt, dat weer een verbastering is van het Indiase Dhyana, wordt in de zentraditie weinig of geen aandacht gegeven aan deze acht stadia van contemplatie. De nadruk hierop kent ook zijn problemen. Op de eerste plaats is het zeer moeilijk weten of men in een dergelijke fase van ontwikkeling verkeerd. Vervolgens leidt het gemakkelijk tot de begrijpelijke maar dodelijke vraag: hoever ben ik reeds gevorderd? Elke indeling of fasering van het geestelijk pad, zoals bijvoorbeeld ‘de plaatjes van de os’, behalve dat ze ons informeren over wat we op de Weg kunnen verwachten, kennen ook deze verleiding.         Ten slotte zou men kunnen denken, dat met het bereiken van de achtste dhyana het spirituele werk voltooid is. En dat is een grote illusie. Het begint weer gewoon van voren af aan. ‘Doel bereikt, missie voltooid’, komt in het mystieke vocabulaire niet voor.

In de beoefening van zazen wordt erop vertrouwd, dat de sferen van de dhyanaszich in de loop van de tijd ‘als vanzelf' voordoen en doorlopen worden. Dus ook geen zorgen over een mogelijke volgorde. Zazen doet vastgestelde, mentale grenzen smelten, waardoor de geest een open ruimte kan worden voor werkelijkheid. Zoals Dogen zegt: ‘Jezelf vergeten is verlicht worden door de tienduizenden dingen.’

Ook in de koanstudie, waarbij men zich concentreert op een verhaal, een zin of een woord, komen deze dhyanas op natuurlijke wijzeaanbod. Al wordt het niet zo genoemd. Soms zeer expliciet. Een koan over ‘het hebben van een vorm die vorm ziet’ en ‘geen bewustzijn van een lichaam en toch vormen zien’, is deze: ‘Goso zei: Wanneer je een mens ontmoet van de Weg, groet hem niet met woorden, groet hem ook niet met zwijgen. Zeg me, hoe groet je hem?’ Door zich te concentreren op het groeten verdwijnt de vorm van het groeten, zowel van spreken, als van zwijgen. En met het voorbijgaan van het dilemma, ontstaat de groet, omdat er wel degelijk ‘een vorm’ staat tegenover degene die geacht wordt te groeten. Misschien klinkt dit wat cryptisch, maar als je daadwerkelijk met dit gegeven aan het werk gaat, dient de ‘oplossing’ zich moeiteloos aan.

Door koanstudie leren we ook de grenzeloze ruimte van de geest kennen. Alle vormen kunnen in de geest onvervormd en ongecensureerd plaats vinden. Bovendien geldt voor elke koan noch-voorstelling-noch-geen-voorstelling. En de koan op het woord ‘MU,’ vaak als eerste aan een leerling gegeven, kan heel goed vervangen worden door het woord ‘nietsheid’ oftewel ‘niet iets’.

De zentraditie heeft dit achtvoudige schema vereenvoudigd door het gehele meditatieproces terug te brengen tot twee vormen van dhyanas: 1. een gerichtheid op één punt bv. de ademhaling of een koan; 2. geen gerichtheid op iets bepaalds, maar op ‘alles wat langs komt’, shikantaza. Beide vormen hebben eenzelfde doel: het verminderen van de kracht van gedachten, ideeën, denkbeelden, herinneringen, het verdunnen van elk ik-besef. Niet het doen verdwijnen van het ik, maar het geleidelijk doen slinken van zijn grijpgrage, vasthoudende kracht. En dat voelt als sterven. 

            In de meditatie wacht de volgeling van de Boeddha dus niet zijn fysieke dood af, maar anticipeert hij hierop met zijn bereidheid mentaal te sterven. Op de rouwkaart van de onlangs overleden Rob Janssen, samen met Jan de Breet de uitmuntende vertaler van de Pali-canon, staat een woord van de Boeddha: ‘Door de dood laat men dat achter waarvan de mens denkt: ‘Dit is van mij’. (Sutta-Nipata 806). Meditatie loopt op dit natuurlijke einde vooruit door het bezitsgevoel – mijnlichaam, mijnleven,mijnlijden, mijndood – te doen afsterven. De Boeddha noemde dit het vinden van het doodloze.

            Iemand vroeg Kodo Sawaki: ‘Is het waar dat de beoefening van zazen de angst voor de dood wegneemt?’ Hij antwoordde: ‘No way. Als je zazen beoefent, wordt je angst voor de dood groter.’ Dat zou zo maar kunnen. Maar Zenmeester Yokoyama gaf als zijn commentaar hierop: ‘Het is belangrijk om een doodloos mens te worden. Je moet het eeuwige leven kennen. Sterf en leef eeuwig – het gewone ik sterft, boeddha wordt geboren. Een mens die sterft terwijl hij leeft is de geboorte van de boeddha. Dat is de betekenis van ‘deze wereld is het Zuivere land’. Zazen is sterven. Dat betekent dat zazen een manier is om één te zijn met het universum. Zazen is een wijze van leven in het universum en in de eeuwigheid. Dood komt altijd. Je moet het universum onmiddellijk tot jezelf maken.’ 

Zazen is als sterven. Sterven is als zazen.

Lijdensmystiek.

De aandacht voor het lijden van Jezus ontstond in de geschiedenis van het christendom tamelijk laat. In de eerste eeuwen was de aandacht veel meer gericht op Jezus als de Zoon van God. De belangrijkste thema’s waren de verrijzenis of de Drie-eenheid. En natuurlijk Maria met het kind Jezus, vooral veel geschilderde Madonna’s. Meester Eckhart heeft het nergens over het lijden van Jezus. Tegen het einde van de middeleeuwen en met het opkomen van de renaissance, waar geleidelijk aan steeds meer de mens in het centrum van het denken kwam te staan, verschoof de interesse meer naar de menselijk kant van de Verlosser.

Franciscus van Assisi (1182 -1226) was wellicht één van de eerste die de mens Jezus tot middelpunt maakte van zijn mystieke weg. Hij wilde de verhalen en gebeurtenissen zoals die in de evangeliën opgetekend waren, letterlijk navolgen. Hij dacht aan niets anders dan aan de levende Jezus. Hij sliep, at, sprak en dacht als Jezus. Hij wilde arm zijn als Jezus, die ‘zelfs geen stenenkussen had om zijn hoofd op neer te leggen’. Franciscus trouwde daartoe, zoals hij dat uitdrukte, met ‘Vrouwe Armoede’. En hij preekte als Jezus, expressief, verhalend, beeldend. Hij citeert niet. Hij is zelf het vleesgeworden evangelie.

            Bovenal had hij een liefdevolle, onafgebroken aandacht voor het lijden van Jezus. Hij was bereid het lijden en de pijnen van de gekruisigde te dragen. Hij wilde zelf gekruisigd worden. Dagen- en nachtenlang was zijn aandacht krachtig en voortdurend gericht op de lijdensweg van de Verlosser. En hij werd de gekruisigde. Want wie zich concentreert, wordt datgene waarop men zich concentreert. Dit is bekend uit de meditatie praktijk. In een sterke, langdurig volgehouden aandacht op één punt, ont ledigt de geest zich om het voorwerp van concentratie ongecensureerd in zich op te nemen. Door het lijden van Jezus tot brandpunt van aandacht te maken, werd hij zo één met Jezus, viel hij zo samen met de kruisweg, dat zijn eigen lichaam het gefolterde lichaam van Jezus werd. Ten teken daarvan werden de stigmata, de vijf wonden van handen, voeten en de linkerzijde in zijn huid gekerfd. Thomas van Celano, één van zijn eerste volgelingen en zijn eerste biograaf vertelt het verhaal als volgt:

‘Twee jaar voordat hij zijn ziel aan de Schepper teruggaf, bevond de zalige Franciscus zich in het klooster op de berg Alverna. Daar zag hij in een visioen, iets boven zich, een man. Hij leek op een serafijn met zes vleugels en hing met uitgestrekte armen en samengebonden voeten aan een kruis. Twee vleugels reikten omhoog boven zijn hoofd, twee waren uitgestrekt als wilde hij gaan vliegen, en de twee overige bedekten zijn gehele lichaam. Bij het zien ervan was de zalige dienaar van de Allerhoogste uiterst verwonderd. Wat dit visioen hem te zeggen wist hij echter niet. Wel was hij er zeer verheugd over dat hij de Serafijn, wiens schoonheid onvoorstelbaar was, zo welwillend en liefdevol naar hem zag kijken. Dat hij evenwel aan het kruis geslagen was en zo’n wreed lijden onderging, gaf hem een geweldige schok. Toen hij zich dan ook oprichtte, was hij, om zo te zeggen, droevig en blij tegelijk. Nu eens had zijn vreugde de overhand, maar dan overmande de droefheid hem weer. Verward dacht hij erover na, wat dit visioen toch te betekenen kon hebben, en tot kwellens toe matte hij zich af om de eigenlijke zin te achterhalen. Hij kon er echter absoluut geen wijs uit worden en vooral het ongewone van het visioen, dat zo helemaal nieuw voor hem was, obsedeerde hem. Maar toen begonnen in zijn handen en voeten als het ware spijkers zichtbaar te worden, zoals hij die juist gezien had bij de gekruisigde man boven zich.

            Het leek alsof er midden door zijn handen en voeten spijkers geslagen waren. In de palm van zijn handen en op de wreef van zijn voeten zag men de spijkerkoppen, terwijl de punten er aan de andere kant uitstaken. Aan de binnenkant van zijn handen was de vorm ervan rond, aan de buitenkant langwerpig, terwijl daar een uitwas te zien was alsof een spijkerpunt van opzij krom geslagen was. Die uitwas stak boven de rest van het vlees uit. Zo waren er ook in de voeten een soort spijkers, eveneens uitstekend boven de rest. Verder was zijn rechterzijde als met een lans doorboord. Daar had hij een litteken. Dikwijls bloedde de wond echter nog en vaak droegen zijn habijt en lendendoek er de sporen van.’

Franciscus begreep niet wat hem overkwam. En het was niet alleen maar vreugdevol. Met de stigmata droeg hij ook de pijn van de wonden. De volgelingen die hem nabij waren, wisten er ook geen raad mee. Stom verbaasd stonden de broeders te kijken naar een ongekend wonder. En als ze Franciscus verzorgden en de wonden zagen, vroeg hij hen hier niet over de spreken. Hij was zelf nooit erg mededeelzaam over zijn mystieke ervaringen. Over zijn pijn sprak hij als over zijn 'lieve zuster'; de dood noemde hij 'onze zuster, de lichamelijke dood'.

Olivier Messiaen componeerde een groots oratorium over Franciscus. Alleen al het meemaken van dit vijf uur durende muziektheater is een mystieke belevenis. Hij schetst het leven van Franciscus in acht scènes, waarvan de zevende het krijgen van de stigmata toont. Het is nacht. Sint Franciscus ligt geknield midden op hettoneel. Hij bidt: ‘Heer Jezus Christus, verleen me twee gunsten voordat ik sterf. Als eerste: dat ik in mijn lichaam de pijn mag ervaren die gij in het uur van Uw wrede lijden hebtondergaan. Als tweede: dat ik in mijn hart de liefde mag ervaren die in u brandde, liefde, waardoor u dit lijden voor ons, zondaars, kon aanvaarden.’ Het koor, onzichtbaar, zingt fluisterend de woorden van Christus: ‘De mijnen heb ik liefgehad tot het uiterste, tot het einde, tot de Kruisdood, tot in mijn lichaam en bloed. Als je mij werkelijk wilt liefhebben en als de heilige Hostie je verder in mij transformeert, zal jein je lichaam de vijf wonden verdragen van mijn Gekruisigde Lichaam,’ Er verschijnt een groot zwart kruis. Het koor wordt vaag zichtbaar. Het zingt: ‘Ik ben het. Ik ben het. Ik benAlfa en Omega. Door Mij is alles tot stand gekomen. Ik heb de tijd en de ruimtebedacht en de sterren, het zichtbare en het onzichtbare, de engelen en de mensen enalle schepselen. Ik ben de Waarheid, het eerste Woord hij die de Geest schenkt,gestorven en verrezen is, Hogepriester voor eeuwig: Mens en God.’In Franciscus’ lichaam wordt het Gekruisigde Lichaam gekerfd. Het sacrale geweld, dat hem wordt aangedaan, klinkt in de donderende klanken van het slagwerk. De vijf wonden worden met ritmisch staccato, dreunendeslagen in het lichaam gesneden. De muziek verklankt de mengeling van hoogste vreugde met de ergste pijn. ‘Mijn Heer en mijn God,’ zingtFranciscus, zuchtend, kreunend, kermend. Zijn beul is zijn verlosser. Zijn kruisigingis tegelijk zijn verrijzenis. [28]

Na Franciscus ontstond er een traditie van grote godsvrucht voor het Lijden, de zogenaamde lijdensmystiek. Een mooi voorbeeld is Alijt Bake.[29]Zij werd geboren in 1415, vermoedelijk in Utrecht. Al in haar jeugd leidde zij een sterk spiritueel leven. In 1414 trad zij in het klooster Galilea te Gent, dat deel uitmaakte van het kapittel van Windesheim, centrum van de Moderne Devotie, een invloedrijke vernieuwingsbeweging, ooit begonnen door Geert Grote (1340 – 1383). Bij haar intrede in het klooster koesterde Alijt grote verwachtingen. Ze was een bevlogen vrouw, die vastbesloten was Christus na te volgen in de geest van de Moderne Devotie. In haar autobiografie - zij was de eerste vrouw die in het Nederlands haar ‘memoires’ op schrift stelde, beschrijft zij hoe zij algauw teleurgesteld raakte. Als beginnend kloosterling moest zij haar mond houden. Haar superieuren drukte haar op het hart vooral op haar fouten te letten en zich toe te leggen op uiterlijke activiteiten, waarin zij dienstbaar kon zijn. Maar Alijt was, zoals zij het formuleerde, ‘zeer in getrokken in die dingen die God haar in haar binnenste leerde’. Zij werd echter versleten voor eigenwijs, excentriek. Een visioen spoorde haar aan vast te houden aan haar inzichten. Het vertelde haar dat zij ondanks de afkeuring die haar ten deel viel, toch in het klooster moest blijven om haar medezusters te onderrichten.

            Intussen voelt zij zich steeds meer aangetrokken tot het Lijden van onze Heer. Zij beklaagt zich dat haar gedachten steeds afdwalen, dat zij zich niet kan concentreren. Uit wanhoop begint zij luidop tot God te bidden.‘Was ik ergens waar niemand het kon zien, dan was ik gewoon mij soms uit te rekken. Daarbij stond ik zo alsof ik ook gekruisigd was geweest. Dan viel ik af en toe net zo plat ter aarde of op de planken­vloer neer, ter gedachtenis aan Christus die met zijn kruis zo ter aarde stortte, dat zijn gezegend gelaat in de aarde stond afgedrukt, zoals ik in een preek had gehoord. Soms ook ging ik heel stevig tegen een paal, een boom of een deurstijl staan. Dat gaf mijzelf het idee dat ik daar samen met Christus vastgebonden stond. Soms sloegik mijzelf op het hoofd en duwde mijn vingers en nagels er zo stevig in als ik maar kon. Ik kneep mij en drukte de nagels in mijn handen, net of ik ze graag had willen doorboren. Mijzelf meende ik hierdoor te kunnen aanzetten tot devotie en zuiver medelijden met Christus. Op deze manier verkreeg ik die ervaring ook wel eens…’[30]

Uiteindelijk bereikt zij een hoge graag van eenheid met God:‘Tenslotte, toen het God geliefde, zorgde Hij ervoor overeenkomstig zijn wil. Ik voel­de mij zo buitengewoon goed, dat ik met intense vreugde en blijdschap van mijn hart van binnen en ook van buiten begon te roepen: 'O, Heer God, wat hebt U toch tot stand gebracht! Wat hebt U allemaal gedaan! Ik kan niet vatten wat U gedaan en tot stand gebracht hebt of hoe dat in zijn werk is gegaan. Het verbaast mij zeer, want ik voel dat mijn hart volkomen in uw hart veranderd is en uw hart in het mijne. Ze zijn nu zo aan elkaar gelijk geworden, dat ik er geen verschil tussen kan onderscheiden: welk hart nu het uwe of het mijne is. O Heer, U hebt mij nu volledig overtroefd, want U wilt dat ik kies, maar ik weet niet hoe ik een keuze moet maken. Ze zijn nu zo gelijk, dat er geen onder­scheid te zien of vast te stellen valt. Daarom kunt U elk hart geven dat U wilt. Ik ben er intens tevreden mee.'

Steeds wordt zij in haar binnenste door de Heer opgetild: ‘Met nieuwe liefde werd ik opnieuw ontstoken en daarmee vloog ik omhoog in God boven de serafijnen uit. Daar verloor ik mijzelf tot er slechts een grondeloos ‘niet’ resttein de afgrond van God. Daar ervoer ik minne boven alle zinnen, boven wat ooit een schepsel vatten kan…’ Geheel in de stijl van Ruusbroec schrijft zij: ‘Ik was geheel en al zonder wijze en manier… En even verderop; Dit gebeurde allemaal tijdens dit leven zonder dat het er aan de buitenkant van afstraalt… Mocht U desondanks willen weten wat dit is, luister danIk zal het u vertellen. Het is een grondeloos niet; het heeft geen beeld, geen vorm, geen gestalte. O, onbegrijpelijk Niet, waar ben Je, waar vertoef Je, waarheen leid Je ons die Je volgen? Tot de afgrond van de onbegrijpelijkheid Gods toch, tot waar Hem alles eigen is en waar Hij alles wezenlijk geniet in zichzelf, zonder belemmering van wat dan ook. Dit is echt de allerhoogste heiligheid die hier te verkrijgen is. Deze staat of graad is helaas zo hoog en zo verheven en ont­zagwekkend hoog boven welke staat in deze wereld ook. Zij is in een geestelijke verschijningsvorm die men met de geest kan omvatten, zoals God boven de engelen en de mensen is, om welke orde of staat het ook gaat. Deze staat is het begin en het einde en de zin van alles.Deze staat is alfa en omega, één met het goddelijk wezen, de mensheid van Christus overstijgend. Deze weg is niet te vinden in de mensheid van Christus van buiten, waarop de minderbroeders zich naar de letter zeer nauwgezet toeleggen, en die men met hart en ziel volgen kan. Het is in elk geval een zeer heilig leven op aarde voor hen die daar op de juiste wijze met een zuiver hart in wandelen.’

Haar autobiografie heeft niet de hoge, literaire kwaliteit van Hadewijch of Ruusbroec. Zij schrijft een minder fraai proza met veel herhalingen. Toch is dit een uitstekende mystagogische tekst. Wie zich aangetrokken voelt tot een inwendig leven dat uitsluitend is gericht op het goddelijke, vind hier goede raad en veel aanwijzingen. In een prachtige passage noemt zij het onderricht dat zij ontving door haar contemplatie op het Lijden: 

‘Onze lieve Heer onderwees mij de vier trappen of wegen van het Lijden. Daarvan wierp de eerste vruchten in mij af. Daardoor immers overwon ik al eigenaardigheden van de wereld die in mij actief waren en alle verleidingen en kwade fantasieën. De tweede trap vormde de omvangrijke, machtige, permanent ervaring van liefde en medelijden. Daarmee kwam ik tegen de grote liefde voor mijn medemensen tot zo'n intens, innerlijk, grenzeloos gevoel en medelijden, dat al mijn aderen doortrok. Dan voelde ik de verwondingen en de kwetsuren aan het hart zeven of acht dagen aan den lijve, zodat ik er toen nog niet overheen was. Hier werd ik volledig omge­vormd naar lichaam en geest, terwijl ik het vanbinnen voelde. Daardoor kon mij niets anders welgevallig zijn gedurende deze tijd dan innig met God verbonden te zijn door zulke oefeningen. Hierbij werd mijn lichaam zwaar geteisterd en raakte het danig verzwakt. Ik zou toen ernstig ziek geworden zijn, als God, onze Heer, niet met zijn goddelijk liefelijk onderricht geholpen had. Daar kwam Hij, mijn vertrouwde meester, mij mee tege­moet. Maar niets daarvan, de liefdevolle, beminnelijke Jezus voorkwam dat en leerde mij de derde weg: die der berusting. Deze bestond hieruit, dat Hij mij toen deel liet uitmaken van het geestelijk leerproces om het beter te begrijpen. Hij verklaarde mij elk punt van zijn lijden, alsook zijn woorden en zijn daden. Hij legde niet alleen uit wat er zich ten tijde van zijn lijden afspeelde, maar ook wat er bij zijn geboorte gebeurde, wat er vaak in het evangelie staat en ook overvloedig in de heilige Schrift voorkomt. Hij trok mij langs deze weg tot in zijn bin­nenste, in zijn open, liefdevolle hart dat vervuld was van goddelijke lering en goddelijk oordeel... Hierdoor drong ik dieper door, aan de hand van zijn liefdevolle onderricht, tot in de verborgen, verheven en afgrondelijke godheid. Daar ervoer ik het wezen van God als verheven boven al wat bestaat... Hieruit komt de grote kracht van de geest voort die niemand overtreffen kan, want zij vindt hierin haar fundament en niet in een of andere vreemde geest. Moge ik toch voor altijd en eeu­wig verkeren in volmaakte trouw die nooit of te nim­mer gebroken kan worden. Dat bid ik God. Voor ik hier zo diep in kwam, leerde onze lieve Heer mij eerst de wegen waarlangs ik er kon komen. Het ging daarbij om ... waarachtige ootmoed, aanhoudende gedrevenheid en zuivere gezindheid van hart ... het gaat daarbij om lij­den, laten en minnen.’[31] 

Hier is geen sprake van een sentimenteel verwijlen bij de lijdende en stervende Jezus. Dat zou nog altijd een afstandelijke benadering zijn. Maar in haar contemplatieve beoefening wordt Alijt de lijdende Christus. En in die vereniging vindt er onderricht plaats. Zij verneemt iets. De mystagogie noemt dit geschonken of ‘ingestorte’ kennis, in tegenstelling tot natuurlijke kennis, verworven dankzij eigen werkzaamheid.

Deze vereniging leidt haar weg uit de troebele ervaring van de wereld, als ook uit haar eigen slechte gedachten. Er ontstaat in haar een gevoel van grenzeloos mededogen voor alle schepselen. Zij voelt zich overspoeld door liefde. Wat niet wegneemt dat zij de pijn van de verwondingen dagenlang bleef voelen. Maar zij kon niet anders dan door haar oefeningen innig met God verbonden te willen zijn, ook al werd haar lichaam geteisterd en verzwakt. Maar zij leert berusting. En in die gelatenheid leert zij: dit lijden is waardevol. Het leidt haar naar de verborgen, afgrondelijke godheid. Zij wil nergens anders zijn dan te verkeren in Gods grondeloosheid, haar ‘onbegrijpelijk Niet’. Alijt vat de weg daarheen in drie woorden samen: ‘lijden, laten en minnen.’

Waarom is er in de geschiedenis van de spiritualiteit zo vaak sprake van een moeizame relatie tussen mystici en de autoriteiten? Macht wordt vaak als reden genoemd. Dat zal wel. Maar over het algemeen bleven de meeste verdachten toch braaf binnen de grenzen van de Kerk. Ik denk dat er nog iets anders speelt. De theologen, al of niet behorend tot de inquisitie, haddenook de taak de authenticiteit van alle beweringen en verklaringen te onderzoeken. Nep-mystiek kwam en komt veel voor. Wie de woorden kent, kan zich gemakkelijk als mysticus melden. Visoenen en verschijningen zijn te beschrijven zonder dat zij hebben plaats gevonden. Enig wantrouwen van hogerhand is wel te begrijpen. Maar hoe de mystieke ervaring en de kennis, die daaruit voortvloeit, bewezen kan worden, is een lastige zaak. Heilig gedrag en grote vroomheid zijn bewonderenswaardig, maar zeggen nog niets over het innerlijke leven. Het is te betreuren, maar niet vreemd dat gezagsdragers zich vaak vertild hebben. En daar komt nog iets bij, wat ik niet bewijzen kan, maar mij wel zeer goed kan voorstellen. Ik vermoed dat er bij theologen en zij die verantwoordelijk zijn voor de traditie, ook weleens sprake kan zijn van jaloezie, hetgeen het gesprek niet gemakkelijker of innemender maakt. De mystici hadden iets wat zij niet hadden: de mystieke ervaring. Zij is een zeer begerenswaardig goed. Maar het verkrijgen van de ervaring kent geen vaste regels. Ook al zijn er inspanningen en behulpzame oefeningen, de ervaring is niet afdwingbaar. Zij is een geschenk, wordt ons toegeworpen. Het lijkt er zelfs op dat al te grote inspanning van de wil, een al te heftige begeerte de ervaring in de weg staat.

            De mystagogen leren om naast de noodzakelijke werkzaamheid vooral passief, ontvankelijk te zijn, geduld te hebben, durven niets te doen en wachten. En als de mystieke ervaring uitblijft, of na één keer te zijn verkregen niet meer terugkomt, dan is er nog niets aan de hand.

            In zoverre is de wrijving tussen Alijt Bake en haar superieuren wel begrijpelijk. De verhouding tussen ascese en mystiek is delicaat. Beide zijn nodig, als twee vleugels zonder welke een vogel niet vliegen kan. Tegelijk is de mystiek niet vatbaar voor regelgeving. Er dient iets overgelaten te worden aan de spreekwoordelijke genade. Wanneer het mystieke leven al te zeer beoordeeld wordt aan de hand van uiterlijke praktijken, leerstelligheid en organisatorische eisen, dan raakt het verstikt. Wat overblijft is hooguit bewonderenswaardige vroomheid.

Juan de la Cruce, zoals zijn naam in het Spaans klinkt, had een grote liefde oor het kruisbeeld. Hij vertelt een bijzondere ervaring. Op een dag was hij verdiept in meditatie waarbij hij het lijden van Christus aan het kruis schouwde. Toen verscheen de Gekruisigde aan hem met wonden bedekt en met bloed overgoten. Deze verschijning was zo helder en duidelijk dat hij haar meteen kon vastleggen in een tekening. Dat Jan van het Kruis dit visioen vermeldt, is opvallend omdat hij zich nogal kritisch uitliet als het om visioenen, gehoorde woorden of openbaringen ging. Dat waren slechts bijkomstigheden van de mystieke weg.

            De tekening is bijzonder omdat het kruisbeeld in een perspectief staat dat men in die tijd niet kende. Je kijkt van boven af naar het kruis en het gezicht van Jezus is niet te zien. Het vergeelde blaadje papier wordt tot op de dag van vandaag bewaard in het klooster te Avila.

            Lijden is Jan van het Kruis niet bespaard gebleven. Hij was verdacht bij de inquisitie en ondervond veel tegenwerking van zijn eigen medebroeders voor zijn plannen om de karmelietenorde te vernieuwen. Maar behalve het lijden wat hem aangedaan werd, kende hij als geen ander het lijden dat het gaan van de mystieke weg met zich meebrengt. De mysticus wacht een ‘donkere nacht’, van twijfel, verlatenheid, inspiratieloos, lauwheid, zich zondig en slecht voelen, zonder vooruitgang te bespeuren. Dit kan lange tijd heel pijnlijk zijn, maar zegt Jan van het Kruis, deze nacht is voor de ziel als een kuuroord: de nacht zal de ziel gezond maken. Dit lijden aan de duisternis is niet te vermijden. Daarom: ‘… moetmen volledig begrijpen, dat men niet kan doordringen in de dichte rijkdom van Gods wijsheid –die veelzijdig is –tenzij door op vele wijzen binnen te dringen in de dichtheid van het lijden! Mocht de ziel hierin haar troost zoeken en hiernaar verlangen! Mocht men toch inzien dat een ziel, die werkelijk naar Gods wijsheid verlangt, allereerst het lijden verlangt, om in het compacte lijden van het kruis door te dringen!’ [32]

            Het gaan door de nacht is als een kruipen door een dicht struikgewas, waar je tastend en zonder wat te zien de weg moet vinden. Alleen door je moeizaam en met veel moed een weg te banen, kun je ontdekken wat daar verborgen ligt:

‘Daarom kan men onder dit dichte kreupelhout, waarin de ziel hier wenst door te dringen, ook heel goed verstaan de dichtheid en veelheid van wederwaardigheden en beproevingen. Daarin wenst de ziel door te dringen in zover lijden nu voor haar zeer genotvol en heilzaam is. Het lijden wordt voor haar immers een middel om dieper door te dringen in de dichtheid van Gods heerlijke wijsheid. Want het puurste lijden brengt met zich een intiemer en puurder begrijpen: daarom ook een puurder en meer verheven smaken, omdat het een smaken is van binnen uit. Niet tevreden met zo maar een manier van lijden zegt de ziel dus: 'Laat ons het hout nog dieper binnendringen', dit wil zeggen: Laat ons doordringen tot de benauwenissen van de dood om God te zien.’ [33]

Jan vh Kruis

Jan van het Kruis: De gekruisigde

Jan van het Kruis heeft negen maanden lang gevangen gezeten in een zeer kleine cel, eigenlijk bedoeld als toilet, met nauwlijks zonlicht, met alleen een stoel en een bed. Hij kreeg weinig voedsel, alleen water en brood, soms en blikje sardientjes. Drie dagen per week moest hij bovendien vasten. Elke vrijdag werd hij na naar de refter gebracht, waar hij gegeseld werd en in het bijzijn van zijn medebroeders van de prior donderpreek over zich heen kreeg. Soms begonnen zijn vijandige medebroeders bij zijn celdeur hardop te praten zodat hij hen horen kon. Zij vertelden elkaar dat alle vernieuwingen van de orde waren teruggedraaid en dat Teresa de hervorming had afgezworen. Overigens wist buiten het klooster niemand waar Jan van het Kruis was. Vele malen werd hij overvallen door wanhoop, uitzichtloosheid, bang hier te moeten sterven.  Hij kreeg gewetenswroeging: had hij zijn superieuren niet moeten gehoorzamen in plaats van koppig aan zijn vernieuwende ideeën vast te houden? Hij voelde zich ook door God verlaten. Dagenlang werd hij door geestelijke dorheid gekweld.

Op een avond, terwijl hij in een zeer sombere stemming verkeerde, hoorde hij vanuit zijn cel buiten op straat een jongeman een villancico, een liefdesliedje zingen. De woorden waren:

Muérome de amores,                                                                                                           Ik sterf van liefde,

Carillo. Qué hare?                                                                                                                Liefste, wat moet ik doen?

  • Que te mueras, alahé.                                                                                              - Sterven

Opeens raakte hij in grote vervoering. Voor een ogenblik verdween de eenzaamheid, de angst, de twijfel aan zichzelf en aan zijn idealen. De vreugde verdreef ook de dodelijke dorheid. Het was wellicht zijn grootste godservaring. [34]

Salvador Dali, surrealist, sterk beïnvloed door Freud, raakte diep onder de indruk van de tekening van Jan van het Kruis. Vooral omdat het kruis niet in verticaal perspectief was weergegeven, maar het lijkt alsof je het crucifix ‘voor de lippen van een stervende houdt’. Vanuit de duisternis van de kosmische nacht is het alsof Christus zich liefdevol vooroverbuigt naar de aarde. De vissers en het bootje in de haven van Port Lligat zijn nauwelijks zichtbaar. Zij verdwijnen in een steeds donker wordende nacht.

 

                    Dali 2

                 Salvador Dali, De Christus van St-Johannes van het Kruis. 

De explosie van de eerste atoombom op 6 augustus 1945 bracht een totale revolutie teweeg in zijn schilderkunst. Mede door de psychoanalyse wilde hij zich voortaan toeleggen op het schilderen van het onbewuste. Het onbewuste moest op een religieuze manier in zijn werk aanwezig zijn. Hij wilde de verborgen wetten en krachten zien en begrijpen:'Ik heb de geniale ingeving dat ik beschik over een buitengewoon wapen om tot de kern van de waarheid door te dringen: het mysti­cisme, oftewel een diepgaande intuïtie van dat wat is, de directe communicatie met het algehele, het absolute visioen door de genade van de waarheid, door de genade van God. Aan mij de perfectie, de schoonheid. Aan mij St. Theresia van Avila. Door de opleving van het Spaanse mysticisme zal ik, Dali, met mijn werk de eenheid van het univer­sum bewijzen doordat ik de onstoffelijkheid van alle substantie aantoon.'[35]

In 1961 wierp een vandaal uit woede dat het gezicht van Jezus niet te zien was, een steen naar het schilderij. Een restauratie zorgde voor een goed herstel.

Edith Stein, De wetenschap van het Kruis.

Op 12 oktober 1893 werd Edith Stein geboren in Breslau, thans Wroclaw Polen, als elfde en jongste kind van Siegfried Stein, een weinig geslaagde houthandelaar en zijn vrouw Auguste Courant.[36]Twee zusjes en twee broertjes waren vóór haar geboorte gestorven. Het gezin was joods waar streng aan de feestdagen werd vastgehouden. Toen Edith bijna twee jaar was, stierf haar vader, plotseling, getroffen door een beroerte. Voor haar zware leven vond haar moeder veel kracht in haar geloof. Zij was een hardwerkende zakenvrouw, die het bedrijf van haar man met verve heeft gerund.

            Edith gaat naar de middelbare school. Hoewel zij zeer goed kon leren, breekt zij op haar vijftiende de studie abrupt af en gaat haar zus Else in Hamburg helpen bij de huishouding. Na tien maanden keert zij terug in Breslau en vervolgt haar school op het gymnasium.

            In 1991 schrijft Edith zich in voor de universiteit aldaar en wel voor psychologie en geschiedenis. Het ontgaat de buitenwereld, hoezeer zij een innerlijk leven leidt. Daarover is zij zwijgzaam. De studie bevalt haar geenszins en zij besluit naar Göttingen te gaan, waar Edmund Husserl inmiddels fenomenologie doceert. Van hem is een bekend gezegde: ‘Wetenschap steunt op “weten”. In dit weten bezitten wij de “waarheid”’. De studenten rond Husserl vormen een hechte kring van vriendschappen. Zij leert onder andere Max Scheler kennen, die zij bewonderde. Scheler was teruggekeerd tot de katholieke kerk. In die filosofische cirkel waren meerderen van Joodse afkomst, die zij hadden zich bekeerd tot het christendom. Ook Husserl, Joods van origine, was een gelovige protestant geworden.

            In 1914 breekt de eerste wereldoorlog uit. Toch slaagt Edith erin het staatsexamen af te leggen, cum laude. Daarmee heeft zij haar onderwijsbevoegdheid in Duits en geschiedenis, en haar propedeuse filosofie. De studenten worden opgeroepen voor het leger. Edith meldt zich als vrijwilligster bij het Rode Kruis en wordt ingezet in het lazaret van Mährisch Weiskirchen, waar vooral besmettelijke aandoeningen als dysenterie en tyfus behandeld werden. Zij werkt intussen aan haar proefschrift. Reeds na een jaar wordt het ziekenhuis gesloten en Edith keert terug naar huis. Zij vindt een baan aan het lyceum in Breslau. In 1916 verdedigt zij haar thesis aan de Albert Ludwig Universiteit bij Husserl: Zum Problem der Einfühlung – Das Einfühlungsproblem in seiner historischen Entwicklung und in phänomenologischer Betrachtung. Ze promoveert cum laude tot doctor in de filosofie. Hoewel er al eerdere aanzetten toe waren, is zij de eerste filosoof die het begrip ‘empathie’ systematisch probeerde te doordenken.

            Na haar promotie krijgt ze een leerstoel in Freiburg en wordt assistent van Husserl – de eerste vrouwelijke assistent aan een Duitse faculteit. Hun samenwerking loopt spaak. Husserl vond het prachtig dat vrouwen konden studeren en eventueel universitair docent worden, maar een zelfstandig hoogleraarschap zoals Edith dat begeerde, was in zijn ogen een brug te ver. Diep teleurgesteld verlaat Edith Freiburg.

            Zij raakt in een crises. Haar wetenschappelijke toekomst was onzeker. Haar liefde voor haar collega Roman Ingarden wordt niet beantwoord en Adolf Reinoch, een zeer goede vriend en een belangrijk medewerker van Husserl, sneuvelt aan het front in Vlaanderen. Innerlijk is Edith in hevige strijd gewikkeld met geloofsvragen.In een autobiografisch boek[37]schrijft zij: ‘Ik bevond mij in een innerlijke cri­sis, die voor mijn familieleden verborgen bleef en die bij ons thuis niet kon worden opgelost. Met mijn gezondheid ging het toen heel slecht, waarschijnlijk wel ten gevolge van de innerlijke strijd, die ik geheel in stilte en zonder enige menselijke hulp doormaak­te.’ Atheïst voelt zij zich allang niet meer. Zij had goede vrienden, die zich tot het christendom bekeerd hadden. Maar wat haar ontbrak, zal zij later zeggen, was de moed tot overgave. Selbsthingabewerd een woord dat vele malen in haar geschriften zal terugkeren. Tijdens de zomer van 1921 logeert Edith bij een vriendin, Hedwig Conrad-Martius . In huis staat een geweldige bibliotheek. Als zij op een avond alleen thuis is, grijpt zij op goed geluk af een dik boek uit de kast: Leven van de H. Moeder Teresia van Jezus, geschreven door haar zelf.Ze begint te lezen en houdt niet op tot zij uit heeft. Als zij het dicht slaat, zegt ze bij zichzelf: ‘Dit is de waarheid’. ‘Waarheid’ een kenmerkend woord voor een filosoof. Op een vraag hoe haar bekering tot stand gekomen is, antwoordt zij: ‘Secretum meum mihi’ – mijn geheim is voor mijzelf.

            Op 1 januari 1922 wordt Edith gedoopt. Daarna volgde voor haar het moeilijkste: hoe dit haar moeder te vertellen? Zodra zij gezegd had: ‘Moeder, ik ben katholiek’, barstte de krachtige, heldhaftige Auguste in tranen uit. Hoewel dit een zekere scheiding teweegbracht, bleven beide een diepe liefde voor elkaar koesteren. Ook voor andere familieleden was het moeilijk haar bekering te aanvaarden.

            Edith wist meteen dat haar doopsel de voorbereiding was voor haar intrede in het klooster. Maar die gedachte wilde ze haar moeder nog besparen. Samen met haar bezoekt ze de synagoge, ontdekt het ware Jodendom opnieuw en ziet hoeveel joden en christenen met elkaar gemeen hebben.

            Zij krijgt een baan als lerares Duits aan het lyceum in Spiers, dat verbonden is aan het klooster van de Dominicanessen, neemt deel aan het liturgische leven van de zusters en besteedt veel tijd aan gebed in eenzaamheid. Als kardinaal Pacelli – de latere paus Pius XII – het klooster bezoekt, wordt Edith gevraagd de welkomsrede te houden.

            Naast haar lessen vertaalt zij de brieven van John Henry Newman, Engels theoloog, oorspronkelijk lid van de Angelicaanse kerk, diezich bekeerd had tot de katholieke kerk. Vervolgens vertaalde zij Questiones disputatae de veritatevan Thomas van Aquino.

            Een zwaar verlies was voor haar het overlijden van haar geestelijke leidsman Schwind die dood werd aangetroffen in zijn biechtstoel van de kathedraal in Spiers. Tot diep in de nacht naam zij deel aan de dodenwake. Ze vroeg de nabestaande al hun correspondentie te verbranden.

            Een jaar later vindt zij een nieuwe leidsman en goede vriend: Rafaël Walzer, abt van het benedictijner klooster van Beuron. Ze voelt zich diep met de orde verbonden. Ze waardeert de spiritualiteit van Benedictus, bekend van zijn spreuk: ‘Ora et labora’, bid en werk.

            Vanaf 1929 geeft zij lezingen aan katholieke leraressen en vrouwelijke academici. Zij reist door heel Duitsland, maar ook naar Praag, Salzburg, Wenen, Zürich. Haar hoofdthema is de rol van de vrouw in kerk en samenleving. De vrouw heeft volgens haar een speciaal charisma dat in deze moeilijke tijden van groot belang is. Hoezeer ze ook streed voor gelijkberechtiging van vrouwen en ook in de kerk hen een belangrijke positie toekende, zij was er van overtuigd dat het priesterschap uitsluitend een zaak was voor de man. 

            Zij volgt zeer nauwgezet de politiek. Al langer leefde bij haar het gevoel dat een Jodenvervolging in aantocht was.

            Intussen heeft ze al tweemaal bij haar geestelijke leidsman toestemming gevraagd het klooster in te treden. Dat werd haar geweigerd. Walzer benadrukte dat de Kerk haar diensten in deze jaren van strijd en spanning broodnodig heeft. Edith solliciteert naar een docentschap aan de universiteiten van Freiburg en Breslau. Tevergeefs. Zij was vrouw en Jodin, hetgeen in die tijd geen aanbeveling bleek te zijn.

            In 1932 krijgt zij een docentschap aan het katholieke ‘Duitse instituut voor wetenschappelijke Pedagogiek’ aangeboden. Zij aanvaart dit en gaat in Münster wonen. Ze verblijft in het Collegium Marianum waar ook enkele studerende religieuzen woonden. De studenten waarderen haar zeer. Het viel hen op hoe eenvoudig ‘Fräulein Doktor’ leefde en hoeveel tijd zij doorbracht in gebed. Haar lezingen gaan over antropologische onderwerpen, Thomas en de neoscholastiek, fenomenologie en thomisme. Bovendien vraagt haar zus Rosa aandacht. Ook zij wil katholiek worden.

            De invloed van het nationaalsocialisme wordt steeds groter. Ook onder leerlingen van het Collegium Marianum blijken enkelen in de ban te zijn van Hitler’s ‘Mein Kampf’. In 1933 vindt de ‘machtsovername’ plaats. Partijfunctionarissen dringen er op aan Edith te ontslaan. Zij besluit zelf zich terug te trekken.

            Eindelijk kan Edith serieus werk maken van haar verlangen naar de Karmel te willen gaan. Zij raadpleegt weer haar leidsman Walzer. Niet alleen over haar monastieke wensen maar ook over haar plan naar Rome te reizen om Paus Pius XI in een particuliere audiëntie te verzoeken een encycliek uit te vaardigen tegen de Jodenvervolging. Het wordt al gauw duidelijk dat haar verzoek geen kans krijgt Dus schrijft ze de Heilige vader een brief:

Heilige Vader,

Als een kind van het Joodse volk, dat door Gods genade sedert elf jaar een kind is van de katholieke Kerk, waag ik het voor de Vader van de christenheid uit te spreken wat miljoenen van Duitsers bedrukt.

            Sinds weken zijn we in Duitsland getuige van daden die elke rechtvaardigheid en menselijkheid nog te zwijgen van naastenliefde - tegenspreken. Jarenlang hebbende nationaal socialistische leidersde Jodenhaat gepredikt. Nu, nadat ze de regeringsmacht in handen gekregen hebben en hun aanhangers waaronder, zoals is bewezen, crimineleelementen zijn hebbenbewapend, is de staat van de haat opgekomenDat gewelddadigheden voorgekomen zijn, werd voor kort nog door de regering toegegeven. In welke omvang, daar kunnen we ons geen beeld van vormen, omdat de openbaremening aan banden gelegd is, maar te oordelen naar datgene wat mij door persoonlijke contacten ter ore gekomen is, betreft het zeker niet slechts enkele uitzonderingen. Onder druk van stemmen uit het buitenland is de regering tot 'mildere' methoden overgegaan. Ze hebben deleus verspreid, dat 'geen Jood een haar gekrenkt zal worden'. Toch drijft ze door boycotverklaringen waardoor zij de mensen hun financiële existentie, burgerlijke eer en hun vaderlandontneemtvelen tot wanhoop: er zijn mij in de laatste weken via private berichten vijf gevallen van zelfmoord ten gevolge van deze vijandelijkheden bekendgeworden. Ik ben ervan overtuigd dat het om een veralgemeniseerd verschijnsel gaat, dat nog vele offers zal eisen. Men kan betreuren dat de ongelukkigen niet meer innerlijke kracht haddenom hun lot te dragen, maar de verantwoordelijkheid ligt voor het grootste deel bij diegenen, die hen zover gedreven hebben. Ook ligt ze bijdiegenen die daarover zwijgen. Alles wat gebeurd is en nog dagelijks gebeurtgaat uit van een regering, die zich 'christelijk'noemt. Sinds weken wachten en hopen niet alleen Joden, maar ook duizenden trouwe katholieken in Duitsland en ik denkin de hele wereld erop dat de Kerk van Christus haar stem verheft, om aan dit misbruikvan de stem van Christus een halt toe te roepen. Is niet deze verafgoding van het ras en het staatsgeweld, dat dagelijks via de radio de massa ingekloptwordt, een openlijkeketterij? Is niet deze vernietigingsstrijd tegen het Joodse bloed een hoon aan de allerheiligste mensheidvan onze Verlosser, van de zalige maagd en de apostelen? Staat dit alles niet in contrast met de houding van onze Heiland, die nog aan het kruis gebeden heeft voor zijn vervolgers? Is het niet een zwarte vlek in de kroniekvan dit Heilig Jaar, dat een jaar van vrede en verzoening had moeten worden?

Wij allen, die trouwe kinderen zijn van de Kerk en die de verhoudingen in Duitsland met open ogen bekijken, vrezen het ergste voor het aanzien van de Kerk, wanneer het zwijgen nog langer duurt. Wij zijn van mening, dat dit zwijgen niet in staat zal zijn om op lange termijn de vrede met de huidige Duitse regering af te kopen. De strijd tegen het katholicisme wordt voorlopig nog in stilte gevoerd en op minder brutale wijze dan tegen de Joden, maar daarom niet minder systematisch. Het zal niet lang meer duren, dan zal in Duitsland geen enkele katholiek nog een ambt hebbenwanneer hij zich niet onvoorwaardelijk aan het nieuweregime wijdt. Aan de voeten van uw Heiligheid, een biddenom de apostolische zege,

Dr. Edith Stein

Docente aan het Deutsche Institut für wissenschaftliche Pädagogik 

Munster i.W. Collegium Marianum[38]

Abt Walzer belooft haar voor aflevering van de brief in Rome persoonlijk zorg te dragen. Hij schrijft een  begeleidende nota, gericht aan kardinaal Pacelli, staatssecretaris in het Vaticaan. De laatste meldt Walzer dat hij de brief aan de paus overhandigd heeft en vraagt hem dit aan de indienster te laten weten. Er volgt een formeel antwoord waarin Edith voor haar en haar familie de pauselijke zegen krijgt.

Eerst heeft Edith zich aangemeld bij de Karmelietessen in Würzburg. Maar zij waren niet enthousiast om een Jodin in hun communiteit op te nemen.

            Een jaar later klopt zij aan bij de Karmel in Keulen. Haar vraag wordt positief beantwoord. Op 15 oktober 1933 mag zij het ‘binnenste heiligdom’ binnentreden. Maar eerst moest zij naar huis om het nieuws aan haar moeder te vertellen.‘De eerste zondag van septem­ber was ik met moeder alleen thuis. Ze zat met haar breikous bij het venster en ik dicht bij haar. Dan kwam opeens de lang verwachte vraag: ‘Wat ga je bij de zusters in Keulen doen?’‘Met hen leven!’ Ervolgde een vertwijfeld verzet. Mijn moeder hield niet op met werken, haar garen geraakte in de war, ze wil­de het met bevende handen in orde brengen en ik hielp haar daarbij, terwijl de discussie tussen ons verder ging. Van nu af was het met de vrede gedaan!' Zij zal haar moeder nooit meer zien.

‘Eigenlijk heb ik altijd als karmelietes geleefd’, zegt Edith bij haar intrede als postulante. En zij voelt zich direct thuis bij de eenvoudige en strenge levenswijze. Op 15 april 1934 wordt zij novice en krijgt zij het kloosterhabijt. Bovendien neemt zij een nieuwe naam aan. Voortaan zal ze heten: Teresia Benedicta van het Kruis. In deze naam ligt haar gehele geschiedenis verborgen: Teresia van Avila die met haar autobiografie haar bekering bewerkstelligde, haar waardering voor Benedictus en zoals weldra zal blijken, haar liefde voor het kruis. Bij haar professie waren vele vrienden, ex-collega’s en studenten aanwezig, maar niemand van de familie.

                  In dezelfde jaren werkt zij aan een grote studie: Endliches und Ewiges Sein. Aan de hand van Thomas van Aquino en de fenomenologie beschrijft zij de opstijging van het tijdelijke, beperkte zijn naar het eeuwige, onbeperkte Zijn.

                  Wanneer zij dit werk voltooid heeft, krijgt zij bericht dat haar moeder na een lange doodsstrijd gestorven is. Voor haar zuster Rosa betekent de dood van hun moeder dat zij vrij is om zich te laten dopen in de katholieke kerk.

                  Edith besefte dat haar verblijf bij de Karmel in Keulen een gevaar kon zijn voor de gemeenschap. Daarom vraagt zij om overplaatsing naar een klooster in het buitenland, eerst naar Bethlehem, maar de Engelsen hadden de grenzen van Palestina gesloten voor Duitse Joden, vervolgens naar de karmelietessen in EchtNederlands Limburg. Daar werd zij met open armen ontvangen. 

Rosa zal zich weldra bij haar voegen. 

                  Edith krijgt binnen de dagelijkse orde van het kloosterleven volop de tijd voor haar wetenschappelijke werk. Zo wijdt zij een kleine studie aan Dionysius de Areopagiet, Wege der Gotteserkenntnis. Maar Jan van het Kruis wordt in deze jaren haar geestelijke leidsman. Priorin, moeder Antonia, geeft Edith de eervolle opdracht om naar aanleiding van zijn vierhonderdste geboortedag over zijn leer een boek te schrijven. Het wordt Kreuzeswissenschaft. De studie is niet alleen een analyse van het werk van de theoloog en mysticus Jan van het Kruis, het is ook een persoonlijke getuigenis van haar eigen kruisweg. Binnen tien maanden voltooit zij het manuscript. Hier slechts één lang citaat uit het hoofdstuk ‘Kruis en Nacht’:

'Het kruis is geen beeld in eigenlijke zin. Tussen kruis en lijden bestaat geen onmiddellijk begrijpelijke gelijkenis, maar ook geen louter willekeurig bepaalde verhouding van tekens. De betekenis is naar het kruis toegegroeid door zijn geschiedenis. Het kruis is geen louter natuurlijk ding, maar een werktuig, door mensenhand voor een bepaald doel vervaardigd en gebruikt. Als werktuig heeft het in de geschiedenis een rol van onvergelijkelijke draagwijdte gespeeld. Iedereen die in de christelijke cultuurkring leeft, weet iets af van deze rol. Daarom leidt het kruis door zijn aanschouwelijke vorm onmiddellijk binnen in de volheid van de zin, die ermee verweven is. Het is dus een teken, een teken echter waaraan de betekenis niet kunstmatig is verbonden, maar waarachtig toekomt op grond van zijn werkzaamheid en zijn geschiedenis. Zijn zichtbare vorm wijst op de samenhang waarin het staat. In die context spreken we van een karakteristiek merkteken.

            De nacht daarentegen is iets natuurlijks: het tegenspel van het licht dat ons en alle dingen omhult. Hij is geen voorwerp in de eigenlijke zin van het woord: hij bevindt zich niet vóór ons en staat ook niet op zichzelf. Hij is ook geen beeld, als men daaronder een zichtbare vorm verstaat. Hij is onzichtbaar en zonder vorm. En toch nemen wij hem waar; hij is ons zelfs meer nabij dan alle dingen en vormen; hij is veel nauwer met ons zijn verbonden. Zoals het licht de dingen met hun zichtbare eigenschappen laat verschijnen, zo verslindt de nacht ze en dreigt hij ook ons te verslinden. Wat in hem verzinkt, is niet eenvoudig niets: het blijft bestaan, maar onbepaald, onzichtbaar en vormeloos als de nacht zelf, of schimmig en spookachtig en daarom dreigend. Daarbij wordt ons eigen zijn niet alleen van buiten bedreigd, door gevaren die in de nacht verborgen zijn, maar door de nacht zelf innerlijk getroffen. Hij ontneemt ons het gebruik van de zinnen, remt onze bewegingen, verlamt onze krachten, verbant ons in eenzaamheid, maakt ons zelf schimmig en spookachtig. Hij is een voorsmaak van de dood. En dit alles heeft niet alleen een vitale, maar ook een psychisch-geestelijke betekenis. De kosmische nacht werkt op ons in net zoals hetgeen in overdrachtelijke zin nacht wordt genoemd. Of omgekeerd: wat in ons gelijksoortige uitwerkingen heeft als de kosmische nacht, dat wordt in overdrachtelijke zin "nacht" genoemd.

            Voordat wij dit "Wat" proberen te begrijpen, moeten wij echter goed beseffen dat reeds de kosmische nacht een dubbel gezicht heeft. Tegenover de donkere en akelige nacht staat de door de maan beschenen tovernacht, met mild, zacht licht doorstroomd. Hij verslindt de dingen niet, maar laat hun nachtelijk aanschijn oplichten. Al het harde, scherpe en schelle is hier gedempt en verzacht; er openbaren zich wezenstrekken die bij klaar daglicht nooit tevoorschijn komen. Ook laten er zich stemmen horen, die door het lawaai van de dag overstemd worden. En niet alleen de heldere nacht, ook de donkere nacht heeft zijn eigen waarden. Hij maakt een einde aan de haast en het lawaai van de dag, hij brengt rust en vrede.

            Dit alles heeft ook zijn psychisch-geestelijke uitwerking. Er bestaat een nachtelijke, milde helderheid van geest, waarin de geest, vrij van het zware werk der dagelijkse bezigheden, ontspannen en geconcentreerd tegelijk, naar binnen wordt getrokken in de diepe samenhang van zijn eigen wezen en leven, de wereld en de bovenzinnelijke wereld. En er bestaat een diepe, dankbare rust in de vrede van de nacht.

            Aan dit alles moet men denken, wanneer men de nachtsymboliek van Sint-Jan van het Kruis wil verstaan. Uit de getuigenissen van zijn leven en uit zijn gedichten weten wij dat hij uitermate ontvankelijk was voor de kosmische nacht met al zijn schakeringen. Hij heeft hele nachten doorgebracht aan het raam, de blik gericht op het wijde landschap, of in de open lucht. En hij vindt voor de nacht woorden, die door geen andere zanger van de nacht overtroffen worden.’[39]

In januari 1942 werden er onderhandelingen gevoerd met kloosters in Zwitserland om Edith en Rosa daar onder te brengen. De autoriteiten gaven geen toestemming. In april van dat jaar moeten Edith en Rosa verschijnen voor de Gestapo in Maastricht. Zij moeten op hun paspoorten hun Joodse namen laten schrijven en direct de Jodenster dragen. Op 26 juli werd in alle katholieke kerken en kapellen een herderlijke brief voorgelezen waarin de bisschoppen fel protesteerden tegen alles wat de Joden werd aangedaan: ‘De maatregelen druisen in tegen hetgeen ons van Godswege als eis van gerechtigheid en barmhartigheid gesteld wordt.’ Als reactie op deze brief werden alle katholieke Joden op 2 augustus ineens in heel het land gearresteerd.

                  Diezelfde dag klopten twee Ss-ers op de poort van het klooster met het bevel dat Edith en Rosa binnen vijf minuten klaar moesten staan om met hen mee te gaan. Edith zei tegen Rosa: ‘Kom. We gaan voor ons volk.’

                  Via Roermond gaan ze naar het kamp van Amersfoort. De volgende nacht worden ze vervoerd naar Westenbork. Op 7 augustus werden ze op de trein naar Auschwitz gezet. Zondag 9 augustus kwam het transport te Auschwitz aan. Met uitzondering van een klein groepje mannen werden allen meteen vergast; volgens lijst 34 van het ministerie van justitie van 16 februari 1950 ook nummer 44074, Edith Teresia Hedwig Stein, en num­mer 44075, Rosa Maria Agnes Adelheid Stein.

Auschwitz. De Joden werden niet gekruisigd. Hun aantal was te groot en de snelheid waarmee geruimd moest worden, vereisten een grotere efficiëntie dan de handmatige vakbekwaamheid van de beul. Het moest op industriële wijze gebeuren. Vrachtwagens met het gas Zyklon B waren doeltreffend, want onderweg kon het moorden reeds geschieden. Gaskamers waren nog effectiever. Zij verwerkten tenminste met grote aantallen. Nee, geen kruisiging, maar wel de doodsangst: de dreigende arrestatie, de onzekerheid waar de reis heen ging, de grillige aankomst bij het kamp, de directe uitverkiezing, de lugubere kleedkamer, naakt en rillend onder de douche, het inademen van het gas, de doodsangst bij de laatste ademhaling.

                  Manfred Deselaers schreef Mein Gott, warum hast du mich verlassen..? Ein Kreuzwegmeditation in Ausschwitz.[40]Hij heeft als katholiek priester vier jaar gediend in een parochie in de stad Auschwitz. In zijn inleiding zegt hij: ‘Wanneer wij in Auschwitz-Birkenau de kruisweg gaan, gaan we geestelijk een dubbele weg: we gaan met de mensen die hier leefden en stierven en die op deze weg dikwijls hun geloof verloren hebben. En we gaan de weg van het lijden en sterven van Jezus Christus zelf in het geloof, dat Jezus de weg van deze mensen meegegaan is. Hij leidt ons naar de weg tot het offer in solidariteit met hen, want alleen zouden we waarschijnlijk daarvan weggelopen zijn.’Bij elke statie kiest Manfred een Bijbelwoord, gevolgd door een kampherinnering, een foto van het kamp, een korte overweging en een gebed. Ziehier de twaalfde statie:

Jezus sterft aan het kruis

Uit de Bijbel: 

Jezus wij horen uw schreeuw: ‘Mijn God, mijn God, waarom heb je mij verlaten?’ We horen ook de woorden: ‘In Uw handen beveel ik mijn geest.’

Kampherinnering

Misschien wel de bekendste herinnering aan god verlatenheid in Auschwitz komt van Elie Wiesel:

                  ‘Nooit zal ik die nacht vergeten, die eerste nacht in het kamp, die mijn leven veranderde in een zevenmaal vergrendelde lange nacht. Nooit zal ik die geur vergeten. Nooit zal ik die kleine gezichten van de kinderen vergeten, van wie de lichamen voor mijn ogen als kleine spiralen naar de blauwe hemel opstegen. Nooit zal ik de vlammen vergeten die mijn geloof voor altijd verteerden. Nooit zal ik het nachtelijke zwijgen vergeten, dat mij in alle eeuwigheid beroofde van mijn verlangen te leven. Nooit zal ik die ogenblikken vergeten die mijn God en mijn ziel vermoorden en mijn dromen veranderden in as. Nooit zal ik die dingen vergeten, zelfs al zou ik er mijn leven lang voor veroordeeld worden zoals God zelf.

Meditatie

Wij willen op deze plaats voor allen bidden die in of na Auschwitz niet meer bidden konden. De hemel boven Auschwitz was toen verschrikkelijk leeg: zonder vlinders, zonder vogels, zonder groen. Voor velen is het sindsdien ook in religieuze zin leeg geworden. God was nergens meer te vinden. Wij willen deze ervaringen zeer ernstig nemen en het met ons geloof niet te gemakkelijk maken.

                     Auswitsch

                      Vijver waarin de as uit het crematorium gestort werd

Gebed; wij willen in stilte bidden.

Het laatste werk van de karmelietes Edith Stein heet ‘Wetenschap van het kruis’. Daarin schrijft zij:

‘Wij weten dat er een tijd komt waarin de ziel volledig in het duister en de leegte geplaatst wordt. Er blijft haar niets anders over om aan vast te houden dan het geloof. Het geloof stelt haar Christus voor7 ogen: de armen, de vernederden, de gekruisigden, aan het kruis zelfs door de goddelijke Vader verlaten. In zijn armoede en verlatenheid vindt zij die weer terug.’

‘De schoonheid van het lijden’.

Niemand wist ervan. Maar Carl Jung werkte tussen 1914 en 1930 aan wat is gaan heten ‘Het Rode Boek’. Hierin schreef hij al zijn dromen, visioenen en imaginaties zonder zichzelf enige beperking op te leggen. Wetenschappelijke termen komen er niet in voor. Het is een zeer persoonlijk boek. Hij schreef in een eigengemaakt soort Gotisch handschrift en verluchtigde de tekst met schitterende, gekleurde tekeningen. Toen Jung aan het boek begon, verkeerde hij in een grote crises – na zijn breuk met Freud. Hij noemde dit echter zijn ‘creatieve ziekte’. Alle beelden, goden, demonen en mensen, uit zijn onderbewuste liet hij vrijelijk boven komen en ging in gesprek met hen. Op het einde van het Rode Boek voert hij Philemon op. Met de naam verwijst hij naar Ovidius’ verhaal over Philemon en Bauces, een ouderechtpaar dat een zeer eenvoudig, maar tevreden leefde in het bos in de buurt van Rome. Terwijl men in de stad bezig was de goden op te heffen, als ouderwets en volkomen overbodig, hadden zij boven hun hutje een bord met daarop geschreven: ‘Welkom aan de goden’. En het gebeurde dat de goden Jupiter en Mercurius langs kwamen, maar vermomd als gewone mensen. Zij werden zeer gastvrij, maar met een simpel maal ontvangen. Maar de goden verrichtten een wonder: de wijnkan raakte niet leeg… Toen maakten de goden zich bekend.

            Jung had Philemon in het Rode Boek al eerder laten spreken. Voor hem was Philemon een goeroe. Hij belichaamde psychologisch en superieur inzicht: ‘Philemon en andere fantasiefiguren brachten mij tot het beslissende inzicht, dat er in de ziel dingen zijn die niet ik voortbreng, doch die zichzelf produceren en een eigen leven leiden. Philemon beeldde een kracht uit die niet-ik was. Ik voerde fantasiegesprekken met hem en hij uitte dingen die ik niet bewust had gedacht. Ik constateerde duidelijk, dat hij het was die sprak en niet ik. Hij verklaarde mij, dat ik met mijn gedachten verkeerde alsof ik ze zelf had voortgebracht, terwijl ze volgens hem een eigen leven bezaten…, aldus onderwees hij mij. Zo bracht hij mij allengs de psychische objectiviteit bij, de 'werkelijkheid der ziel'.[41]

            Op het einde het boek speelt zich de volgende dialoog af, waar woorden gezegd worden die Jung zeer waarschijnlijk nooit zelf bedacht zou hebben:

Het was middag op een hete zomerse dag en ik maakte een wandeling in mijn tuin; toen ik de schaduw van de hoge bomen bereikte, ontmoette ik Philemon, wandelend door het geurige gras. Maar toen ik hem wilde naderen, kwam er een blauwe schaduw van de andere kant, en toen Philemon hem zag, zei hij: ‘Ik tref je in de tuin, geliefde. De zonden van de wereld hebben schoonheid gelegd op je gelaat.

            Het lijden van de wereld heeft je vorm versterkt.

            Je bent waarlijk een koning.

            Purper is je bloed.

            Je hermelijn is sneeuw van de kou van de polen.

            Je kroon, die je draagt op je hoofd is het hemelse lichaam van de zon.

            Welkom in de tuin, mijn meester, mijn geliefde, mijn broeder!’

            De schaduw zei: ‘O Simon de Magiër, of wat je naam ook moge zijn, ben jij in mijn tuin of ben ik in die van jou?’

            Philemon zei: ‘Jij bent, O meester, in mijn tuin. Helena, of hoe je haar ook noemen mag, en ik zijn jouw dienaren. Je kan bij ons onderdak vinden. Simon en Helena zijn Philemon en Baucis geworden en wij zijn de gastheer en gastvrouw van de goden. Wij verlenen gastvrijheid aan jouw verschrikkelijke worm. Wij ontvangen je omdat je hier naar toe gekomen bent. Je wordt omgeven door onze tuin.’

            De schim antwoordde: ’Is deze tuin niet van mij? Is deze wereld van de hemelen en de geesten niet mijn eigendom?’

            Philemon zei: ‘Je bent, O meester, hier in de wereld van mensen. Mensen zijn veranderd. Zij zijn niet langer de slaven, niet langer de zwendelaars van de goden en rouwen niet langer in jouw naam, maar zij verlenen gastvrijheid aan de goden. De verschrikkelijke worm kwam vóór jou, die je herkende als je broeder in zover als je van goddelijke natuur bent en als jouw vader voor zover je van menselijke natuur bent. Je joeg hem weg toen hij je goede raad gaf in de woestijn. Je nam zijn advies, maar de worm joeg je weg: hij vindt een plaats bij ons. Maar waar hij is, daar zal ook jij zijn. Toen ik Simon was, probeerde ik met een list van magie aan hem te ontsnappen en zo wist ik jou te ontwijken. Nu ik de worm een plaats geef in mijn tuin, kom je naar me toe.’

            De schaduw antwoordde: ‘Val ik voor de kracht van jouw list? Heb je mij heimelijk gevangen? Waren bedrog en leugens niet altijd je manier van doen?’

            Philemon antwoordde: ‘Weet, o meester en geliefde, dat jouw aard ook die van de slang is. Was jij niet op het hout geheven gelijk de slang? Heb jij niet je lichaam afgelegd, zoals de slang zijn huid? Heb je niet zoals de slang de geneeskunst beoefend? Daalde je niet af ter helle alvorens je opsteeg? En zag je niet je broeder daar, die opgesloten was in de afgrond?’

Toen zei de schaduw: ‘Je spreekt de waarheid. Je liegt niet. Weet je wat ik je breng?

            ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Philemon, ‘Ik weet slechts één ding, dat wie de worm gastvrijheid verleent ook zijn broeder nodig heeft. Wat breng je mij, mijn schone geest? Geklaag en walging waren de giften van de worm. Wat wil je ons geven?’

            De schaduw antwoordde: ‘Ik breng je de schoonheid van het lijden. Dat is wat iemand die de worm gastvrijheid verleent, nodig heeft.’[42]

 

                                    Filemon 2

                            Carl Jung, het Rode Boek, tekening van Philemon

De tuin is vaak symbool voor de ziel. Zij moet verzorgd worden. Zij is ook de paradijselijke plek waar goden en mensen elkaar ontmoeten. Daar komt Philemon, die van zijn tuin geniet, een Schaduw tegen: onmiskenbaar Jezus. De begroeting. Philemon zegt: ‘Welkom, geliefde, de zonden van de wereld hebben schoonheid gelegd op je gelaat.’ Hoezo, die verbinding tussen zonde en schoonheid? Waarom ziet Jezus, de geschonden, mishandelde mens er zo stralend uit? Eerst nog even een twistgesprek. De schaduw: ‘Ben ik in jouw tuin of jij in de mijne.’ Philemon zegt; Je bent in mijn tuin, maar dat doet er niet toe, want ik en Baucis zijn jouw vrienden en we zijn gasvrij jegens de goden en alleen al omdat je naar hier gekomen, heten wij je van harte welkom.En dan voegt hij eraan toe: ‘Wij verlenen gastvrijheid aan jouw verschrikkelijke worm.’ Jezus reageert: ‘Maar is niet alles van mij, de hemel en de aarde?’ Philemon wijst erop dat er iets in de verhouding tussen goden en mensen veranderd is. Wij, mensen, verlenen gastvrijheid aan de goden. Zelfs aan die verschrikkelijke worm, met wie jij zo verwant bent, die jij, verstandig als je was, van je af wierp, toen hij je in de woestijn probeerde te verleiden met wereldse goederen van macht en rijkdom. Die worm, dat verschrikkelijke beest, waarvan er duizend in een dozijn gaan, die duivel, die heerst over het kwaad, het lijden, de dood, nou, dat beest is welkom en heb ik een plaats in mijn tuin gegeven.’ 

Jezus, de blauwe Schaduw, antwoordt: ‘Probeer je mij te verleiden met een list, met een leugen?’ Philemon: ‘Kijk naar wat jij zelf gedaan hebt. Was jij niet listig en sluw als de slang toen je aan het kruis hing. Verrichte jij door zo aan het kruis te genageld te zijn geen geneeskunde? Weet je nog dat je in de hel afdaalde alvorens je aan je hemelvaart kon beginnen. En kwam je daar niet je broeder, de duivel, die worm, tegen?’ Dan reageert Jezus: ‘Je hebt gelijk. Ik geef het toe. Weet je wat ik je zou willen brengen?’ ‘Geen idee’, zegt Philemon. Maar wat ik wel weet, dat wie de worm gastvrijheid verleent, ook jou, zijn broeder nodig heeft. De worm brengt alleen maar geklaag en gejammer te weeg en iedereen walgt van dat beest. Wat kan jij ons brengen? En dan antwoordt Jezus met de onsterfelijke woorden: ‘Ik breng je de schoonheid van het lijden.Dat is wat iemand die de worm gastvrijheid verleent en hem een plaats geeft in zijn leven nodig heeft.’

 

Boeddhisme en christendom zijn verlossingsreligies. Zij ambiëren de mens te bevrijden van lijden en dood. Maar wat betekent verlossing, bevrijding? De Boeddha was ook op het einde van zijn leven overgoten van ziekte en pijn. Hij leed aan dysenterie, uitdroging en uitputting. En Jezus’ einde was verschrikkelijk, veroorzaakt door extreem kwaadaardig geweld. Bataille zegt: als het christendom verlossing brengt, dan is dat te danken niet aan het goede, maar aan het kwaad.

            De eerste edele waarheid luidt: ‘Geboorte is lijden, verval is lijden, ziekte is lijden, dood is lijden, en zo is smart, verdriet, pijn, geklaag en wanhoop. Te maken krijgen met dingen waar we niet van houden, gescheiden worden van dingen waar we van houden ook dat is lijden. Niet krijgen wat we willen is ook lijden. In één woord, dit lichaam, deze vijfvoudige massa, welke gebaseerd is op grijpen dat is lijden.’ Dit was Boeddha’s inzicht, verkregen tijdens de nachtelijke uren van zijn verlichting. Dan volgen de regels over het doen ophouden van lijden en het achtvoudige pad dat daar heen leidt.

Of de vier edele waarheden wekken hoop of weerstand - want er zijn toch ook gelukkige momenten! Maar de eerste regel leert dat ook vreugde lijden veroorzaakt. Het Sanskriet woord dukkha, dat lastig in één westers equivalent te vangen is, betekent niet alleen fysiek lijden en verdriet, maar ook moeite, inspanning, teleurstelling, niet stabiel, onderhevig aan vergankelijkheid, verlies. Dukkhabetekent: er is geen bestendig geluk. Dukkhastrekt zich uit, zover als het leven zich uitstrekt. Dukkhais de worm die altijd knaagt en vreet.

            Waartoe leidt het achtvoudige pad? Niet tot een transcendent of hemels gebied waar geen dukkhameer is, maar tot het inzicht, dat alles doortrokken is van dukkha. Met andere woorden, het leidt tot het inzicht van de eerste edele waarheid. Het begin is de weg is het doel, luidt een tantrisch gezegde. Het achtvoudige pad is de omweg die ons voert naar het begin. Wat eerst nog in onwetendheid aanvaard werd, wordt dan in alle helderheid waargenomen en erkend. Dukkhais onze woning, daar zijn we thuis.

Wie de eerste edele waarheid kent, doorgrondt het gehele boeddhisme.

            De Hart Sutra leert: in het licht van sunyatais er geen lijden, geen opheffing van lijden, geen nirwana. Sunyatais de zienswijze waar alle begrippen doorzien worden. Maar wat blijft er dan over? Wat, als we tenminste blijven kijken, zien we dan? De Hart Sutra geeft een dubbele formulering: geen ouderdom en dood én geen einde aan ouderdom en dood. In elk geval is er altijd één kant die vanuit sunyata te zien blijft: er is alleen maar lijden, er is alleen maar dood. Dat is een bevestiging. De ontkenning betekent dat lijden en dood onvatbaar en grenzeloos zijn.

            De beroemde samenvatting van het Mahayana ‘samsarais nirvananirvanaissamsara’ bevat een lastige, begripsmatige opgave: hoe deze twee tegelijkertijd te denken, of misschien beter: hoe deze twee in één blik te vangen? Pascal in zijn Pensées: ‘Slechts één enkele gedachte kan ons bezighouden wij kunnen niet aan twee dingen tegelijk denken, wat volgens de wereld uitstekend is, maar niet in het oog van God.’ [43]

            Samsara, dit ondermaanse, strekt zich eindeloos ver uit. En dat geldt ook voor nirvana waar ons begripsvermogen over samsaradoorzien wordt en deze ‘oceaan van dukkha’ als een verbazingwekkende, verbijsterende werkelijkheid ondergaan wordt.

Nirvana is geen gebied, geen paradijselijk landgoed. Nirvana is een zienswijze. Nirvana is samsara zien.

Maar waarom die schoonheid van het lijden? Wanneer verschijnt dat binnen ons waarnemingsveld? Is dit een troostwoord voor hen die onderhevig zijn aan ernstig lijden? Ik zou het niet durven dit woord te laten vallen bij wie door rampspoed getroffen is. Misschien verschijnt de schoonheid als we niet langer vragen naar de zin van alle ellende, noch naar het waarom. Of als we niet langer wankelen tussen goed en kwaad. Kunnen we leren de schoonheid van het lijden te zien? Kunnen we leren in de schilderijen van Newman het sublieme te zien? Of blijven we kijken naar gekleurde vlakken en lijnen? Zijn we in staat om niet aan onze ‘plaatjes’, onze vertrouwde door gewenning en gewoonte gevormde blik te blijven hangen. We kunnen iets. We zijn in staat om te blijven kijken en onze blik niet af te wenden. Het geestelijk pad is een bron van aanwijzingen, raadgevingen, oefeningen, die voortdurend en bij herhaling zeggen: blijf kijken, doorzie je vooroordelen, je begrippen, je vooronderstellingen, je door traditie en opvoeding gedrenkte wijze van waarnemen. Niet zozeer wat zie ik, maar veeleer wat komt tot mij? Misschien verschijnt dan het lijden mij als een onbegrijpelijke schoonheid…

            En misschien is het zien van de schoonheid van het lijden hetzelfde als het Paasfeest, de ervaring van verrijzenis. Eén en hetzelfde ogenblik.

De Boeddha stierf, zoals we kunnen zeggen, een ‘natuurlijke’ dood. Hij was oud. Hoe verdrietig ook, hij leerde dat de dood ook op hoge leeftijd een natuurlijke, onvermijdelijke gang van zaken is. De dood van Jezus leert, dat we ook sterven aan het onrecht, de smaad, het geweld, dat ons wordt aangedaan. Misschien is de schoonheid van het lijden van Jezus moeilijker te bevatten dan het vanzelfsprekende einde van de Boeddha. Het lijkt dat we ons gemakkelijker neerleggen bij de loop der natuur dan bij de verschrikkingen die ons worden aangedaan door onze medemensen. Met hun dood hebben Shakyamuni Boeddha en Jezus voorgeleefd, dat ons bestaan altijd tragisch is. Zij leren mij deze tragedie te erkennen, te leven en haar als heilige schoonheid te waarderen.

Geschreven voor de stille, goede week van 2019.

 

[1]Buddhist Paintings, Japanese national treasure: restored copies by Miyahara Ryusen, Kosei Publishing Co. Tokyo, Japan, 1981.

[2]E.H. Gombrich, Eeuwige Schoonheid,Spectrum, z.j. p.197 -210.

[3] Digha-Nikaya, de verzameling van lange leerredes, vertaald uit het Pali, ingeleid en van aantekeningen voorzien door Jan de Vreet & Rob Janssen, Asoka, Rotterdam, 2001, p.321-322.

[4] Digha-Nikaya, op.cit. p.330-331.

[5] Digha-Nikaya, op.cit. 336-337.

[6]  Digha-Nikaya op.cit. p.347-348.

[7] Digha-Nikaya, op.cit. p.360-361.

[8] Digha-Nikaya, op.cit. p.362.

[9] Digha-Nikaya, op.cit. p.365-366.

[10] Digha-Nikaya, op.cit. p. 373.

[11]  Blaise Pascal, Gedachten, vertaald en ingeleid door Rob Limburg, Erven Bijleveldt, Utrecht, 1963, p. 176 – 177. Voor een biografie: Jacques Attali, Blaise Pascal of het Franse genie, uit het Frans vertaald door Goedroen  Debroey, Averbode, z.j.

[12] Blaise Pascal, Gedachten,op.cit. p.199.

[13]  Shusaku Endo,Jezus, het verhaal van een leven, Nederlandse vertaling Ernst Bergboer, ingeleid door Willem Jan Otten, uitgeverij Kok, Utrecht, 2018.

[14] Dit is de canonieke vindplaats voor de schildering van Boeddha’s binnengaan in het nirwana . Digha-Nikaya, op.cit. p.374 – 376.

[15] Deze gegevens zijn ontleend aan Ton Crijnen, De ellendigste dood van alle,Dagblad Trouw, 29 maart 2002. Hij voegt hier aan toe: Al die details -niet vermeld in de evangelies- hebben we te danken aan een vondst in Givat ha Mivtar, bij Jeruzalem. Daar werd in 1968 het skelet van Jehohanan ben Hagqol, een jonge man uit Jezus' tijd, opgegraven die eveneens de kruisdood was gestorven.

[16] De Bijbel cultureel,De Bijbel in de kunst van de twintigste eeuw, onder redactie van Marcel Barnard en Gerda van de Haar, Uitgeverij Meinema/Pelckmans, Zoetermeer/Kapellen, 2010, p.512.

[17] Digha-Nikaya op.cit. p.380-384.

[18] Renée van de Vall, Een subliem gevoel van plaats, een filosofische interpretatie van het werk van Barnett Newman, Historishce Uitgeverij, Groningen, 1994, p. 202.

[19]Franz Meyer, Barnett Newman, The Stations of the Cross: Lema Sabachthani, Richter Verlag, p.54.

[20] Pirqe Abot is een Joods boek, ook wel genoemd ‘De ethiek van de Vaderen’. Newman was Joods, zeer belezen in de Kaballa en een bewonderaar van Spinoza.

[21] Renée van de Vall, op.cit. p.220-221.

[22] Het woord ‘meditatie’ komt in de Pali-canon niet voor. Het is een westerse vertaling. Het Pali geeft samadhi, wat onder meer éénpuntige gerichtheid betekent -of bhavana, wat betekent bebouwen, bemesten of cultiveren. Is in het westen het begrip meditatie een containerbegrip, waarin vele betekenissen ondergeschoven wordt, in de boeddhistische context worden vele diverse termen gebruikt, die steeds een zeer specifieke beoefening of toestand beschrijven.

In het Westen is er een onderscheid tussen meditatie en contemplatie. Meditatie wijst vooral op overwegen, nadenken, zich voorstellen. Bij contemplatie worden dezelfde oefeningen gebruikt maar zonder perspectief: doelloos, tijdloos, beeldloos en belangeloos. Contemplatie is een duistere praktijk. Zie Johannes van het Kruis.

[23] Voor deze één van de wellicht mooiste, meest dramatische verlichtingsverhalen uit de geschiedenis van de spiritualiteit: Majjhima-Nikaya,de verzameling van middellange leerredes, Deel I,  de eerste vijftig leerredes, vertaald uit het Pali en van aantekeningen voorzien door Jan de Breet & Rob Janssen, Asoka, 2004,  - Maha-Saccaka-Sutta,  de grote leerrede tot Saccaka, p. 376 -392.

[24] Takeuchi Yoshinori,The heart of Buddhism,in search of the timeless spirit of Primitive Buddhism, edited and translated by James W. Heisig, Crossroad, New York, 1983, het hoofdstuk The stages of contemplation, p.13 – 47.

[25] Digha-Nikaya,op.cit.  Tevijja-Sutta, de leerrede van het drievoudige weten, p.248 – 249.

[26] Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen, de traktaten, vertaald door C.O.Jellema, Historische Uitgeverij Groningen, 1999, p.133 – 147.

[27] Majjhima-Nikaya, de verzameling van middellange leerredes, Deel II, Vertaald uit het Pali, ingeleid en van commentaar voorzien door Jan de Breet & Rob Janssen, Asoka, 2004, p. 257-258.

[28] ]Uitgebreid in Nico Tydeman, Transmissie en transcendentie, Asoka, 2013, p. 350-358.

Na Franciscus hebben nog verschillende heiligen de stigmata ontvangen: o.a. Anne Catherine Emmerich (1774 – 1824), Gemma Galgani (1878 – 1903), Louise Lateau (1850 – 1883), Marie-Julie Jahenny !1850 – 1941), Padre Pio (1887 – 1968).Theresa Neumann (1898 – 1962). Zie: Michael Murphy,The future of the body, explorations into further evolution of human nature, Jeremy P.Tarcher/Putman, New York,  1992,478 – 495. Dit uiterst interessante boek geeft enorm veel informatie over de gevolgen van spirituele beoefening voor het lichaam.

[29] Alijt Bake, Tot in de peilloze diepte van God,de vrouw die moest zwijgen over haar mystieke weg, inleiding en commentaar: Dr.R.Th.M. van Dijk, hertaling: Drs. M.K.A. van den Berg, Kok Kampen, 1997.

[30] Alijt Bake op.cit. p.59.

[31] Alijt Bake op.cit. p. 75 vv.

[32] Joannes van het Kruis, Volledige werken, Uitgeverij Paul Brand, Hilversum/Antwerpen, 1963, p. 469.

[33] Joannes van het Kruis op.cit. p. 469

[34] Gerald Brenan, St. John of the Cross, his life and his poetry. With a translation of the poetry by Linda Nicholson, Cambridge University Press, 1973, p. 32.

[35] God en Kunst, over het verdwijnen en het verschijnen van het religieuze in de kunst, redaktie Philip Verdult, Lannoo, Tielt, 2009, p.170 -174.

[36] Anders Arborelius, Edith Stein, biografie, Zr. Teresia Benedicta van het Kruis, Carmelitana, Gent, [z.j.]

[37] Edith Stein, Mijn jeugd. Uit het leven van een joodse familie,Desclée de Brouwer, Brugge/Utrecht, 1967.

[38] Ilse Kerremans, Edith Stein, Leven aan Gods hand, Halewijn, Adveniat, 2014, p. 49-50.

[39] Edith Stein, Wetenschap van het kruis, studie over Johannes van het Kruis, Carmelitana, Gent, 1950, p. 43-46.

[40] Dit boekje heb ik gekregen van een goede, al te jong gestorven leerling, Hans LInders.

[41] C.G. Jung, Herinneringen, dromen, gedachten, opgetekend en uitgegeven door Aniela Jaffé, van Loghum Slaterus, Deventer, 1973, p. 173.

[42] C.G. Jung, Das Rote Buch,Liber novus, Patmos, 2009.  De Engelse versie, zonder de tekeningen: The Red Book, Liber Novus, A reader’s edition, edited and with an introduction by Sonu Shamdasani, translated by Mark Kyburz, John Peck and Sonu Shamdasani, W.W.Norton & Company, New York/ London, 2009, p. 551-553.

[43] Pascal, Gedachten op.cit, p.56