Georges Bataile: De praktijk van vreugde vóór ik sterf.

 

Ik geef mijzelf over aan vrede, tot het punt van vernietiging.

De geluiden van strijd zijn verloren in de dood, zoals rivieren verloren gaan in de zee, zoals sterren uit elkaar spatten in de nacht.

De kracht van het gevecht wordt vervuld in de stilte van elke handeling.Ik ga vrede binnen zoals ik binnentreed in een donker ongekendeIk val in deze donkere ongekende,Ik word zelf deze donkere ongekende.

II

Ik BEN vreugde vóór ik sterfVreugde vóór de dood mij draagt.Vreugde vóór de dood mij op de grond smijt.Vreugde vóór de dood mij vernietigt.

Ik verblijf in deze vernietiging en, vandaar schilder ik de natuur als een spel van krachten tot uitdrukking gebracht in veelvormige en onophoudelijke angst.

Ik verlies mijzelf langzaam in onbegrijpelijke en bodemloze ruimte.Ik doordring de diepten van werelden.

Ik ben verslonden door de dood.

Ik ben verslonden door koorts.

Ik ben opgeslurpt in sombere ruimte.

Ik ben vernietigd in vreugde vóór de dood.

III

IK BEN vreugde vóór ik sterf

De diepte van de hemel, verloren ruimte is vreugde vóór de dood:

Alles is grondig gebarsten.

 

Ik verbeeld me de aarde die duizelingwekkend rondtolt in de hemel.

Ik verbeeld me de hemel zelf wegglijdend, ronddraaiend, verloren.

De zon, vergelijkbaar met alcohol, ronddraaiend en ademloos exploderend.

De diepte van de hemel als een orgie van bevroren licht, verloren.

Alles wat bestaat, vernietigt zichzelf, consumeert zichzelf en sterft, ieder moment produceert zichzelf slechts in de vernietiging van wat voorafgaat en bestaat zelf als dodelijk gewonde.

Onophoudelijk vernietig en consumeer ik mijzelf in mijzelf in een groot festival van bloed.

Ik verbeeld mij het bevroren moment van mijn eigen dood.[1]

IV

Ik staar naar een punt voor mij en stel me dit punt voor als het geometrisch punt van elk bestaan en van elke eenheid, van elke scheiding en elke angst, van elk onbevredigd verlangen en elke mogelijke dood.

Ik hecht aan dit punt en een diepe liefde voor wat zich in dit punt bevindt, doet me branden tot aan de weigering voor iets anders in leven te blijven dan voor wat daar is, dit punt dat, daar het zowel leven als dood van een geliefd wezen is, de schittering van een waterval heeft.

En terzelfder tijd is het noodzakelijk wat daar is te ontdoen van zijn uiterlijke voor­stelling, totdat het nog slechts zuivere innerlijkheid is, zuiver innerlijke val in een leegte: dit punt waardoor deze val onophoudelijk verzwolgen wordt in het niets, dat wil zeggen het 'achterhaalde', dat het in zich heeft, prostitueert in dezelfde beweging onophoudelijk zijn heimelijke, maar vlammende verschijning aan de liefde, die wil grijpen wat wil ophouden te zijn.

De onmogelijkheid van bevrediging in liefde is een gids naar de vervullende sprong. Die tegelijkertijd de nietigverklaring is van alle mogelijke illusie.

V

Als ik me het in extase geraakte gelaat van een stervend wezen voorstel in een visioen en in een verheerlijkend aureool, verlicht de uitstraling van dit gelaat noodzakelijk de hemelwolken, waarvan het grijze schijnsel doordringender wordt dan dat van de zon zelf. In deze voorstelling blijkt de dood van dezelfde aard als het verlich­tende licht, voor zover dit zich verliest als het uit zijn bron weg­trekt: wil de schittering van het leven het duffe bestaan doorkrui­sen en verheerlijken, dan volstaat, naar het lijkt, geen geringer ver­lies dan de dood, omdat het slechts de vrije ontworteling van dit be­staan is die in mij de macht van het leven en van de tijd wordt. Zo houd ik op meer dan een spiegel van de dood te zijn, zoals ook het heelal de spiegel van het licht is.

VI Heraclitische meditatie  

IK ZELF BEN OORLOG

Ik verbeeld mij menselijke beweging en opwinding, waarvan de mogelijkheden grenzeloos zijn; deze beweging en opwinding kunnen slechts verzacht worden door oorlog.

Ik verbeeld mij de gift van een oneindig lijden, van bloed en open lichamen, in het beeld van een ejaculatie die het ene velt die het schokt en hem overlaat aan een uitputting beladen met walging.

Ik verbeeld me de aarde geprojecteerd in ruimte, als een vrouw die schreeuwt, haar hoofd in vlammen.

Vóór de aardse wereld wier zomer en winter de doodsangst regelt van alle levende dingen, voordat het universum, samengesteld uit ontelbare wentelende sterren, grenzeloos verloren gaat en zichzelf verteert, kan ik alleen een opvolging van gruwelijke pracht waarnemen waarvan elk moment vereist dat ik sterf: deze dood is slechts de exploderende vertering van al wat was, de vreugde van bestaan van alles dat komt in de wereld; zelfs mijn eigen leven vereist dat alles wat bestaat, overal, onophoudelijk zichzelf geeft en vernietigd wordt.

Ik verbeeld mijzelf bedekt met bloed, gebroken maar verheerlijkt en in overeenstemming met de wereld, zowel als prooi als een klauw van TIJD, welke onophoudelijk doodt en onophoudelijk gedood wordt.

Er zijn overal explosieven die mij misschien spoedig blind zullen maken. Ik lach wanneer ik denk dat mijn ogen vasthouden aan veeleisende objecten die hen niet vernietigen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[1]Op een nacht droomde X dat hij getroffen werd door de bliksem; hij begrijpt dat hij stervende is en hij is, plotseling, op miraculeuze wijze, verblind en herschaprn; op dit punt in zijn droom bereikt hij het onverwachte, maar hij ontwaakt.