›› Mystagogie

Jan van het Kruis. Hij wist een leerling met rust te laten

Johannes van het Kruis

In 1578 werd Johannes van het Kruis door zijn medebroeders ontvoerd en opgesloten in een kleine cel van een karmelietenklooster, waar hij negen maanden lang in eenzaamheid verbleef. Ongeveer een jaar later schreef hij dit gedicht:1

In een donkere nacht
radeloos ontvlamd in liefde

o fortuinlijk toeval
ging ik ongemerkt naar buiten
mijn huis was reeds in rust

In duisternis en beschermd
langs de geheime trap vermomd
o fortuinlijk toeval
in duisternis en verborgen
mijn huis was reeds in rust

In de fortuinlijke nacht
in het geheim zodat niemand me zag

zelfs ik niets zag
zonder ander licht als gids
dan dat wat in mijn hart brandde

dat gidste mij
zekerder dan de klaarlichte dag

naar de plek waar mij opwachtte
hij die ik wel kende
daar waar niemand kwam

O nacht die mij gegidst heeft
o nacht dierbaarder dan de ochtend

o nacht die verenigd heeft
geliefde met geliefde
geliefde in geliefde omgevormd

Aan mijn borst vol bloemen
die enkel voor hem geheel was voorbehouden

sliep hij in
en ik verwende hem
ceders waaiden ons koelte toe

De bries uit de tinnen
toen ik door zijn haren streek

met haar serene hand
verwondde mijn hals
en schortte al mijn zintuigen op

Ik bleef er en vergat
het hoofd gebogen over de geliefde

alles viel stil en ik gaf op
gaf op mijn waakzaamheid
tussen de witte leliën vergeten

Johannes van het Kruis was toen zesendertig jaar. 2 Als kind van straatarme ouders moest hij voor het gezinsinkomen zorgen, na de vroege dood van zijn vader. Na twaalf ambachten en dertien ongelukken (timmerman, kleermaker, beeldhouwer, schilder) kreeg hij een baantje als loopjongen in een ziekenhuis, gespecialiseerd in besmettelijke ziekten. In zijn vrije uren kreeg hij de gelegenheid aan een jezuïetencollege lessen te volgen in grammatica, Latijn, Grieks en retorica. Studeren deed hij vaak ’s nachts. Hier werd de basis gelegd van zijn denken en zijn literaire cultuur.

In die tijd leert hij de karmelietenorde kennen en besluit om toe te treden, weliswaar ‘in het geheim’. Hij gaat theologie studeren aan de universiteit van Salamanca. Wellicht heeft hij colleges gevolgd bij Luis de Leon in de beroemde zaal met de lange houten banken, die er nog steeds te zien zijn. Enige tijd later zou Louis de Leon, die joodse ouders had, dus reeds verdacht was, worden aangeklaagd door de Inquisitie, onder andere omdat hij het Hooglied vertaald had in het Spaans en kritiek leverde op de Latijnse Vulgaat. Het proces duurde vijf jaar en al die tijd werd hij gevangengehouden. Toen hij vrij kwam, ging hij naar de collegezaal, riep de studenten bijeen en begon zijn les met de beroemde woorden: Dicebamus hesterna die, ‘Zoals we gisteren gezegd hebben’.3

Tijdens zijn studietijd zou Johannes kennismaken met Aristoteles, Petrus Lombardus, Ockham, Plato, Avicenna en Averoës. Maar hij laat zich vooral inspireren door Gregorius de Grote en Dionysius de Areopagiet. Hij wordt benoemd tot studieprefect, begeleider van jonge studenten.

In 1567 ontmoet hij in Medina del Campo, zijn geboortestad, Teresa van Avila. Zij ziet direct zijn talent en vraagt hem de mannelijke tak van de Orde te hervormen. Hij stemt toe en reist samen met haar naar Valadolid om een klooster te stichten. In Duruedo vindt de eerste vestiging plaats: een bouwvallig huisje, niet meer dan een kluis, verscholen tussen een paar bosjes. Johannes wordt benoemd tot sub-prior, belast met de vorming van de eerste novicen. Een jaar later volgt in Pastrana een tweede stichting, tevens studiehuis. Johannes wordt de rector van dit college. Nauwelijks dertig jaar oud is hij de geestelijke leidsman van de Ongeschoeide Karmel. In de toekomst zullen talloze mannen en vrouwen hem raadplegen als mystagoog.

In 1572 reist hij naar Avila om in Encarnation, het klooster waar Teresa priorin is, biechtvader en vicaris te worden. Hij zou er vijf jaar blijven. Hoewel de hervorming onder de leden van de karmelietenorde aanvankelijk veel steun krijgt, rijzen er langzamerhand spanningen. Vooral ook door ongelukkige bemoeienissen van buitenstaanders ontstaan er misverstanden die tot pijnlijke conflicten leiden.

De ruzie krijgt absurde proporties. Met een medebroeder wordt Johannes gevangengenomen en naar Meldino del Campo gevoerd. Een interventie van de nuntius zorgt spoedig voor hun vrijlating. Maar bijna twee jaar later wordt Johannes opnieuw gevangengenomen en opgesloten in een kloostercel in Toledo. Niemand weet waar hij is, ook Teresa niet. Er gaan geruchten dat ze hem vermoord hebben. Volledig geïsoleerd brengt hij negen maanden door in een cel waar nauwelijks licht doordringt. Ze geven hem nooit schone kleren. De maaltijden zijn karig en eentonig. Regelmatig moet hij lijfstraffen ondergaan. Soms voeren zijn tegenstanders gesprekken voor zijn deur, zodat hij het kan horen. Zo suggereren zij dat Teresa haar hervormingsplannen heeft opgegeven, ze laten merken hoe dwaas ze het vinden dat hij volhoudt terwijl zijn zaak reeds verloren is. In zijn eenzaamheid begint Johannes aan zichzelf te twijfelen. Deed hij er wel goed aan om zo hardnekkig aan de vernieuwing vast te houden? Waar haalde hij het recht vandaan om tegen zijn oversten in te gaan? Had hij geen gehoorzaamheid beloofd? Scrupules en bekoringen bekruipen hem. Was zijn voorkeur voor de oorspronkelijke regel niet gebaseerd op eigendunk?

Na zes maanden krijgt hij een nieuwe bewaker, die hem aanzienlijk welgezinder is. Deze geeft hem schone kleren en pen en papier. Eindelijk kan Johannes iets opschrijven. Op een avond, in de greep van een uiterst sombere stemming, hoort hij vanuit zijn cel een jongeman een liefdesliedje zingen:

Ik sterf van liefde,

Liefste wat moet ik doen?

 – Sterven.

In een oogwenk is zijn somberheid doorbroken. Een grote vreugde overvalt hem. Hij weet dat hij zijn leven lang verliefd was en dat deze verliefdheid, ondanks zware beproevingen, nog altijd levend is. Vanaf zijn kinderjaren kende hij slechts één hartstochtelijk verlangen: in de nabijheid te zijn van zijn geliefde. In die donkere dagen van zijn gevangenschap dacht hij dat zijn geliefde hem had verlaten. Maar nu weet hij dat ze nooit van elkaar gescheiden zijn geweest. Zijn verlangen is het teken van hun eenheid. En hij begint te schrijven: de eerste strofen van zijn Geestelijk Hooglied. Waarschijnlijk heeft hij meerdere gedichten geschreven, althans een aanzet daartoe.

Zijn bewaker helpt hem aan een paar lakens, die hij aan elkaar knoopt. Op een avond, als het slot van zijn deur opzettelijk is opengelaten, aan de vooravond van Maria Hemelvaart, sluipt Johannes ’s nachts zijn cel uit, klimt door een raam van de kloostergang naar buiten en laat zich langs de aaneengeknoopte lakens omlaag zakken, tot hij op hardhandige wijze de grond bereikt. Een gedenkplaat op de muur van Toledo herinnert nu nog steeds aan deze klassieke ontsnapping. Hij vlucht naar een klooster van de karmelietessen en verschuilt zich een maand in het huis van een hem welgezinde leek in Toledo. Daarna vertrekt hij naar klooster El Calvario in Beas. Hij wordt gekozen tot vicaris en tevens tot rector van een nieuw te stichten college. Het is 1579 en wellicht schrijft hij in dat jaar En una noche oscura.

Dit gedicht is geschreven in een zeer strak rijmschema, waarbij de klinkers in het Spaans de verschillende stemmingen weergeven. Vertalingen kunnen hier nauwelijks recht aan doen. Op verzoek begint hij een jaar later aan een commentaar op dit gedicht. Zes jaar lang werkt hij aan de Bestijging van de berg Karmel. Hij komt niet verder dan de eerste drie strofen en laat het werk onvoltooid. In 1585 begint hij aan een tweede commentaar, Donkere nacht. Weer behandelt hij de eerste drie strofen, waarna hij het manuscript onafgemaakt laat liggen. Hoewel het commentaar nauw verbonden is met het gedicht, hebben de 92 hoofdstukken een geheel eigen sfeer. Ze vormen een mystagogisch traktaat waarin het geestelijke pad minutieus wordt uitgelegd. Hier is de leraar aan het woord. Maar de leraar spreekt vanuit een onuitsprekelijke ervaring. Het verband tussen gedicht en commentaar is suggestief. Het gedicht onthult een geheim, een gebeurtenis die ooit heeft plaatsgevonden, namelijk de ‘volmaakte vereniging met God in de liefde’. Voorzover dat mogelijk is, vertelt het commentaar wat eraan voorafging:

Want om deze hoge staat van volmaaktheid te bereiken moeten de gelukkige zielen gewoonlijk zo grote en zo diepe, zowel geestelijke als lichamelijke duisternissen en moeilijkheden doormaken, dat geen menselijk weten bij machte is het te begrijpen en geen ervaring in staat het te zeggen. Slechts wie er doorheen gaat zal het immers kunnen aanvoelen, maar ook hij kan het niet in woorden uitdrukken.4

Hoewel het gedicht idyllisch is, beschrijft het commentaar een uiterst moeizame en pijnlijke weg daarheen. Wat voorafging aan die bijzondere nacht is niet minder dan een geleidelijke transformatie, de vergoddelijking van de mens.

Wat het gedicht betreft, nergens valt het woord God of een van zijn namen. Geschreven in de eerste persoon vertelt Johannes zijn verhaal. Hij was verliefd. Op een nacht ging hij naar zijn geliefde. Er is geen vermelding van een afspraak. Hij is een en al begeerte (‘radeloos ontvlamd’) om zijn geliefde te ontmoeten. De sfeer is geheimzinnig. Hij gaat alleen. Niemand is getuige. Niemand die hem op zijn nachtreis vergezelt. Hij voelt zich – nu hem deze gelegenheid geboden wordt – rijk en gezegend, een gelukkig toeval, alsof het niet zijn verdienste is. Om zijn gelukkige eenzaamheid te beklemtonen herhaalt hij: ‘Het was echt nacht, aardedonker, de duisternis was mijn bescherming, de nacht “omhulde mij” zodat niemand mij zag.’ En om het nog mysterieuzer te maken gaat hij vermomd naar buiten ‘langs de geheime ladder’. Hij onderneemt iets dat het daglicht niet kan verdragen. Maar wat?

Het commentaar biedt een handreiking. De geliefde die Johannes zo gretig wil ontmoeten is alleen in het donker te zien. In het daglicht kan hij niet worden waargenomen. De zintuigen, de wil en het denken zijn in hun gewone werkwijze niet toegerust om de beminde te onderscheiden. Integendeel, hoe meer het normale oog wil zien, hoe meer voorstellingen en beelden het denken creëert om de geliefde af te bakenen en tot aanwijsbaar object van zijn verlangen te maken, hoe meer hij zich terugtrekt en onvindbaar is. Alleen wie afscheid neemt van de dagelijkse gang van zaken, krijgt de ontmoeting in het vooruitzicht gesteld. Hoe hoopvol dit afscheid ook is, het gaat gepaard met pijn en verdriet. Door het achterlaten van de vertrouwde wereld ontstaat er een gevoel van vervreemding. Er wordt een totale omkering gevraagd: in plaats van actief en gericht te zoeken moet de ziel zich laten vinden. Dat voelt tegennatuurlijk aan. Het afstand nemen van de natuurlijke en geestelijke goederen schept een toestand van armoede en verlatenheid. De ziel weet niet meer wat te doen, ze kent niemand die haar bij de hand neemt. Alleen gelaten en van alles ontdaan wordt de ziel in een duisternis geplaatst waar niets te zien is. In plaats van kijken rest haar alleen een schouwen. Maar dit laatste is niet wat ze zelf bewerkt. God, haar geliefde, is degene die de contemplatie schenkt. Het is niet alleen een schouwen in de duisternis, maar is zelf ook duister. Dat is een benauwende ervaring. Johannes zegt:

Hierin lijdt de ziel niet alleen door de leegte en het wegvallen van haar natuurlijke steunpunten en waarnemingen, wat een zeer beklemmend lijden is, alsof men iemand de lucht afsnijdt of ontneemt en hij niet meer kan ademen; maar bovenal loutert dit schouwen de ziel door alle gehechtheden en onvolmaakte gewoonten die zij gedurende haar hele leven heeft aangenomen, te vernieten, te ontledigen of te verteren zoals vuur dat doet met aanslag van roest of metaal.5

Dit uit het daglicht treden en de nacht binnengaan geschiedt geleidelijk, zoals je maar langzaam van een verslaving geneest. Het loskomen van het alledaagse aanvoelen van dingen, en ook van de geestelijke patronen en denkbeelden, gaat gepaard met een traag wennen aan de nieuwe situatie, zoals ogen gewend moeten raken aan plotselinge donkerte.

[t3]Het schijnt de ziel hier toe, dat zij vanwege dit afscheid buiten zichzelf van verdriet is. Andere keren denk zij dat wat ze meemaakt een betovering of een vervoering is. Zij is verwonderd over de dingen die zij ziet en hoort, want ze lijken haar buitengewoon en zeer vreemd, al zijn het dezelfde dingen waarmee zij gewoonlijk omging.6

Hoe verder de ziel op deze louteringsweg geraakt, hoe meer het goddelijke haar toestroomt. Ze is steeds beter voorbereid om tot een innerlijke gelatenheid en vrede te komen die vol geneugte is. Hoe verder de ziel van het daglicht verwijderd raakt, hoe meer de Geliefde zich aan haar kan schenken. Maar hoe weet de ziel dat ze in deze nacht vooruitgaat? Door steeds meer de duisternis in te gaan, door een steeds groter niet-weten, omdat de nacht zelf haar gids is. Daarom zegt Johannes van het Kruis in dit gedicht ‘de nacht zelf leidde mij’. En de gids, wiens gestalte niet te zien is en zijn woorden niet te vernemen, die is betrouwbaarder dan het daglicht.

De ziel lijkt te verzinken in haar eigen geheime afgrond, zodat de ziel duidelijk ziet dat zij zeer ver van elk schepsel is verwijderd. Hierdoor schijnt het haar toe, dat men haar in een zeer diepe en weidse eenzaamheid plaatst, waar geen menselijk wezen komen kan, als een onmetelijke woestijn die nergens een grens heeft. Deze woestijn is des te genotvoller, kostelijker en liefdevoller naarmate hij dieper, weidser en eenzamer is. Hier voelt de ziel zich verborgen, boven elk tijdelijk schepsel verheven.7

Zo daalt de ziel ‘langs de geheime ladder’ van het geheime schouwen. Een ladder is om te klimmen en te dalen. Tijdens dit nachtelijke avontuur raakt de ziel boven zichzelf verheven, maar voelt zich ook heel nederig. Ze ontvangt genadevolle momenten, afgewisseld met gevoelens van onmacht en verlatenheid. Maar de ladder voert omhoog tot de laatste trede, waar de vereniging met de geliefde plaatsvindt. De ladder staat voor de contemplatieve weg en het schouwen is de wetenschap van de liefde. Want de liefde stuwt de ziel omhoog en wat uiteindelijk gevonden wordt is niets dan liefde.

Opgeklommen langs deze ladder volgt het gedicht met een tweede ‘mijn huis was reeds in rust’. Johannes legt uit dat dit tweemaal wordt genoemd vanwege de twee gebieden van de ziel: het geestelijke en het zinnelijke. Beide moeten omgevormd, geordend en tot rust gebracht worden.

Het commentaar houdt op bij de derde strofe. Liet Johannes het bewust aan de leerling over om de volgende vijf te interpreteren? Wist hij niet hoe dit verder nog uit te leggen was? Of werd hij door zijn vele werkzaamheden zozeer opgeslokt dat hij er de tijd niet voor kon vinden? Kon dit tedere en intieme schouwspel waar twee geliefden zich verenigen, de verklarende en analyserende taal van het commentaar wel verdragen, zonder dat het subtiele poëtische beeld zijn zeggingskracht verloor?

Nogmaals zegt de dichter dat de nacht hem de weg wees, naar een plek waar zijn geliefde wachtte. Niemand kende deze plek. Niemand kon er komen. De meest eenzame van alle eenzame plekken. Alleen een minnaar en een minnares weten die te vinden. Maar de nacht is niet alleen een gids, maar tevens de vereniging van beiden. De loutering, de ontbloting, de vernieting, het niet-weten, het nergens meer naartoe willen is de omvorming, de plaats waar de eenwording van de twee geliefden zich voltrekt. En wat doet de zo hevig verlangde geliefde? Die valt in slaap. ‘En ik koesterde hem in mijn armen’, zegt Johannes. Een piëta van de verrijzenis. Er waaide een koele bries die ‘met een serene hand mijn hals verwondde’, hetgeen wellicht betekent: die al mijn denken wegnam. De dichter kon slechts naar zijn geliefde kijken, ‘maar wij keken niet naar elkaar, want ik was hem en hij was mij.’ Ze zijn een en al aanwezigheid voor elkaar.

Waarom Johannes stopte met zijn commentaar is niet duidelijk. Hij had een drukbezet leven en reisde veel. Kriskras door het Spaanse land om deel te nemen aan kapittels, nieuwe vestigingen te stichten (Granada, Malaga, Cordoba) en bestaande kloosters te bezoeken, de ‘visitaties’, dat wil zeggen controle uitoefenen of men zich aan de orderegels hield, zonodig orde op zaken stellen, ruzies beslechten en geestelijke adviezen geven. De problemen tussen de hervormingsgezinde ongeschoeiden en de behoudende geschoeiden zouden hem zijn hele leven blijven achtervolgen. En intussen schreef hij. In 1584 werkte hij nog aan drie commentaren: het Geestelijk Hooglied, de Bestijging van de berg Karmel en de Donkere nacht.

Ook schreef hij het gedicht De levende vlam van Liefde, voor zijn geestelijke dochter Anna de Penalosa, een rijke vrome lekenvrouw en weldoenster van de Karmel. Zij vroeg hem om een geschreven uitleg. In twee weken tijd voltooide hij zijn commentaar en vanwege die snelheid hebben kopiisten in de kantlijn toegevoegd: ‘Geschreven in een toestand van gebed.’ Gedicht en commentaar gaan over de hoogste staat van de mystieke weg. Omdat hij tegelijkertijd nog volop aan zijn andere commentaren werkte, had Johannes misschien het gevoel dat hij zichzelf alleen maar zou herhalen. Wellicht begint De levende vlam van Liefde waar zijn andere commentaren eindigden. Overigens bestaan er twee redacties van het commentaar. Meestal gebruikt men de tweede, omdat deze wat uitgebreider is en ook verbeteringen en nadere verklaringen bevat.

Deze tweede redactie schreef Johannes aan het einde van zijn leven. Op het generale kapittel van 1591 in Madrid werd hij ontheven van al zijn functies vanwege zijn rol in de hervorming. Als ambteloos broeder werd hij naar La Penuela gestuurd, waar hij in augustus van dat jaar aankwam. Hoe vernederend dit voor hem ook was, hij kreeg alle tijd om te doen wat hij graag wilde. Twee medebroeders verklaarden uitdrukkelijk dat ze hem in La Penuela bezig zagen met de revisie van zijn laatste mystieke traktaat.

Tekening
Tekening van Johannes van het Kruis. De kruisiging afgebeeld in een voor zijn tijd ongewoon perspectief. Dit inspireerde Salvador Dali tot zijn ‘El Christo de San Juan de la Cruz’.
'El Cristo de San Juan de la Cruz'
Salvador Dali: El Cristo de San Juan de la Cruz'

Gezangen die de ziel schept in de innige vereniging met de liefde van God

O vlam van liefde levend
die teergevoelig wondt

in het allerdiepste centrum van mijn wezen,
jij bent niet meer afwerend;
voltooi nu, als je wilt,
verbreek het weefsel van dit fijn ontmoeten.

O zacht en liefelijk schroeien,
o, zoet strelende wonde,
o hand zo zacht, o fijngevoelig raken,
dat eeuwig leven proeft
en kwijtscheldt alle schuld;
dodend heb je dood tot leven gebracht.

O lampen vol van vuur,
in jullie schitterend schijnsel
geven de diepe groeven van de zinnen,
die donker waren en blind,
met ongekende schoonheid
warmte en licht ineen aan de Beminde.

Hoe zacht en vol van liefde
ontwaak jij in mijn boezem,
waar jij alleen geheimvol woont;
hoe, in jouw heerlijk ademen
vol weldaad en vol luister,
maak jij mij overheerlijk verliefd.

Men dient zich er wel bewust van te zijn,’ zegt Johannes in de proloog, ‘dat alles wat ik ga zeggen even ver van de werkelijkheid staat als een schilderij van het levende model.’ Hoewel hij literatuur van wereldklasse schrijft, weet hij dat zijn woorden slechts een ‘stamelen’ is. Niettemin onderneemt hij zijn meesterproef. Hij waagt zich aan het hoogste van het hoogste, het subtielste van het subtielste. Wie kan hem hier nog volgen? Alleen wie de liefde kent, begrijpt de taal van de liefde.

Het gebeurt ‘in het allerdiepste centrum van mijn wezen’. Het gedicht staat wederom in de ik-vorm. Alleen de mysticus zelf kan getuigen van wat er zich in zijn geest afspeelt, onzichtbaar, onwaarneembaar voor de buitenwereld. ‘Het middelpunt van de ziel is God.’ Tot daar ben ik doorgedrongen, geeft Johannes aan. Daar brandt een fijnzinnig vuur, dat schroeit en zacht beweegt. Die vlam veroorzaakt een wond. Ze brandmerkt mijn binnenste met genotvolle mededelingen. Vroeger, op weg in de donkere nacht, leek al het zozeer verlangde zich voortdurend terug te trekken, maar nu ik volkomen passief geworden ben, voorbij de angst en huiver om zo stil te zijn, voel ik me geheel en al aangeraakt. Al ligt er over de volkomenheid van onze ontmoeting, zo dun als een spinnenweb, nog een sluier die ik niet kan doorbreken. Liefde schroeit en verwondt.

De wonde echter, die veroorzaakt wordt door dit schroeien van de liefde, kan door geen ander geneesmiddel geheeld worden dan door dat schroeien zelf. Hetzelfde schroeien dat de wonde toebrengt, geneest ze ook, en door ze te genezen brengt het ze ook toe. Telkens als dit schroeien van de liefde doordringt in de liefdewonde, maakt het de liefdewonde groter. Het schroeien geneest dus en maakt gezond naarmate het meer verwondt. Hoe dieper de minnaar gewond raakt, hoe gezonder hij is. De genezing die door de liefde wordt gebracht, bestaat juist in het schroeien van een nieuwe wonde op de reeds geschroeide plek. Dit gaat zo ver, dat de wonde groter wordt tot de gehele ziel niets anders meer is dan een liefdewonde. Ze is op die manier geheel en al geschroeid en liefdewonde geworden. Daarom voelt ze zich volkomen gezond in de liefde. Ze is immers omgevormd in liefde.8

Daarom is de wond een gelukkige wond. Wat me treft en kwetst in het innerlijke van de geest is heerlijk en vol vreugde. Het smaakt naar eeuwigheid. Johannes gebruikt biddende woorden:

[t3]Hoe onzegbaar teder is de aanraking door U, o Woord! Zij vindt in de ziel plaats door niets minder dan uw totaal enkelvoudige substantie en door uw zijn, dat niet-samengesteld is. Omdat dit oneindig is, is het ook oneindig teder. Daarom raakt het op zo’n subtiele, liefdevolle, verheven en tedere wijze aan, dat het smaakt naar eeuwig leven (…) Er bestaan geen woorden om de zo verheven dingen van God uit te leggen die in deze zielen plaatsvinden. De eigen taal van deze zielen bestaat hierin dat zij het wel voor zichzelf begrijpen en ervaren, maar dat ieder voor zich erover zwijgt als hij het ervaart en ervan geniet.9

Deze genotvolle beleving trilt door in alle ledematen, de beenderen en het merg, tot in de uiterste gewrichten van handen en voeten. Hier vindt een troost plaats voor lijden, inspanning en schuld. Want je hebt me gedood. Ik ben een volmaakte dood gestorven en dankzij dit sterven van al het menselijke aan mij is er het grote geestelijke leven. Mijn verstand kan alleen nog het goddelijke denken en mijn wil is slechts gericht op goddelijke liefde. Dit vuur schijnt als een lamp en verlicht mijn gedachtewereld en alle zintuigen tot in hun diepste groeven.

Het bevattingsvermogen van deze groeven is diep. Want wat erin opgenomen kan worden, namelijk God, vertoont een diepte van oneindige goedheid. Zodoende is hun bevattingsvermogen in een bepaald opzicht ook oneindig. Dus is ook hun dorst een oneindige dorst, en ook hun honger is diep en oneindig. Hun verteerd worden en pijn zijn een oneindige dood. Weliswaar lijden ze niet zo intens als in het andere leven. Maar toch is het een levend beeld van die oneindige beroving, daar de ziel reeds in zekere mate voorbereid is om haar volheid te ontvangen.10

Plotseling verandert het commentaar van toon. Er kan nog een terugval plaatsvinden. Afgezien van het feit dat de ziel voor zichzelf een hindernis kan zijn, kan de geestelijk leidsman wel eens het grootste obstakel blijken. Johannes, de zachtmoedige, de innemende, weinig spraakzame en wat teruggetrokken man, schrijft met harde woorden en vlijmscherpe verwijten:

Voor de ziel die vooruit wil gaan in de ingekeerdheid en volmaaktheid, is het van groot belang uit te kijken aan wiens handen zij zich toevertrouwt. Want zoals de meester is, zo is de leerling, en zoals de vader is, zo is de zoon. Voor die weg – zeker voor het laatste stuk en zelfs voor het middenstuk – is nauwelijks een gids te vinden die alle vereiste kwaliteiten heeft. Hiermee dient men rekening te houden. Want behalve dat hij wijs moet zijn en onderscheidingsvermogen moet hebben, dient hij ook over ervaring te beschikken. Want ofschoon kennis en onderscheidingsvermogen fundamenteel zijn voor de leiding van de geest, zal de geestelijk leider zonder ervaring van wat zuivere en echte geest is, de ziel toch niet weten te leiden naar de geest, wanneer God haar die geest geeft. Hij zal er zelfs niets van begrijpen.11

Veel geestelijk leiders ontbreekt het aan inzicht in de wegen en het eigene van de geest. Ze leiden de zielen die hun toevertrouwd zijn ‘op een andere, slome wijze waarlangs zijzelf tot dan toe gegaan zijn, of waarover ze ergens iets gelezen hebben.’ Kortom, een leraar die wellicht goed is voor beginnelingen, maar die niet verder reikt.

Zelfs als God de zielen hogerop wil brengen, laten zij hen niet verder komen dan dit eerste begin, die discursieve methode met behulp van beelden. Zodoende brengen ze deze zielen nooit verder dan hun natuurlijke bekwaamheid; ze maken hen daar niet van los. Daarmee kan de ziel echter slechts heel weinig bereiken.12

De ziel moet nu heel anders geleid worden dan in het begin. Als de ziel door haar lange, duistere zwerftocht van innerlijke loutering zover is gekomen dat ze beroofd is van haar natuurlijke staat en volledig ‘verniet’, dan is het uitsluitend aan de bovennatuurlijke handelwijze van God gegeven om Zijn liefdevolle kennis in haar te storten.

Om die kennis te kunnen ontvangen moet de ziel met betrekking tot haar natuurlijke activiteit tot niets zijn teruggebracht. Zij moet onthecht, vredig, rustig zijn, met niets bezig; zij moet sereen zijn zoals God. Zij moet lijken op de lucht: naarmate zij meer gezuiverd van dampen, gewoner en rustiger is, des te meer wordt ze door de zon verlicht en verwarmd. De ziel mag dus nergens aan gehecht zijn, niet aan de beoefening van de meditatie of het discursieve denken, niet aan een bepaalde – hetzij zintuiglijke hetzij geestelijke – smaak en ook niet aan om het even welke activiteit. De geest moet ten opzichte van alles zo vrij en tot niets geworden zijn, dat elke gedachte, redenering of genot waaraan de ziel zich dan zou willen vastklampen, haar zou hinderen en verontrusten. Het zou lawaai maken in de diepe stilte die op zintuiglijk en geestelijk niveau in de ziel moet heersen.13

En Johannes gaat verder:

Wanneer het nu gebeurt dat de ziel zichzelf ervaart als geplaatst in die stilte en in dat luisteren, dan moet ze ook nog de praktijk van die liefdevolle aandacht vergeten, waarover ik sprak. Ze moet immers geheel vrij worden voor wat de Heer dan van haar verlangt (…) Deze zeer verheven wijsheid en taal van God, de contemplatie, kan men alleen maar opnemen in een geest die tot zwijgen is gebracht en los staat van het smaakvolle kennen in het discursieve denken.14

[t1]Maar de geestelijke leidsman die niet verder is gekomen dan een beetje mediteren, zou dan zeggen: ‘Vooruit, houdt op met niets doen; het is luiheid en tijdverlies (…) Dat andere riekt naar illuminisme, het is niets anders dan luiheid.’ Met het woord ‘illuminisme’ geeft Johannes aan dat hij zeer goed weet hoe deze contemplatieve houding van in rust verblijven en niets doen, in zijn tijd onder verdenking staat en voor ketterij wordt gehouden. Maar dat komt voort uit onbegrip en gebrek aan vertrouwen dat God het werk voor ons zal doen. Als de ziel gedaan heeft wat ze kan, namelijk ontledigd raken van alle dingen en zodoende met lege handen staat, zonder eigendom, dan is het onmogelijk dat God zou nalaten het zijne te doen, namelijk zichzelf meedelen aan de ziel, ten minste in het geheim en in stilte. Want aan een stille wolkeloze hemel zal ook de zon niet nalaten te schijnen.

Maar zeer veel geestelijk leiders zijn zelf nooit zover gekomen. Ze hebben er geen weet van wat geest eigenlijk is. Ze zijn bang voor dit sluimeren van de zinnen, deze vervreemding van zintuiglijkheid. Zij willen dat de ziel altijd aan het werk is, waardoor ze geen ruimte laten voor Gods werk. Omdat het geestelijke werk op dit niveau enige subtiliteit vereist, noemt Johannes deze geestelijke leiders ‘onbeschoft’ als zij met hun lompe handen aan het werk van God komen. Niet zonder cynisme zegt hij:

Misschien dwalen ze met goede bedoelingen, omdat zij niet beter weten. Ze zijn daarom echter niet te verontschuldigen voor de raadgevingen die ze roekeloos gegeven hebben, zonder eerst de weg en de geest te kennen die de ziel gaat. Laten zij hun lompe hand er vanaf houden, als ze er geen inzicht in hebben, en het overlaten aan wie er wel inzicht in heeft.15]

In alle scherpte wijst Johannes erop dat leraren hun eigen beperkingen moeten kennen: ‘Niet iedereen weet voor iedereen hoe hij moet slagen en welk einde hij moet bereiken op zijn geestelijke weg.’ Vervolgens schetst hij een beeld van de gradaties van het leraarschap.

Niet iedereen die hout kan schaven, kan een beeld kappen; niet ieder die een beeld kan kappen, kan het keurig afwerken en polijsten; niet ieder die het kan polijsten, kan het beschilderen; en niet ieder die het kan beschilderen, kan er de laatste hand aan leggen, zodat het volmaakt wordt. Ieder van deze mensen kan niet meer aan het beeld doen dan zijn kundigheid toelaat; als hij daar bovenuit wil gaan, staat dit gelijk met het bederven van het beeld (…) Waar zult ge ophouden, vraag ik u, als ge steeds maar bezig blijft met hameren en schaven aan dat beeld, is dit het werken van de vermogens van de ziel? Wanneer moet dat beeld klaar komen? Wanneer en hoe krijgt God de gelegenheid het te beschilderen? Zijt gij wel bekwaam genoeg voor al die bewerkingen? Houdt gij u voor zo volmaakt dat die ziel nooit een ander dan u nodig zal hebben?16

Tot zover zijn tirade tegen domme en onervaren leraren, die de ontwikkelingsgang van de contemplatieve zielen in de weg staan. Daarnaast zijn er nog twee hindernissen: de duivel en zijzelf. Om dat uit te leggen heeft Johannes slechts vijf bladzijden nodig, terwijl hij er negentien gebruikt voor de blinde, onwetende leraar.

Dan vervolgt Johannes zijn commentaar op het gedicht. Geleidelijk wordt de ziel een steeds geschikter opvangcentrum en een betere bewaarplaats van Gods grootheden. Gods licht begint in de donkere spelonken van de ziel helderder te stralen, totdat Gods licht en het licht van de ziel één zijn. Het perspectief verandert totaal. Al is het verlangen naar God het begin en langere tijd de drijfveer van de contemplatieve weg, het is nog altijd een natuurlijk en menselijk verlangen, ook wanneer het geestelijke zaken betreft. Het gehecht zijn aan deze spirituele genoegens en de hunkering ernaar veroorzaken een soort blindheid, een neveligheid die voor de ogen van de rede hangt en verhindert om te zien wat er voor ons staat. Dit belet het zicht op de rijkdommen en grootheden van God. Voor de ziel die verlangens koestert, hoe verheven deze ook mogen zijn, is het onmogelijk de dingen van God te beoordelen zoals ze zijn. Daarvoor moet men het verlangen en het genot geheel uitsluiten.17 Anders gaat men de dingen van God onvermijdelijk beschouwen als niet van God, en wat niet van God is gaat men beschouwen als van God. Daarom moet de ziel ophouden naar God te verlangen, zodat God dit verlangen zelf in de ziel kan storten. Dan is het verlangen niet verschillend van Gods licht. Eén geworden met het licht van de ziel, schijnt Gods licht dan in de diepe afgronden van de ziel. Met ongekende schoonheid. Een respectabele schoonheid, omdat God wordt liefgehad omwille van God zelf. Hier ontwaakt de ziel, op een geheime plaats waar enkel haar geliefde woont. In dit ontwaken ziet ze de schepselen en alles wat geschapen is met goddelijke ogen.

Hoe is het mogelijk dat een mens bestemd kan zijn voor zo’n verheven, goddelijk leven zonder te bezwijken? Hoe kan een ziel zoveel schoonheid verdragen? Johannes geeft hier twee redenen voor. Dat een ziel niet bezwijkt is te danken aan de geleidelijkheid en traagheid van de contemplatieve weg. De ziel wordt langzaam omgevormd. Niet alleen de zogenaamd lagere niveaus van de menselijke ziel, maar ook de hogere vermogens van geheugen, verstand en wil, worden in overeenstemming met de geest gebracht. Ze wordt voorbereid op het ontvangen van onverstaanbare geestelijke mededelingen. Daartoe wordt de ziel gekneed tot ze godgelijkend is geworden. Bovendien, zoals in het gedicht wordt aangegeven, werkt God ‘zacht en liefdevol’. God is niet van de straffe hand of het geweld. Er wordt niets afgedwongen, het geschiedt als het afdalen in een warm bad. God en mens zijn één ademhaling. En ademen is vreugdevol. Toch wil Johannes liever niet spreken van ademhalen:

Want ik zie duidelijk dat ik het niet kan zeggen, en het zou de schijn wekken dat het precies dat is als ik er over zou spreken. Het is een ademen van God zelf in de ziel. Door dit ontwaken van die verheven kennis van Gods wezen ademt Hij haar de Heilige Geest toe. Dit is in verhouding met het inzicht en de kennis van God. Het neemt haar mee naar de diepten van de Heilige Geest; het doet haar ontvlammen in liefde, met goddelijke schoonheid en fijngevoeligheid in overeenstemming met wat zij in God gezien heeft. Omdat dit toe-ademen van God vervuld is van zegen en heerlijkheid, heeft de Heilige Geest de ziel daarin vervuld met zegen en heerlijkheid. Hierdoor doet Hij haar in de diepten bij God in liefde tot Zich ontvlammen, en wel op een wijze die alle taal en ervaren te boven gaat.18

Om de biografie van Johannes af te sluiten: in september 1591 werd hij door een kwaadaardige wondkoorts overvallen. Zij stuurden hem naar Ubeda, waar een kundige arts hem zou kunnen helpen. Enkele weken later kwam hij daar doodziek aan. Sommige broeders achtten hem zeer hoog, maar de prior koesterde een diepe haat en minachting jegens Johannes. De ziekte verergerde. Naast de koorts had hij nu een open wond aan zijn been en schouder. Toen zijn dood naderde, op 13 december, kwamen zijn medebroeders rond zijn bed staan. Zij zongen zoals gebruikelijk het Miserere. Johannes vroeg hen hiermee op te houden en in plaats van die boetepsalm het Hooglied te reciteren. Om twaalf uur ’s nachts stierf Johannes van het Kruis.

Hij was een groot mystagoog, hoewel ik vermoed dat dit woord toen reeds niet meer gebruikt werd. Honderden karmelieten, karmelietessen en leken hadden de weg gevonden om hem te raadplegen. Hoewel hij van de eenzaamheid hield in de natuur of in zijn cel, was hij tijdens een gesprek altijd vol aandacht voor degene die vóór hem stond. Hij was enkel en uitsluitend geïnteresseerd in God en de goddelijke capaciteiten van de ziel. Hij wist als geen ander dat – naar de woorden van Henri Bergson – in ieder mens een mysticus sluimert, die slechts op een gelegenheid wacht om te ontwaken. Hij onderwees consequent een contemplatieve weg. Toen in een kapittelvergadering het voorstel werd gedaan een karmelietenklooster als missiepost in Afrika te vestigen, stemde hij tegen met de woorden: ‘Wij zijn contemplatieven, geen missionarissen’.

Hij was een meester in het beschrijven van de werkzaamheid van de geest. Maar wie de diepte van de geest wil leren kennen, moet de ogen sluiten (muo in het Grieks), de blik naar binnen keren, doodstil worden, lange tijd de stilte uithouden en luisteren. Steeds de stilte uithouden en luisteren naar gefluisterde woorden, lang staren in een niets, alle begrip verliezen en de zwaar aangezette, diep ingeslepen grove taal van de ratio afleren, omdat deze de subtiele bewegingen van de geest verduistert.

Als dichter hoorde hij de geheime taal die oprees vanuit de diepste vallei, waar alleen de mysticus kan komen. En wie in deze duistere vallei wil afdalen, reikt hij de hand: ‘Ga maar, loop langzaam door. Voor deze weg ben je blind en doof en stom. Laat alles wat je weet en hoopt achter. Je hoeft niets te doen. Verlies je richtingsgevoel. Ik ben je souffleur. En telkens als je even aarzelt, fluister ik de woorden: ga maar door.’

Maar zijn grootste kunde was dat hij wist hoe en wanneer hij een contemplatieve ziel met rust moest laten.

  • 1. ‘Werkvertaling’ Boris Todoroff, En una noche oscura, vertaling van één gedicht, www.todoroff.info/nl
  • 2. Voor een biografie: Gerald Brenan, St John of the Cross: His Life and Poetry, transl. poetry by Linda Nicholson, Cambridge University Press, London, 1973; Crisogono de Jesus, Geboren uit Gods adem: Johannes van het Kruis, Carmelitana, Gent, 1958.
  • 3. Fray Luis de Leon, Lof der afzijdigheid: Gedichten, vert. en inl. Robert Lemm, Kok Agora, 1991.
  • 4. Johannes van het Kruis, Volledige Werken, vert. uit het Spaans door Joannes a Cruce Peters ocd en J.A. Jacobs, uitg. Paul Brand, Hilversum, 1962, p. 509.
  • 5. Jan van het Kruis, Donkere nacht, vert. Cees Bartels, Marika Meijer (commentaar) en Kees Waaijman (poëzie), SUN/Carmelitana, 2001, p. 125.
  • 6. Idem, p. 139.
  • 7. Idem, p. 173.
  • 8. Johannes van het Kruis, Volledige Werken, p. 999.
  • 9. Idem, p. 1005-1006.
  • 10. Idem, p. 1028.
  • 11. Idem, p. 1031-1032.
  • 12. Idem, p. 1032.
  • 13. Idem, p. 1035.
  • 14. Idem, p. 1035-1036.
  • 15. Idem, p. 1046.
  • 16. Idem, p. 1047.
  • 17. Idem, p. 1056.
  • 18. Idem, p. 1070.