›› Zen

Leraar van de contemplatieve praktijk van zazen

In een van zijn allereerste essays, Shobogenzo Bendowa, schrijft Dogen enkele cruciale openingszinnen:

“Alle Boeddhas-Tathagatas beschikken over een uitgelezen middel, onovertroffen en vrij van menselijke tussenkomst, om de wonderbaarlijke Dharma via persoonlijke ontmoeting over te leveren en volledige verlichting te realiseren. Dat het zonder enige afwijking van Boeddha tot Boeddha is doorgegeven, is te danken aan de samadhi van zichzelf-vervullende activiteit (jijuyu-samadhi). Om vreugdevol te        spelen in deze samadhi is het rechte zitten in zazen de juiste toegangspoort.” (Shobogenzo Bendowa) 1                   

Zoals zo vaak zet Dogen hier met enkele zinnen neer waar het hem omgaat:

  1. volledige verlichting,
  2. de transmissie van de Dharma,
  3. het middel bij uitstek: de concentratie (samadhi) van de zichzelf vervullende activiteit, een vreugdevol spel dat bereikt wordt in zazen.

Zijn gehele leer, welke volgens hem niet verschillend is van de leer van alle Boeddhas en Patriarchen, steunt uiteindelijk op de beoefening van zazen. Er zijn weinig leraren  in de geschiedenis van Zen aan te wijzen die zich zo vaak en zo nauwkeurig over zazen hebben uitgelaten. Dogen schreef verschillende essays over dit ‘zitten’: FukanzazengiShobogenzo zazengi en zazenshin,  en men vindt instructies verspreid over zijn gehele oeuvre. Iemand zei: alle geschriften van Dogen zijn slechts voetnoten bij   zazen. 2   Want zazen betekende alles voor Dogen.  Het was het prototype van religieus denken en handelen.  In zijn vorm en inhoud is zazen het compendium en paradigma van alle activiteiten. Wie Dogen’s leer wil begrijpen, zal  Dogen’s zazen moeten beoefenen.

Om het exclusieve belang van zazen te onderstrepen, gebruikt Dogen een gezagsargument: alle Boeddhas en Patriarchen beoefenden zazen. Het valt inderdaad niet te ontkennen dat reeds in het vroege Boeddhisme ‘meditatie’ een vooraanstaande plaats inneemt. Er zijn teksten die zeggen dat Siddhartha Gautama, later Sakyamuni Boeddha genaamd, verlichting bereikte door

volgens oud gebruik rechtop te zitten onder een boom en door een steeds diepere, meer ontledigde vorm van concentratie (samadhi, dhyana) tot inzicht kwam. Maar het oude Boeddhisme beklemtoonde  naast ‘meditatie’ ook sila (ethiek) en prajna (wijsheid). Het latere Mahayana schets het beeld van het Boeddhistische pad vooral door middel van de beoefening van de paramitas (‘deugden’: geven, verantwoordelijkheid, energie, geduld, concentratie en wijsheid). Dogen wijst slechts op ‘zazen-alleen’ (shikantaza), in de wetenschap dat al het andere eruit voortkomt. Vandaar dat hij ook alle andere praktijken -hoe gebruikelijk ook in de Boeddhistische traditie - zoals het aanroepen van Boeddha’s naam, wierook offeren, sutras of mantras zingen - radicaal van de hand wijst als het gaat om de essentie van zijn leer.  Dat wil zeggen, zij zijn niet noodzakelijk.

In zijn zazenteksten vinden we enkele praktische adviezen ter voorbereiding. 3 Zoek een rustige plaats, niet te warm en niet te koud. Wees (van te voren) matig met eten en drinken, want een volle maag zit niet graag.  Draag niet al te strakke kleding. Hij beschrijft meerdere malen de fysieke houding: volle of halve lotuszit, de positie van de handen enz.  Een goed overzicht biedt Carl Bielefeldt die de verschillende zazenteksten naast elkaar heeft gezet, en daarmee   de  nuances geeft  die met betrekking tot de houding op diverse plaatsen gegeven worden. Wat belangrijk is: het onbeweeglijk zittende lichaam.

Interessant is ook zijn advies van mentale voorbereiding:

“Zet alle verwikkelingen terzijde en breek met alle zaken. Denk niet aan goed of kwaad. Hou je niet bezig met voors of tegens. Stop het doen rondgaan van de functies van bewustzijn; stop de calculaties van het denkende, waarnemende en onderscheidmakende bewustzijn. Beoog niet een Boeddha te creëren, wees nog minder gehecht aan stil zitten”.
(Fukanzazengi)

Gecombineerd met het onbeweeglijk, fysieke zitten volgt de raad om alles wat ons bezighoudt aan zorgen en zaken voor de duur van het zitten  op te geven. Vervolgens om dit zitten niet te beoordelen naar het nut of zelfs naar een juiste wijze van zitten. Zazen heeft geen maatstaaf waaraan we af kunnen meten of het al dan niet goed beoefend wordt. Het is gebaseerd   op de beoefening om alle bewustzijnsfuncties (denken, waarnemen, herinneren, interpreteren, vergelijken, berekenen enz.) in tact te laten, er niets mee te doen, het zo te laten. Bewustzijnsfuncties zijn niet te stoppen, we kunnen ophouden er iets mee te doen. Wat we zeker niet op het oog dienen te hebben,  is iets volmaakts (bv een Boeddha) op het kussen tot stand te brengen en er is zelfs geen enkele reden de gedachte te koesteren dat we (eindelijk) er in geslaagd zijn stil te zitten.

Als alle voorbereidingen gedaan zijn:

“Zit stevig, denk het niet-denkende. Hoe denk je het niet-denkende?    Nietdenkende, Dit is de essentiële kunst van zazen. Zazen is niet de beoefening van dhyana; het is de dharmapoort van rust en vrede. Het is de beoefening-realisatie van uiteindelijke verlichting. De koan tot werkelijkheid gebracht....”
(Fukanzazengi)

Hier formuleert Dogen het geheim van de beoefening. Zazen doet ons doordringen tot het ondenkbare van het bestaan. Hier ligt de typische religieuze aspiratie van de monnik Dogen: verder te gaan dan het denken gaan kan. Niet door te denken (redeneren, overwegen, nadenken), ook niet door niet te denken (het denken te stoppen), maar door in het onbeweeglijk zitten beide te overschrijden, voorbij denken en niet denken, denkende het ondenkbare. Wat er dan gebeurt, blijft een mysterie, alleen toegankelijk voor wie zazen beoefent. Dogen noemt het “de samadhi van de samadhis ( ozammai  )”,  de concentratie als een  activiteit die zichzelf vervult, een vreugdevol spel.  Alle voorbereidingen dienen er toe een passief moment, een ruimte in het bewustzijn te creëren, waarin zazen zijn eigen ondenkbare doelstelling kan realiseren.

Maar Dogen voegt er nog iets aan toe: “Het is de beoefening/realisatie van uiteindelijke verlichting”. Vele malen zal deze zin in zijn essays terugkeren. Verlichting is de beoefening/realisatie van verlichting. De term realisatie heeft twee betekenissen die allebei van toepassing zijn:

  1. verwerkelijken, tot werkelijkheid maken of concreet gestalte geven en
  2. zich realiseren, zich bewust worden, beseffen.       

Hij vervolgt met “De koan tot werkelijkheid gebracht” (Genjokoan)en wel de koan van het alledaagse leven.  Genjokoan is één van Dogen’s meest geliefde uitdrukkingen. Hij wijdde er een heel hoofdstuk aan. Blijkbaar ziet Dogen zazenbeoefening als een vorm van koanstudie, ondanks zijn harde kritiek op de Rinzai lijn en ondanks de opvatting in Sotokringen dat Dogen - en dus ook de Soto traditie - het gebruik van koan afkeurde. Het toont ook Dogen’s bijzondere opvatting van koanstudie. In weerwil van de veel gekoesterde en hoopvolle gedachte dat een koan ‘opgelost’ dient te worden, blijft het antwoord op een koan even mysterieus  als het verhaal zelf. We lossen geen enkele koan op, we ‘passeren’ de koan, of beter, we dringen door tot  het mysterievolle gegeven dat de koan ons voorhoudt.   Aan ons de taak, de beoefening, de koan van alledag steeds opnieuw ‘tot werkelijkheid te brengen”.

Hoezeer Dogen deze “samadhi van de samadhis” waarbij de functies van ons normale bewustzijn onaangetast blijven waardeert, moge blijken uit het volgende:

       “Ofschoon rustverstoringen en illusies tijdens zazen in- en uitstromen, verschijnen zij binnen deze samadhi en worden daar getransformeerd tot verlichting en verstoren zij niets noch tasten zij iets aan.  Ook zij zijn het werk van de Boeddha - oneindig diep en krachtig. Hun kracht doordringt de bomen, de grassprietjes, de aarde. Zij schijnen helder tezamen met het Grote Goddelijke Licht en preken de diepe, onbegrijpelijke Dharma omwille van iedereen - gewone mensen, heiligen en levende wezens.. En het omgekeerde is ook waar...

Met als gevolg, dat ook al zit iemand slechts voor een kort moment in zazen,  hij onwaarneembaar één wordt met elk ding afzonderlijk en met alle dingen tezamen, hij volledig alle tijd doordringt zodat hij binnen het grenzeloze universum het eeuwige en onophoudelijke werk verricht al het bestaande tot verlichting te brengen. Dit is voor elk ding en ieder mens dezelfde en ongedefinieerde realisatie. Maar dit     is niet beperkt tot de praktijk van het zitten alleen...”(Shobogenzo Bendowa)

Zazen wordt door Dogen ook omschreven als een ‘grondig onderzoek’ of ‘studie’. Het woord ‘studeren’ komt  heel veel voor. Meer dan een intellectuele activiteit betekent studeren: ervaren, waarnemen, kijken, ondergaan. Zazen heeft geen voorafgaande betekenis noch een vooropgesteld doel. Of je zou als doel moeten nemen het creëren van een open ruimte in het bewustzijn waarin de dingen hun ongrijpbare aard tonen. Soms geeft Dogen enkele aanwijzingen over dit onderzoek tijdens zazen:

“Tijdens zazen moet je grondig onderzoeken of deze totale wereld verticaal of horizontaal is. Op dat moment, wat is dit voor een soort zitten? Is het zich wentelen in volmaakte vrijheid? Gelijkt het op de spontane kracht van een zwemmende vis? Is het denken? Is het niet-denken? Is het doen?  Of is het niet-doen? Is zazen alleen een lotushouding? Of bestaat het in het lichaam en in het bewustzijn. Of transcendeert het lichaam en bewustzijn? We moeten op deze wijze grondig duizenden of tienduizenden details onderzoeken. Je moet met je lichaam in een lotushouding zitten in een toestand waarin lichaam en bewustzijn wegvallen.”      
Shobogenzo Sammai O Zammai)

Waarom kon Dogen dit alleen-maar-zazen (shikantaza)  zo centraal stellen? Omdat vanuit zijn gezichtspunt  zazen de universele werkwijze is van het gehele universum en van alle afzonderlijke dingen (levende en niet-levende) in dit universum. In een essay Shobogenzo Gyoji (Onafgebroken Beoefening) beschrijft hij dat ’jouw beoefening’ een oorspronkelijke activiteit is, die zich uitstrekt tot alle bestaande dingen:

“Daar, op de Grote Weg van onze Boeddha Voorouders is altijd onovertroffen beoefening, onafgebroken en volgehouden. Beoefening vormt de cirkel van de Weg en is nooit onderbroken. Er is tussen aspiratie, beoefening, verlichting en  nirwana geen moment van een kloof; voortdurende beoefening is de cirkel van de     Weg. Voortdurende beoefening is zonder smet, niet afgedwongen door jou of anderen. De kracht van deze onafgebroken beoefening bevestigt jou als ook anderen. Het betekent dat je beoefening de gehele aarde raakt en de gehele hemel in de tien richtingen.

Dankzij deze beoefening zijn er de zon, de maan, de sterren. Daar is de grote aarde   en de open lucht. Daar zijn lichaam, bewustzijn en hun omgevingen.  Onafgebroken beoefening is niet noodzakelijk iets waar mensen in de wereld van houden, maar het zou de ware plek moeten zijn voor iedereen om naar terug te keren.

Het effect van zulk een onafgebroken beoefening is soms niet verborgen. Daarom verlang je naar deze beoefening. Het effect is soms niet duidelijk. Daarom zie je het wellicht niet, hoor of weet je het niet. Je moet begrijpen dat, hoewel het niet onthuld is, het niet verborgen is.” (Shobogenzo Gyoji)

“Alleen-maar-zazen” is levende ervaring en activiteit. En deze ervaring opgedaan in de contemplatieve praktijk van zazen (denkende het ondenkbare) is één met de totale ervaring en activiteit van alle dingen.

Geheel overeenkomstig de traditie van het Mahayana gaat Dogen uit van een non-dualistische visie op de werkelijkheid. Non-dualistische waarneming als grondslag voor non-dualistische activiteit zijnde de expressie van non-dualistische ervaring. Zazen is uiteindelijk expressie. De vraag is: expressie van wat? In zijn essays  wil Dogen de lezer naar de werkelijkheid laten kijken, zoals hij zelf vanuit zijn zazen beoefening naar de werkelijkheid heeft leren kijken:

“Om de dingen op de juiste wijze te zien, moeten we de kijker en het bekekene verenigen in één handeling. Ons bewustzijn wordt verlevendigd  wanneer het actief is als onverdeeld bewustzijn.  Als wij werkelijk de waarnemer en het waargenomene één doen zijn, zal alles begrepen worden in het juiste perspectief.  Gewoonlijk denken wij aan natuurlijke objecten - aarde, rivieren, zon, maan, sterren - als dingen buiten ons bewustzijn, maar feitelijk zijn deze dingen zelf bewustzijn.  Denk niet dat dit betekent dat alles alleen in je bewustzijn bestaat. Laat je ideeën over buiten en binnen, komen en gaan, achterwege.  Onverdeeld bewustzijn is niet buiten of        binnen.  Het komt en gaat zonder gehechtheid. Één gedachte: berg, water, aarde. Volgende gedachte: berg, water, aarde.  Elke gedachte is onafhankelijk, nieuw geschapen, levend en van dit moment.” (Shobogenzo Shinjingakudo)

In zoverre is Dogen een  echte mysticus, een “ziener” van het ondenkbare.. Alleen-maar-zazen is de beoefening van een non-dualistische zienswijze, een manier van kijken die noch gehinderd wordt door dualistische vormen van waarnemen (vandaar Dogen’s waardering van taal, beelden, symbolen, dromen en illusies) noch opgaat in een ‘niets’ van non-dualiteit:

 “Fysieke dingen - bv. een pilaar, een heg, een muur, een stenen lantaarn - zijn    objecten van ervaring, maar elk drukt zichzelf op onafhankelijke wijze uit en   brengt zichzelf voort. Als onze waarneming juist is, zullen wij in fysieke  objecten activiteit op natuurlijke wijze zien functioneren en ons begrip van het verschijnsel zal volledig zijn en alle zijden van het bestaan dekken. Het boeddha-bewustzijn behelst alle zijden en er is geen poort daar binnen te gaan.”
(Shobogenzo Shinjingakudo)

“Elk deel  van de wereld  der verschijnselen is verbonden met andere delen; toch bestaat elk deel vanuit zichzelf. Deze eenheden kunnen niet geteld worden als één, twee, drie (dwz. zij zijn niet bepaald door ruimte en tijd), want zij staan te midden   van een grenzeloze ervaring.”

“Alleen-maar-zazen” is zitten te midden van een grenzeloze ervaring. Elk afzonderlijk essay in de Shobogenzo, als ook zijn poëzie en zijn teksten over geritualiseerde handelingen zijn niets anders dan Dogen’s pogingen die grenzeloze ervaring te beschrijven of aanwijzingen om daarin binnen te dringen.

  • 1. De Nederlandse weergave van de diverse citaten uit de Shobogenzo is gebaseerd op de verschillende Engelse ver¬talingen. Zie daarvoor de literatuurlijst.
  • 2. Geciteerd bij Kim, 1975, p. 331, noot 33.
  • 3. Zie vooral de Fukanzazengi