Meister Eckhart: de geboorte van God in de ziel

Meister Eckhart, bron: http://thl334.providence.wikispaces.net/Meister%20Eckhart%20(1260-1328)

Meister Eckhart geeft de mystieke rede voor religie – in christelijk theologische bewoording: elk moment, dit eeuwige Nu, wordt God in mijn ziel geboren. Het geestelijk leven is de weg om deze goddelijke geboorte te leren kennen.

 Geboorte

 Het meest beslissende, doorslaggevende feit van mijn leven ben ik vergeten: mijn geboorte. Is het uit mijn geheugen verdwenen of is het als mogelijke herinnering nooit aanwezig geweest? Omdat mijn moeder overleed toen ik een jaar oud was en mijn vader en andere familieleden er mij nauwelijks over verteld hebben en allemaal inmiddels gestorven zijn, zal ik nooit meer iets te weten komen  over dat allereerste moment van ter wereld komen.  Wel heb ik gehoord, dat ik geboren ben in het toenmalige Eudokia (‘Welbehagen’) ziekenhuis aan de Bergweg in Rotterdam. Het werd in 1991 gesloopt en in plaats daarvan kwam een winkelcentrum.

Wat ik over geboorte weet,  is informatie  verkregen van buiten af, dankzij anderen: hun verhalen, foto’s, films of literatuur. Maar het binnen baarmoederlijke avontuur van de boreling blijft buiten beschouwing. Niemand kan iets zeggen over zijn of haar geboorte. De geboorte-ervaring lijkt in de loop  van tijd met het vruchtwater te zijn weggespoeld. In de zeventige jaren van de vorige eeuw heeft men met workshops als rebirthing en primal scream alsnog geprobeerd de geboorte als herinnering terug te vinden.

Hetzelfde geldt ook voor mijn dood.  Ik zal niets over het moment van sterven te weten komen, voordat ik daadwerkelijk de geest gegeven heb. Kennis omtrent de dood krijg ik via anderen, door mijn aanwezigheid bij het sterfbed of bij het afscheid van de overledene vóór de uitvaart plaats vindt.

Mijn leven speelt zich af tussen twee beslissende momenten met onomkeerbare gevolgen: geboorte en dood. En denkende aan beiden staar ik in een ondoordringbare donker gebied van onwetendheid. En die zwarte wolk schuift mee in alles wat ik tijdens dit leven over mijn bestaan door ervaring en onderzoek te weten kom. Die duisternis zal mij nooit meer verlaten.

Maar laten we beginnen bij het begin, de geboorte. Ook al komt alle kennis van buiten af, de verbazing is er niet minder groot om. Dankzij de moderne technologie kunnen we zien wat in de baarmoeder vanaf het begin gebeurt. Hoewel ook dat begin geen begin is, want ook daaraan is heel veel voorafgegaan. Het is een beginloos begin, want de allereerste oorspong blijft buiten mijn blikveld. Misschien is er wel een eerste oorzaak, maar ik kan deze niet vinden. En een oorzaakloos begin laat zich in een wereld van oorzakelijkheid lastig denken. Hoe het ondenkbare te denken? Ziehier de opgave van alle mystiek.

Eén ding is duidelijk: dat ik er ben, is een groter wonder dan dat ik nooit bestaan zou hebben. De kans om geboren te worden lijkt vooral op het winnen van een loterij met een paar miljoen goklustigen. Alleen al het begin: mijn vader stoot met een stroom sperma 30.000 cellen in het liefdesorgaan van mijn moeder en slechts één kikkervisje met een lange staart gelukt het de moeilijke tocht door de baarmoederhals  te volbrengen om vervolgens binnen te dringen in één enkele eicel en zich daarmee te versmelten. Prompt sluit deze eicel zich af zodat andere toestormende, concurrerende cellen het nakijken hebben.  De kern van de zaadcel met het erfelijke materiaal verenigt zich met de eicel zodat de chromosomen van pa samensmelten met die van ma – voor beide 23 in getal – en ziedaar in deze allereerste samengestelde cel liggen de allereerste kenmerken van een individu, de zygote. Want hier ligt reeds de basis voor de kleur van de ogen,  het geslacht en mogelijke toekomstige ziektes.

Het bevruchte eitje gaat zich geleidelijk delen in tweeën, in honderden. Elke seconde komen er achtduizend bij, tot miljoenen cellen die allemaal lijken te weten wat hen te doen staat. Het eitje verhuist via de eileider naar de baarmoeder, waar het zich nestelt in het slijmvlies en zich hecht aan de baarmoederwand. Daar ontstaat de placenta, de moederkoek, die zorgt voor de nodige hormonen als ook voor de verbinding tussen kind en moeder en de bloedsomloop van beide netjes gescheiden houdt. 

Na drie weken heeft de vrucht de grootte van het puntje van een potlood, maar dat is geen belemmering om in de komende weken alles te laten groeien wat een mens nodig heeft: hart en zenuwstelsel, armen en benen,  maag en slokdarm, neus, ogen en mond, clitoris of penis,  eierstokken of zaadballen, de vorming van het gezicht, de huid, het skelet. En terwijl de baby dobbert in de baarmoeder als een kleine astronaut in het luchtledige en met de dag groter en groter wordt, gaan af en toe de oogjes open, dringen geluiden tot hem door, beweegt hij armen en benen alsof hij oefent voor het leven in de buitenwereld. Hier zal vast de oorsprong van de yoga liggen.  Om een klein detail te noemen, in deze embryonale fase ontstaat met de vorming van de neusbeenderen het gleufje tussen neus en bovenlip, het filtrum genaamd, (van het Griekse filtron liefdesdrank) ofwel in mooi Nederlands het snotgootje genoemd. Verder ontwikkelen zich de longen en het elektronische netwerk van de hersenen. Want ook het brein zat reeds verscholen in het potloodpuntje. Daar ontstaan het voorbrein (cortex), het middenbrein (limbische systeem) en de hersenstam. Er worden hoge concentraties van testosteron en oestrogenen aangemaakt. Het embryo gaat foetus heten, jonge vrucht. Af en toe beweegt het groentje. Als het even rust, krijgt het brein de kans verbindingswegen aan te leggen tussen de hersencellen. De foetus leert ademen, gapen, zich uitstrekken, zuigen en slikken. Het kan een neurale kaart van zijn lichaam lezen. Geluiden en geuren worden onthouden. De hersenstam zorgt voor  het zien, horen, proeven en tasten. Hij leert je het evenwicht te bewaren, regelt het ritme van  waken en slapen, van de ademhaling, de regelmaat van de bloedsomloop, de behoefte aan eten en drinken, het herkennen van opwinding, van aandacht, van bewustzijn. Al deze signalen stuurt de hersenstam naar de thalamus, de poort, die ze weer doorstuurt naar  de grote hersenen, de cortex oftewel de kwabben, waar de signalen definitief opgeslagen worden. Alleen de geur gaat naar een specifieke plek, de reukkwab, opdat we snel genoeg het gevaar kunnen ruiken. Kortom, wat komen we goed voorbereid ter wereld.

Tenminste wanneer alles goed gaat. Want onderweg doen zich voortdurend  kritieke momenten voor. Klopt het hartje krachtig genoeg? Krijgt het gezichtje de gewenste vorm? Wordt bij het aanbrengen van de huid genoeg pigment aangemaakt? Wordt er voldoende bot gecreëerd zodat een krachtig skelet kan ontstaan? Zijn er negatieve activeringspatronen in het uiterst gevoelige brein van de foetus,  bijvoorbeeld omdat de moeder tijdens de zwangerschap onder hevig is aan stress, angsten of te maken heeft met geweld? Worden de hindernissen niet of slechts gedeeltelijk overwonnen, dan is de kans groot op een miskraam, of dat er een minder fraai exemplaar van de soort ontstaat, of erger, een levenslange invaliditeit. 

Aangenomen dat in de baarmoeder alles zich ontwikkelt zoals het bedoeld is, na ongeveer 38 weken is de inwendige baby rijp voor de bevalling. De baby geeft een signaal. Er ontstaan barensweeën. De vruchtwaterzak waarin de baby zich veilig wist, wordt door de samentrekkingen van de baarmoeder dunner en dunner.  De vliezen breken. Er komt een golf van vruchtwater vrij. De baby moet zich wringen door het baringskanaal, langs het moederlijke bekken en de vagina. Is het hoofdje te groot om zich een doorgang te verschaffen, geen nood.  De schedel is nog altijd plastisch genoeg om ingedeukt en verkleind te worden, zodat het alsnog via de vagina naar buiten kan komen. De moeder perst en zweet en lijdt hevige pijnen. Verloskundigen of ziekenhuisverpleegsters assisteren en vangen het kind, dat lenig uit het moederlichaam glijdt, liefdevol op. De schreeuw, het huilen of gekrijs van de baby stellen ouders en omstanders gerust: er is nieuw leven op aarde, een Gods geschenk of in de woorden van Meister Eckhart: een Gods geboorte. De navelstreng wordt doorgeknipt, de placenta gaat in de afvalbak, het kraambed wordt verschoond. Moeder, ondanks alle pijn, en vader, na alle nervositeit, zijn gelukzalig, euforisch. De betrokkenheid bij geboorte is een krachtige aanleiding voor verlichting.

Enkele dagen later komen de kraamtranen.

Meister Eckhart: de geboorte van God in de ziel.

Meister Eckhart (1260 – 1328) beschrijft het geestelijk leven als een Gods geboorte in de ziel. Telkens als een mens op aarde geboren wordt, wordt God in deze ziel. We weten niet of hij ooit getuige is geweest bij een geboorte. Voor de middeleeuwers was de bevalling uitsluitend een aangelegenheid voor de moeder, bijgestaan door bakers of vrouwelijke buren. Als celibataire monnik werd hij niet geacht zich bezig te houden met het vrouwelijke lichaam. Maar ik kan mij niet anders voorstellen dan dat hij wel degelijk kennis had van de fysieke aspecten van geboorte, zelfs van vóór de bevalling. Want er zijn tekeningen uit die tijd waar het embryo getoond wordt in de moederbuik. Hij moet geweten hebben van het openscheuren van de vagina, de bloederige intrede in de wereld en het riskante van deze onderneming. Demografisch onderzoekt wijst uit dat in de middeleeuwen  4,5% van de baby’s stierven bij hun geboorte. Er zijn beschrijvingen van ouders die hysterisch van angst waren tijdens en na de bevalling. Ter vergelijking: in Nederland is het sterftecijfer thans 1%.

In elk geval gebruikt Eckhart geboorte als een centraal thema voor zijn uitleg van het geestelijk leven. In zijn tijd was het niet ongewoon om in het aardse een symbolische verwijzing te zien naar het hemelse. Allegorisch denken was heel gebruikelijk. De geboorte van een kind verwees naar de verlossende geboorte van Jezus.  Niet vreemd dat Eckhart de menselijke geboorte als beeld gebruikte om het leven van God in de menselijke ziel te beschrijven.. Maar er is meer.

De biografie van Meister Eckhart bevat nog steeds veel onduidelijkheden. Maar we weten dat hij tot tweemaal toe in Parijs de leerstoel had bekleed van zijn illustere voorganger Thomas van Aquino, een zeldzaamheid, waaruit blijkt dat hij als theoloog een grote reputatie genoot. Daarna, in 1313 gaat hij naar Strassbourg waar hem de geestelijke verzorging werd toevertrouwd van mannelijk en vrouwelijke kloosters in Zuid-Duitsland, een gebied dat zich uitstrekte van Keulen tot in Zwitserland. Als visitator besprak hij organisatorische problemen, de observantie van de regels, celebreerde hij de eucharistie, hoorde de biecht en preekte. Hij bezocht niet alleen de kloosters van zijn ordebroeders, de dominicanen, maar ook de zustersconventen, de dominicanessen, en de gemeenschappen van begijnen. In die tijd waren begijnen zeer progressieve vrouwen, die zich tamelijk los van de kerkelijke hiërarchie organiseerden en een gemeenschap van leken vormden dat zich onderscheidde van de gesloten kloosters. Zij hadden eigen bezittingen, deden apostolaatwerkzaamheden (veelal ziekenbezoek) buitenshuis en waren niet gebonden aan een eeuwige gelofte. Zij leiden een sober leven en legden zich toe op gebed. Veel begijnen kwamen uit de hogere kringen, waren goed opgeleid, konden lezen en schijven. Zij waren gehuwd geweest en hadden kinderen groot gebracht.  Na de dood van hun man of na een scheiding kozen voor een leven geheel gewijd aan God. Wanneer Eckhart in zijn preken sprak over geboorte, dan raakte hij ongetwijfeld hun hart. Zij kenden de kinderwens, het mysterieuze groeien in hun buik, de barensweeën, de angst voor geboortesterfte, de vreugde als het kind gezond ter wereld kwam en het verdriet bij een miskraam. En uiteraard, de Godsgeboorte gold niet alleen voor vrouwen, maar was ook een mystiek voorrecht voor mannen. Spiritueel gezien kent de mysticus geen gender probleem. Maar wat zullen zijn geleerde medebroeders gedacht hebben, toen zij Eckhart hoorden zeggen dat God zich ook in hun ziel baart, dat zij God terug dienen te baren  en dat zij daartoe eerst ‘maagd’ en vervolgens ‘vrouw ‘ en zelfs ‘weduwe’ moesten worden?

Schreef Eckhart  zijn theologische werken naar gewoonte in het Latijn, hij preekte in het Middelhoogduits. Evenals Maarten Luther, heeft hij een bijzondere bijdrage geleverd aan de vorming van de Duitse taal. Zijn preken werden opgetekend en van sommigen weten we dat hij hen zelf heeft nagekeken en gecorrigeerd.

Laten we een aantal teksten bij elkaar zetten om zo te horen wat Eckhart zegt over dat mysterieuze gebeuren, Gods geboorte in de menselijke ziel:

De Vader baart de Zoon in de eeuwigheid aan zichzelf gelijk. 'Het woord was bij God, en God was het woord': het was hetzelfde in dezelfde natuur. Ik zeg nog iets meer: Hij heeft Hem in mijn ziel geboren doen worden. Niet alleen is de ziel bij Hem en Hij bij haar als gelijke, maar Hij is in haar, en de Vader baart Zijn Zoon in de ziel op dezelfde wijze als Hij Hem baart in de eeuwigheid, en niet anders. Hij moet dat doen, graag of niet. De Vader baart Zijn Zoon onafgebroken, en ik zeg nog meer: Hij baart mij, Zijn zoon, als dezelfde Zoon. Ik ga nog verder: Hij baart mij niet alleen als Zijn zoon, nog verder: Hij baart mij als zichzelf en zichzelf als mij en mij als Zijn wezen en Zijn natuur. In de innerlijkste bron daar ontspring ik in de Heilige Geest, daar is één leven, één wezen en één werken. Al wat God verricht is één; daarom baart Hij mij als Zijn zoon zonder enige onderscheidenheid. Mijn lijfelijke vader is niet in eigenlijke zin mijn vader, doch slechts met een klein stukje van zijn natuur, en ik ben van hem gescheiden; hij kan dood zijn en ik leven. Daarom is de hemelse Vader waarlijk mijn vader, want ik ben Zijn zoon en al wat ik heb, heb ik van Hem, en ik ben de Zoon zelf en niet een ander. Omdat de Vader één werk verricht, daarom maakt Hij mij als Zijn eengeboren Zoon zonder enig onderscheid.’ [1]

Wellicht komt de vraag op: hoe weet meester Eckhart dit?  Op de eerste plaats is hij theoloog.  En de theologie heeft met name in de eerste eeuwen van het christendom heel veel aandacht geschonken aan de Drievuldigheid’s formule ook wel Triniteit genoemd: de eenheid van de drie goddelijke personen: de Vader, de Zoon en de heilige Geest. De belangrijkste vindplaatsin het Nieuwe Testament die een aanwijzing bevat voor het concept van de Drie-eenheid is die van Paulus in 2 Korintiërs 13:13: "De genade van de Heer Jezus Christus, de liefde van God en de eenheid met de heilige Geest zij met u allen." 

Historisch zeer invloedrijk was de doopformulein Matteüs28:19, die spreekt over een doop "in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest".

Jezus sprak over zijn vader (Abba) en bij zijn afscheid zei hij dat dankzij zijn heengaan de heilige Geest over zijn leerlingen kon komen. Men heeft zich suf gepiekerd over hun onderlinge relatie, waarbij zowel hun onderscheidenheid als hun eenheid gehandhaafd dienden te worden. De theologie heeft nooit echt bevredigende redeneringen gevonden. Het dogma leidde in de christenheid tot veel controverses.De jehova getuigen en de mormonen o.a., evenals de Islam, verwerpen dit geloofsartikel.  Maar uiteindelijk is het een belangrijk kerkelijk leerstuk geworden. En dit hoef niet begrepen te worden, want het is een geloofskwestie. Ik heb ooit eens deze vergelijking gehoord: breng drie brandende lucifers  tezamen en dan heb je toch één vuur. Hetzij zo.

In de liturgie en het gebedsleven speelt de drie-eenheid een grote rol. Er is een speciale zondag aan de Triniteit gewijd: de eerste zondag na Pinksteren. De psalmen die gezongen worden tijdens de getijden, worden altijd afgesloten met de doxologie: gloria patri et filio et spiritu sancto; sicut erat in principio en nunc et semper et in saecula saecolorum. Amen. Ter ere van deze doxologie schreef Joannes Sebastian Bach zijn cantate ‘Gloria in excelsis’ (BWV 191). Maar ook tijdens het maken van het kruisteken wordt gezegd: ‘In de naam van de vader, de Zoon en de heilige Geest’.

Overigens wie enigszins vertrouwd is met paradoxen (=schijnbare tegenstellingen), zal hier minder moeite mee hebben. In de zentraditie kennen we de identiteit van eenheid en veelheid, twee zienswijze van de ene werkelijkheid. Ook buiten het christendom vinden. we deze formule van drie-eenheid. De Hindoes kennen ‘Trimurti’: Brahma ( God als  schepper), Vishnoe ( God als onderhouder) en Shiva (God als vernietiger). Een ander drieslag vinden we in het Mahayana Boeddhisme: Dharmakaya (het lichaam van de uiteindelijke, absolute werkelijkheid); Sambhogakaya (het vreugde lichaam van de bodhisattva) en Nirmanakaya (het historische lichaam). Ook deze drie lichamen zijn één lichaam.

Maar in zijn preken is meester Eckhart niet zozeer een theoloog die uitlegt wat in Bijbel staat, noch de leer van de Kerk nader verklaart. Hij spreekt als mystagoog, als leraar van het geestelijk leven. Hij spreekt tot mannen en vrouwen, die hun gehele leven onvoorwaardelijk toegewijd hebben aan God. Hij wijst hen de weg naar de vervulling van hun Gods verlangen. Met zijn negatieve formuleringen, zijn beeldspraak en allegorieën nodigt hij zijn diep gelovige toehoorders uit een vertrouwd gebied van geestelijke beoefening te verlaten, een grens over te gaan, een onbekend terrein te betreden en te verblijven op een volkomen duistere plek waar de mens niet weet wat te doen, niets kan doen en niets hoeft te doen. Op de preekstoel staat hij als leraar van het contemplatieve leven, die de leerling in een staat van niet-weten leert staan. Hij leest de Schrift niet naar de letter, als een verzameling en een opsomming van feiten, maar naar de geest. Het Oude en het Nieuwe Testament zijn voor Eckhart een handleiding, een reisgids die mits zij allegorisch gelezen worden, vol aanwijzingen staan die leiden naar ervaring en mystieke kennis.

Had Eckhart zelf deze mystieke kennis of had hij dit van andere gehoord? Er zijn theologen en filosofen die na grondig onderzoek van de teksten stellen, dat hij weliswaar een groot theoloog is maar geen mysticus. Het is waar dat Eckhart zich  nooit direct beroept op zijn eigen ervaring. Hij wijst liever naar Paulus of Mozes. Hij spreekt echter zo overtuigd en overtuigend, zo zelf verzekerd en soms zo vanuit de eerste persoon, dat ik geen twijfels heb aangaande zijn mystieke ervaring. Blijft staan, dat het moeilijk is te bewijzen dat iemand een mysticus is. Niemand weet wat een mysticus is. De mooiste definitie ooit gelezen komt van Bharati: een mysticus is iemand die beweert de eenheidservaring (‘zero-experience’) te kennen en vervolgens nergens anders over kan praten.’ Voor mij geldt: als ik vind dat iemand een mysticus is, dan is hij een mysticus, al beweert het zelf ten stelligste van niet. Voor mij is meister Eckhart een groot mysticus en een groot mystagoog, een leraar van het verborgen, geestelijke leven.

Maar ook als mystagoog, blijft Eckhart allereerst de denker, de scherpe scholasticus. Anders dan Johannes va het Kruis en Teresa van Avila, die enkele eeuwen na hem kwamen, bekommert hij zich niet zozeer over de psychologische aspecten van de mystieke weg, maar toont hij zich de wijsgeer, de filosoof, die met de snelheid en directheid van de gedachte en met ijzeren logica zijn boodschap voortdurend herhaalt: ga weg van al het geschapene en laat je vallen in het duistere, verlichtende gebied van de Godheid.

In vier preken spreekt Eckhart uitdrukkelijk over de wonderbaarlijke geboorte van God in de ziel.. Elk sermoen werd uitgesproken in de Kersttijd. Niet zo verbazingwekkend, al mag er bij gezegd worden, dat het voor Eckhart elke dag Kerstmis is. Deze vier preken bij elkaar worden genoemd Eckhart’s ‘Godsgeboortecyclus’. Daarin beschrijft hij niet alleen de godsgeboorte, maar noemt hij steeds de redenen waarom zo weinigen dit zielsgebeuren kennen.

Aldus opent hij de preek Dum medium silentium tenerent omnia et nox in suo cursu medium inter haberet[2]:

‘Wij vieren hier in de tijd dat de eeuwige geboorte, namelijk: het gebaard hebben en zonder onderbreking in eeuwigheid baren van God, dat diezelfde geboorte nu is gebeurd in de tijd in de menselijke natuur. Augustinus zegt: deze geboorte gebeurt aldoor, maar als die niet in mij gebeurt, wat helpt me dan? Maar dat zij in mij gebeurt, daar hangt alles van af.’

Een ingewikkelde en moeizaam lopende zin.  Maar drie keer herlezen helpt. Elk moment baart God zichzelf in mij en dit tijdelijk ogenblik van Gods baren is niet verschillend van de wijze waarop God zich in eeuwigheid baart. Hoewel dit altijd in iedere ziel gebeurt, is dit pas werkelijkheid als de ziel het laat gebeuren, deze geboorte erkent en er weet van heeft. Vandaar dat dit uitsluitend geldt voor ‘een goed, volmaakt mens, die de wegen van God bewandeld heeft en nog bewandeld. En het betreft niet een natuurlijk, ongeoefend mens, want die staat veraf van deze geboorte en weet er niets van.’

Eckhart noemt deze geboorte ook als het moment dat ‘God in de ziel een woord spreekt.’ Vandaar herhaalt hij het motto van deze preek: ‘Toen alle dingen zich midden in het zwijgen bevonden en de nacht in haar loop op het midden van haar baan stond, kwam van bovenaf, van de koninklijke troon, een verborgen woord in mij neer.’ Deze prachtige, poëtische volzin komt uit het Boek der wijsheid (hfst. 18, 14) en wordt als introïtus gezongen bij de zondagsmis tijdens het octaaf van Kerstmis. Over de geboorte van dit geheime woord gaat de preek.

Intermezzo.  

Wat bedoelt Eckhart met het woordje ‘ziel’? In de modern tijd heeft dit zielsbegrip alle betekenis verloren. In de anatomie, het opensnijden van het lichaam voor het onderzoek naar de afzonderlijke lichamelijke organen,  heeft men nooit iets gevonden wat de ziel genoemd kan worden. Wordt daarmee iets over het hoofd gezien? ‘Van een gezocht iets dat niet gevonden wordt, betekent nog niet dat het niet bestaat.’(Nagarjuna). Misschien is het zielsbegrip aan enige rehabilitatie toe. In elk geval wijdde Gerard Visser er een heel mooi essay aan: ‘Niets cadeau’. [3]

Naar aanleiding van het gelijknamig gedicht van Wislawa Szymborska zoekt hij de plaats en de betekenis van de ziel in het wijsgerige werk van Plato, Aristoteles, Nietzsche, Heidegger, Dilthey. Ten slotte gaat hij te rade bij Meister Eckhart en komt tot zeer fraaie suggesties.

De ziel is niet, zoals sommige westerse filosofen en theologen vaak denken, een substantie waarin de onsterfelijkheid voor ons is gewaarborgd, maar een speelruimte (Nietzsch) of een klankruimte. In deze ruimte klinkt het raadsel van onze individualiteit.[4]Niet het individuele waarmee we onszelf begrijpen in vergelijking met anderen en waardoor we ons een unieke, onvervangbare plaats toekennen, maar een individualiteit die ondoorgrondelijk is, buiten alle denkwijzen en categorieën valt. Er is geen verwijzing naar wat dan ook. De klankkast die de ziel is, is volstrekt leeg, daarin is niets nader bepaalbaar. Hier zijn de illusies van de kenbaarheid afgestorven. De ziel is Niets, waarvan de Poolse dichteres zegt dat dit Niets het enige is wat we cadeau hebben gekregen. Want in het licht van de dood blijkt,  dat we alles van ons leven slechts in bruikleen hebben. Wij krijgen het niets cadeau, aldus leest Visser dit gedicht. Met andere woorden, wij krijgen de ziel cadeau, gratuit, buiten elke verdienste onzerzijds.

Meister Eckhart nodigt ons uit op die plek van de grondeloze grond te gaan staan. Al is het denken aan een plaats reeds te veel. Want zij is niet aanwijsbaar. Van buiten af gezien is zij te dun om er een vinger op te leggen. Zij is volkomen innerlijk. Zij is het raadsel van onze individualiteit dat wij door niets mogen laten begrenzen.[5]Zelfs tegenover de moderne pleidooien over onze verbondenheid met alles en allen, die we sociaal en maatschappelijk gezien ook zijn, dienen  we aan deze onvergelijkbare uniciteit vast te houden. Ook al worden we beschuldigd van egoïsme of solipsisme. De ziel valt ook buiten deze denkbare categorieën.  Om de ziel te leren kennen dienen we de moed op te brengen onszelf volkomen af te zonderen om een staat van zuivere ontvankelijkheid te bereiken. We moeten geraken tot een ledic gemütezoals Eckhart het noemt. Dit lege gemoed is dood, want niet meer gekluisterd aan denkbeelden, voorstellingen en hartstochten. De ziel is dood omdat de Godheid hier woont. Want ook God is een door de mens vervaardigd beeld als zijnde schepper, goedheid, rechtvaardigheid. Met deze denkbare God is geen eenheid mogelijk. En dus moet deze menselijke God in ons sterven. De menselijke god moet ontmenselijk worden, zoals de mens ontmenselijk dient te worden. En Eckhart’s meest boute bewering, waarvoor hij zwaar heeft moeten boeten, luidt: wij zijn één met God, niet zoals wij God tot begrijpbare proporties hebben terug gebracht, niet de God van de filosofen, zoals Pascal dat enkele eeuwen later omschreef, wij zijn één met de God van Abraham, Izaak en Jacob, in Eckhart’s terminologie, met de Godheid.

In een zeer invloedrijk werk, dat Eckhart gekend moet hebben, stelt Aristoteles: ‘Als we dan een beschrijving van de ziel moeten geven die op alle zielen van toepassing is, is dat die van de ziel als ”de eerste verwerkelijking van een natuurlijk, werktuiglijk lichaam’”.[6]Hoe onbegrensd en onvatbaar de ziel ook is, zij heeft het vermogen zich te verbinden met een lichaam. Zij is bespeurbaar omdat zij zich verwerkelijkt, tot werkelijkheid wordt in een zintuiglijk lichaam. Ook al is de ziel niet begrijpbaar, zij is wel waarneembaar. Zij is geen abstract begrip, hoe uitgestrekt en universeel men ook dit concept denken wil. In die lege, holle resonantieruimte, leeg  en hol opdat niets de klank zou kunnen verstoren, kan het verborgen woord van Eckhart vernomen worden. Maar dan moeten we wel aan de kant van het ongehoorde blijven en ons voortdurend ontdoen van datgene we denken te horen. Dat is het werk van de contemplatie, de via negativa. Maar er is wel degelijk iets te horen. Die klankkast is een receptieve resonantie ruimte waar uiterst subtiele tonen klinken, die eenmaal vernomen, een gevoel, een belevenis bewerkstelligen. Wie deze klank hoort, wordt aangeraakt. Eckhart noemt dit Gods hoogste werk en wel zijn barmhartigheid. En het betekent, dat ‘God de ziel in het hoogste en meest loutere verplaatst, dat zij vermag te ontvangen: in de wijdte, in de zee, in een ondoorgrondelijke zee’.[7]En dit is volgens Eckhart ook de plaats en de wijze waarop de Gods geboorte geschiedt. Hier voltrekt zich de mystieke vervulling, als een kus: ‘Wanneer de ziel een kus van de godheid ten deel valt, is zij in een staat van volkomenheid en zaligheid, daar wordt zij ontvangen door de Eenheid’.[8]

Voor Eckhart is bovendien de ziel het gehele lichaam. Hij bekritiseert, zoals altijd met groot respect, hier zijn grote geleerde voorgangers: ‘Verschillende leermeesters beweren dat de ziel  zich alleen in het hart bevindt. Dat is niet waar, en daarin hebben zich grote leermeesters vergist. De hele ziel is ongedeeld volledig in de voet en volledig in de ogen en zo in alle ledematen stuk voor stuk.’[9]Hij preciseert: ‘in het louterste dat de ziel te bieden heeft, in het edelste, in de grond, ja, in het zijn van de ziel, dat is in het verborgenste van de ziel.[10]‘De ziel moet zich daartoe gelouterd hebben en heel edel leven en in eenheid en heel innerlijk, niet via de vijf zintuigen naar buiten lopen, de menigvuldigheid in van de schepselen, maar geheel innerlijk zijn en vereend en in het louterste: daar is Zijn plaats, voor minder doet Hij het niet.’[11]

Gods geboorte geschiedt eerst als alle beelden en voorstellingen zijn achtergelaten, als alle vermogens, als alles wat de mens kan en vermag, zijn stil gelegd. ‘God heeft geen beeld nodig, noch heeft Hij enig beeld: God werkt in de ziel zonder enig middel, beeld of gelijkenis; ja, in de grond, waar nooit een beeld binnenkwam, behalve Hijzelf met Zijn eigen zijn.’[12]Dus. wrijft hij zijn toehoorders in: ’Hoe meer jij zonder beeld bent, des te meer ben je ontvankelijk voor Zijn inwerking, en hoe meer je bent ingekeerd tot zelfvergetelheid, des te dichter ben je daarbij.’[13]

Voor de ontwikkeling van het geestelijk leven is dit baren van God in de ziel fundamenteel. Want ‘werkelijk waar, wat er aan volmaaktheid moet komen in de ziel, hetzij goddelijk licht of genade en zaligheid, dat alles kan alleen maar door middel van deze geboorte in de ziel komen en op geen enkele andere manier. Sta enkel open voor deze geboorte in je, dan vind je al het goede en alle troost. Alle gelukzaligheid, al het zijn en alle waarheid.’[14]

Eckhart kan de voorwaarden niet genoeg herhalen: ‘Het is waar: wil je die edele geboorte vinden, dan moet je alles wat menigte is achter je laten en terugke­ren naar de oorsprong en de grond waaruit je gekomen bent. De krachten van de ziel en al hun werk, dat alles is menigte; geheugen, verstand en wil, dat alles verme­nigvuldigt jou, en daarom moet je ze allemaal loslaten: bewustzijn en voorstellingsvermogen en alles waarin je jezelf vindt en beoogt. Pas daarna kun je die geboorte vinden en anders niet, echt waar! Die werd nooit ge­vonden onder vrienden of verwanten of kennissen, eer­der raakt men die daar kwijt.’[15]

Wil je werkelijk die geboorte ervaren,  dan moeten we niet alleen alleen afzien van al onze bezigheden en alle vermogens tot zwijgen brengen, ook de uiterlijke en innerlijke activiteiten van het geestelijk leven moeten tot stilstand komen. Eckhart richt zich hier met name tot de monniken en nonnen onder zijn toehoorders. Zij hebben de kloostergeloften afgelegd en leidden dagelijks een gedisciplineerd leven van gebed, boetedoeningen, vasten, zelftuchtiging, op een hard bed slapen. Hoe nuttig dit alles ook, het moet weg. Bij het horen hiervan moet menig abt, prior of leidinggevende zich even achter de oren gekrabd hebben. Het kloosterleven staat of valt met het doen van geestelijke praktijken. Ook al nuanceert Eckhart door te zeggen dat het doen al deze geestelijke oefeningen goed is als men merkt dat de geest van God niet in hem werkt of dat hij zich door God innerlijk verlaten voelt, niettemin is hij zeer stellig: ‘Maar als de mens tot ware innerlijkheid is ingekeerd, moet hij dapper afzien van elke uiterlijkheid, zelfs al betreft het oefeningen waartoe je je  met een gelofte verplicht hebt en waarvan paus noch bisschoppen je zou kunnen ontslaan. Want een gelofte die een mens God doet kan niemand hem ontnemen: want elke gelofte is een zich verbinden met God.’[16]

Maar Eckhart kent zijn toehoorders en hoort hen inwendig brommen. Vaak geeft hij hen in zijn preek een stem – niet zonder ironie: ‘Nu zou je kunnen zeggen: 'Hoor eens, eerwaarde, wat moet dan mijn intellect doen, als dat zo hele­maal leeg moet zijn en zonder enige werkzaamheid? Is dat de voor de hand liggende manier om mijn ge­moed te verheffen tot in een niet-kennend kennen, wat toch niet bestaat? Want als ik iets zou kennen, was dat geen ongekendheid en niet iets wat er niet is, een niets. Moet ik dan helemaal in duisternis staan?' Jazeker, je kunt nergens beter staan dan door te gaan staan in duisternis en onwetendheid. 'Ach, Eerwaarde, moet dan alles weg, is er geen terugkeer mogelijk?' Nee, heus, echte terugkeer is niet mogelijk. 'Maar wat is dan die duisternis, hoe heet die en wat is zijn naam?' Die naam is niets anders dan een mogelijke ontvankelijkheid, waaraan het zijn niet ontbreekt of mist; het is een mo­gelijke ontvankelijkheid waarin je vervolmaakt moet worden. En daarom is er daaruit geen terugkeer. Keer je er toch uit terug, dan is dat niet vanwege een waarheid, maar moeten de zintuigen of de wereld of de duivel daarvan de oorzaak zijn. Ga je die weg terug, dan ver­val je zonder meer tot fouten, en je kunt dan zo ver afdwalen, dat je in een eeuwige val terechtkomt. Daar­om is er van daar geen terugkeer, maar een steeds ver­der voorwaarts dringen om die bereidheid te verwerven en daarin te blijven. Deze komt nooit tot rust, tenzij ze het volle zijn in zich heeft opgenomen. Precies zoals de materie niet rust voor zij alle vormen die voor haar mogelijk zijn heeft aangenomen, rust het intellect nooit totdat het gevuld is met alles waartoe het in staat is.’[17]

Eckhart nodigt uit tot een uiterste vorm van passiviteit. De diep ingesleten idee dat op het geestelijk pad vorderingen gemaakt wordt door mijn inspanningen, dient verlaten te worden. Natuurlijk is het begin een initiatief van mijn kant, hoewel ook dit gerelativeerd  kan worden door de vraag of ik mij niet eerder geroepen voelt, aangesproken door iets buiten mijn eigen wil om. Maar goed, dan nog word ik verondersteld iets te ondernemen.  Ik moet besluiten op geestelijk gebied actief te worden. Maar eenmaal dit doende, dien ik verder te gaan dan het initiatief van mijn kant. Ik moet mij leren over te geven aan iets wat ik niet weet. Ik moet gaan staan in duisternis en onwetendheid. Ik moet mijzelf leeg maken als een woestijn en hoe onwetender, om zo meer nader ik Hem. Met als conclusie: als ik bereid ben om heel stil te zijn en volkomen leeg,  dan kan God niet anders dan te werken en zichzelf in te gieten in mij. Maar als ik dat niet ervaar, er niets van bespeur? Niets aan de hand. Want die ervaring  ligt niet in mijn macht. Wanneer het God past, toont hij zich, maar Hij kan zich ook verbergen als Hij dat wil.

Opnieuw hoort Eckhart zijn luisteraars inwendig tegensputteren: ‘Kan ik dan tenminste een teken krijgen, waardoor ik weet dat deze geboorte heeft plaats gevonden? Na alle moeite wil ik toch wel zeker zijn van een resultaat, en graag een bewijs, een teken daarvan. ‘Nu zou je kunnen zeggen: 'Hoor eens, Eerwaar­de, u bedoelt steeds dat het ervan moet komen dat die geboorte plaats vindt, dat de Zoon geboren wordt in mij. Maar hoor eens, kan ik dan ook een teken krijgen, waardoor ik weet dat het heeft plaats gevonden?'—Ja zeker, drie betrouwbare tekenen. Een daarvan wil ik nu noemen. Men vraagt me vaak of de mens zo ver kan komen dat noch de tijd, noch de menigvuldigheid, noch de materie hem hinderen. Ja, dat kan werkelijk! Als deze geboorte echt plaats vindt, dan kan geen schepsel je meer hinderen, sterker: ze wijzen je alle op God en op die geboorte.’ 

Met andere woorden: al het geschapene, het uitwendige, ook het inwendig geschapene, is van nu af aan geen hindernis, geen sta in de weg, geen afleidingen meer. Want alles wat gecreëerd is, doet je direct denken aan God en aan die geboorte.’ Daar is geen denkbare oefening, geen hardheid. De ziel is gevangen door de liefde en draagt slechts een zoete last. ‘Wie aan deze angel vastzit, is zo gevangen dat de voet en de hand, de mond, de ogen, het hart en alles wat er aan de mens zit, eigen moet zijn aan God. ‘Als je je helemaal van jezelf en van alle dingen en alle eigenheden op alle manieren bevrijd hebt … wat dan in je wordt geboren en waarvan je dan vervuld raakt, ook al is dat iets uiterlijks, lief of leed, zuur of zoet, het is allemaal niet het jouwe, het is allemaal van jouw God aan wie je je hebt overgelaten.’[18]

Meister Eckhart geeft nog een andere beschrijving van dit goddelijke geboorte proces en wel in feminiene beelden: de mens moet eerst maagd worden, vervolgens vrouw en tenslotte weduwe.

Hij speelt weer met een evangelisch zinnetje, dit maal ontleend aan Lucas (10,38): ‘Onze Heer Jezus ging op weg naar een burchtstadje en werd ontvangen door een vrouw die maagd was.’[19]Hij legt uit dat noodzakelijk is dat het een maagd was door wie Jezus ontvangen werd. ‘Maagd betekent zoveel als: een mens die vrij is van alle aangeleerde voorstellingen, zo vrij en leeg als hij was toen hij nog niet was.’ Maagd is niet een onschuldige, onvolwassen meisje, maar spiritueel gezien een volgroeide persoon die een nieuwe onschuld heeft herwonnen en in alle vrijheid in het leven staat.

 In een ingewikkelde volzin – hebben de toehoorders dit echt kunnen volgen? – legt hij uit dat de mens veel kan weten en toch vrij van alle voorstellingen kan zijn. De mens kan die voorstellingen weliswaar hebben, maar toch zonder er zelf door bepaald te worden en zonder dat hij zijn doen en laten ten aanzien van het verleden of de toekomst daarvan laat afhangen. Deze men is vrij, leeft in een aanwezig NU en kan aldus zonder onderbreking de liefste wil van God vervullen. Hij is zo maagdelijk als hij was toen hij er nog niet was. Bij alle werkzaamheden blijft hij ook maagdelijk, vrij en door niets gehinderd ten overstaan van de hoogste waarheid. Welnu, alleen een maagd kan de maagdelijke Jezus ontvangen.

Maar  hoe lovenswaardig deze maagdelijke staat ook is, zij geenszins het einde van de geestelijke ontwikkeling. De grote genade en de vele goede gave die de maagd ontvangt, dienen in vrouwelijke vruchtbaarheid dankbaar terug geboren te worden in God. Vandaar dat Eckhart vervolgt: ‘Wanneer de mens nu voortdurend maagd zou zijn, bracht hij geen vrucht voort. Wil hij vruchtbaar worden, dan is het noodzakelijk dat hij vrouw is. ‘Vrouw’ is het edelste woord waarmee men de ziel kan benoemen, het is veel edeler dan maagd. Dat de mens God in zich ontvangt is goed, en in zijn ontvankelijkheid is hij maagd. Maar dat God vruchtbaar in hem wordt, dat is beter; want wanneer de gave vruchtbaar wordt, dan is dat uitsluitend in de dankbaarheid voor die gave, en daarin is de geest vrouw, in die terugbarende dankbaarheid waarmee hij Jezus terugbaart in het vaderlijke hart van God.’


Eckhart voert zijn beeldspraak nog eenmaal verder: vrouw dient vervolgens weduwe te worden. Omdat haar man gestorven is kan zij geen vrucht voortbrengen. Haar vermogen tot baren is dood. Hiermee is de weduwe volkomen afgescheiden van alle zintuiglijke en geestelijke denkbeelden en vermogens. En daarmee is zij een en al ontvankelijkheid, zodat God, zoals Eckhart dat verschillende keren zegt, niet anders kan doen dan zichzelf baren op deze dode plek. Hij moet dit doen want hij vindt een volkomen ledig gemut,  waar alleen God kan plaats nemen. En de weduwe bezit de Gods geboorte altijd en kan hem niet meer verliezen. 

 De weduwe is niet alleen het beeld van de afgescheidenheid, maar ook van gelatenheid. Zij heeft alles losgelaten, leeft uitsluitend in overgave, belichaamt de mariale houding: niet mijn, maar uw wil geschiede.  'Weduwe' is een ander woord voor 'iemand die gelaten is' (vgl. 1 Tim 5,5) en heeft losgelaten. Zo moeten ook wij alle schepselen loslaten en afscheid van hen nemen. De profeet zegt: 'De vrouw die niet kan baren, heeft meer kinderen dan diegene die wel kan baren' (Js 54,1). Zo is het ook met de ziel, die geestelijk baart: haar geboorte is veel overvloediger; elk moment in de tijd baart zij. De ziel die God bezit, is altijd barend. God moet noodzakelijk al Zijn werken uitvoeren. God werkt altijd in een Nu van eeuwigheid en Zijn werken bestaan erin Zijn Zoon te baren. Die baart Hij altijd. In deze geboorte zijn alle dingen uitgestroomd en God heeft in deze geboorte zoveel zin dat Hij heel Zijn kracht opgebruikt. God werkt heel zijn kracht in deze geboorte uit en dit heeft tot gevolg dat de ziel opnieuw tot God kan komen.[20]

Toch nog een vraag: wat betekent deze Gods geboorte voor ons werkzame, actieve leven in de wereld, voor onze deugdbeoefening en ethisch gedrag? Welnu, dit schouwen en onze werkzaamheid zijn eén en hetzelfde: ‘Voor het werkzaam zijn put men nergens anders uit dan uit dezelfde grond van het schouwen en men maakt dat vruchtbaar in het werkzaam zijn en daarin wordt het doel van het schouwen volbracht…. Werkzaam zijn is niets anders dan het schouwen in God.’ Eckhart maakt consequent als hij is geen onderscheid tussen actie en contemplatie. Hij stelt dit zer bout: ‘Als Christus zegt: ‘Jullie moeten je licht laten schijnen voor de mensen,’ dan voegt hij eraan toe: ‘met jullie bedoelde hij die mensen die enkel het schouwen van belang achten en niet het beoefenen van deugd en die zeggen dat ze dat niet nodig hebben, dat zij zich daarboven verheven voelen.’ Eigenlijk zegt hij: maak je geen zorgen of je wel het goed doet, zit niet het gehalte van je deugd beoefening uit te rekenen. Je hele wezen is doorstroomt van de liefdevolle godheid en je kunt niet anders dan goed en liefdevol handelen. Uiteraard, hoe je medemens daarover denkt, dat is een ander verhaal. Hij geeft dan ook een ander versie van de Gods geboorte waarin hij spreekt over de geboorte van het goede: 

‘De goedheid is noch geschapen, noch gemaakt, noch geboren, maar zij is barende, en zij baart de goede, en de goede, voor zover hij goed is, is ongemaakt en ongeschapen en toch het geboren kind en de zoon van de goedheid. De goedheid baart zichzelf en al wat zij is in de goede; zijn, weten, liefhebben en handelen giet zij allemaal tegelijk in de goede, en de goede ontvangt zijn gehele zijn, weten, liefhebben en handelen uit het hart en het innerlijkste van de goedheid en alleen daaruit. Het goede en de goedheid zijn uitsluitend één goedheid, geheel een in alles, met uitzondering van het baren en geboren worden; maar het baren van de goedheid en het geboren worden in de goede is geheel één wezen, één leven. Al wat aan de goede eigen is, ontvangt hij zowel van als in de goedheid. Daarin is en leeft en woont hij. Daar kent hij zichzelf en alles wat hij kent, heeft hij alles lief wat hij liefheeft, en handelt hij met de goedheid in de goedheid, en de goedheid verricht met hem en in hem al wat zij verricht, zoals er geschreven staat en de Zoon spreekt: "De Vader die in Mij blijft en woont doet de werken." "De Vader werkt tot nu toe, en Ik werk." "Alles wat van de Vader is, is van Mij, en al het Mijne is van Mijn Vader: van Hem als de gever en van Mij als de ontvanger."’ [21]

Tweemaal is Meister Eckhart door de kerkelijke autoriteiten ter verantwoording geroepen. Eerst door zijn bisschop Heinrich von Virneburg. De aanklacht werd al gauw geseponeerd. Later volgde er een onderzoek door een theologische commissie van het pauselijk hof, dat toen zetelde in Avignon. Het verhaal gaat dat hij naar Avignon afreisde om zich te verdedigen, maar daar nooit is aangekomen. Wellicht is hij onderweg gestorven. Ondanks zijn dood werd het proces voortgezet, hetgeen zeer ongebruikelijk was. Bij de dood van een verdachte werd het proces stilgelegd. Uiteindelijk verscheen de Bulla .. Van de 99 tegen hem ingebrachte stellingen bleven er 29 over, die aangemerkt werden als ketters.

In de vorige eeuw hebben enkele dominicanen gevraagd om een herziening van het onderzoek. De toenmalige paus Benedictus XV heeft geantwoord dat een nieuw proces niet nodig was, omdat Eckhart nooit formeel veroordeeld is. Toch, denk ik, dat de manier waarop de Kerk hem verdacht heeft  gemaakt, een zware wissel trok over de beoordeling van de mystiek in de komende eeuwen.

Simon Vestdijk, waarvan men zei dat hij sneller kon schrijven dan God kon lezen, wijdde zijn laatste roman aan het proces van Meister Eckhart.[22]Vestdijk laat Eckhart niet naar Avignon gaan. Oud en ziek overlijdt hij in Keulen. De laatste dagen wordt hij bezocht door een meelevende medebroeder. Hij blikt enigszins berouwvol terug op zijn leven. Want ook een mysticus kan verstrikt raken in zijn enthousiasme zijn inzichten en kennis mee te delen. Bovendien,  niemand weet, ook Eckhart niet, of hij de eenheid met de Godheid volledig gerealiseerd heeft. Het betreft immers een mystieke, verborgen kennis. Bij alle pogingen er woorden aan te geven, blijft de mysticus tastten in het duister. Daarom spreekt hij van ‘… mijn ten hemel schreiende zonde. Ik was verstrikt in de woorden, daar is alles mee gezegd, de weerleggingen, de definities, de rusteloze dialectiek der gedachten, waarmee de in de tijdelijkheid verstrikte mens de eeuwigheid poogt te vangen. De dood, die ik morgen omarmen zal, zal mijn wezen tot God brengen, - waarom niet? God is zo duldzaam dat hij zelfs mij zal aanvaarden, want een meester heeft gezegd: bij God sterft niets, alle dingen worden in Hem levend… Wij bidden daarom tot onze lieve God, dat Hij ons moge voorthelpen uit een leven, dat verdeeldheid is, in een leven dat één geworden is..’[23]

Maar de mooiste zin zegt Eckhart even hiervoor: ‘De mens is meer dan alles, hij is niet alleen de maat aller dingen, zoals de Ouden meenden, maar hij is de plaats van God, en ik heb weleens gedacht, - en wellicht ook gezegd, - dat hij méér is dan God, al was hij dit dan ook krachtens de genade van God zelf. Hij is de kweekplaats van God Almachtig, en dus zelf almachtig. Hij denkt God, toetst God, en is Gods evenbeeld en wilsvoltrekker. Wie zou de mens niet in liefde tegemoet treden, ook wanneer hij bijgeval niet in God geloofde?’[24]

De laatste woorden op zijn sterfbed waren: ‘Eenheid – onverbrekelijk’. 

Vestdijk schreef een mooi eerbetoon aan een leraar die onophoudelijk zijn toehoorders, mannen en vrouwen, uitnodigde het verdelende, fragmentarische denken achter zich te laten en op te gaan in een mystiek weten dat de mens is gemaakt uit één stuk, wezenlijk één en wezenlijk godgelijk.

[Getekend NT]

[1]Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen(II) Preken, vertaald door C.O. Jellema, Historische uitgeverij, Groningen, 2001, p. 161/162.

[2]Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen(II) Preken, vertaald door C.O. Jellema, Historische uitgeverij, Groningen, 2001, p. 48vv.

[3]Gerard Visser, Niets cadeau, een filosofisch essay over de ziel, Thijmessay, Valkhofpers, 2009.

[4]Op.cit. p.

[5]Op.cit. 128

[6]Aristoteles,Over de ziel, vertaald, ingeleid van aantekeningen voorzien door Ben Schoonmakers, KLement/Pelckmans, Zoetermeer, 2013, p. 175.

[7]Citaat bij Visser, op.cit. p.136. 

[8]Citaat bij Visser, op.cit. p.138;  bij C.O. Jellema, II, op.cit. p. 128.

[9]Jellema op.cit. p.126.

[10]Jellema op.cit. p.51.

[11]Jellema  op.cit. p.50.

[12]Jellema, op.cit. p.53

[13]Jellema, op.cit. p.56

[14]Jellema, op.cit. p.39

[15]Jellema op.cit. p. 71.

[16]Jellema, op.cit. p.300.

[17]Jellema op.cit. p.73.

[18]Jellema op.cit. p.297.

[20]Marcel Breakers, Meister Eckhart, mysticus van het niet-weten, Averbode, , p.136.

[21]Meister Eckhart, Over God wil ik zwijgen,  de Traktaten, vertaald  door C.O. Jellema, Historische uitgeverij, Groningen, 1999, p.68.

[22]Simon Vestdijk, Het proces van Meester Eckhart, Uitgeverij Nijgh & van Ditmar, ‘s Gravenhage/Rotterdam, 1982.

[23]Op. cit. p. 97.

[24]Op. cit. p. 96.