Van vergiftigde taal naar herwonnen, mystieke woorden - Paul Celan

Het woord mag volgens de Rishis van de Veda van goddelijke oorsprong zijn, de geschiedenis bewijst hoezeer de taal misbruikt kan worden. Het woord is inzetbaar voor misdaden. De grootste vervuiling van de samenleving  door de taal kan wellicht geschreven worden op rekening van het Derde Rijk. De Nazi's slaagde erin dankzij een goed geoliede propaganda machine het Duitse volk voor hun rampzalige ideeën te winnen. Victor Klemperer, die vanaf de dertiger jaren een nauwkeurig dagboek bijhield van het oprukkende fascisme, deed na 1945 onderzoek over de fascistoïde taal, die over de hoofden van de Duitsers  uitgestrooid werd. Ziehier een groot fragment.

Niemand heeft zoveel geleden onder het misbruik van de Duitse taal geleden als Paul Celan (1920 - 1970). Duits was zijn Muttersprache, hij had het van zijn moeder geleerd. Zowel zijn moeders als zijn vader waren door de Nazi's vermoord. Het Duits was vergiftigd. Het was niet alleen de taal van Goethe, maar ook van het concentratiekamp. Om zijn moedertaal te herwinnen moest hij een 'doorgang maken door de duizend duisternissen van de doodbrengende spraak'. Slechts zeer geleidelijk hervond hij  zijn taal. De werkelijkheid kan niet zomaar weergegeven worden, maar moet ‘gezocht en gewonnen worden’ als erts uit de mijnen’.

Geschiedenis is lijdensgeschiedenis. Voor hem verwees alles en ieder ding naar een wond.  Ons leven is innerlijk verbonden met de levensverhoudingen waarbinnen Auschwitz mogelijk werd. Het gaat niet alleen over de Shoah.

'De Duitse poëzie met het allerduisterste in het geheugen kan niet meer de taal spreken die menig welwillend oor van haar lijkt te verwachten. Haar taal is nuchterder, feiterlijker worden. Ze romantiseert niet, ‘poëtiseert’ niet; ze benoemt en stelt, ze probeert het terrein van wat gegeven en mogelijk is af te meten.' 

Slechts zeer geleidelijk hervond hij zijn taal. En wel door terug te gaan naar zijn joodse wortels - de psalmen - en dankzij zijn lezing van Meister Eckhart.1

  • 1. Zeer behulpzaam voor het verstaan van Celan: Paul Celan, Gedichten, keuze uit zijn poëzie, met commentaren door Paul Sars en vertalingen door Frans Roumen, Ambo tweetalige editie, 1988.

victor

Victor Klemperer: LTI: Lingua Tertii Imperii – de taal van het Derde Rij., 

Het nazisme stroomde in het vlees en het bloed van de mas­sa via de afzonderlijke woorden, de zinswendingen, de zins-vormen; het drong zich op door miljoenen herhalingen, die au­tomatisch, onbewust, werden overgenomen. We zijn gewoon om het distichon van Schiller over de 'beschaafde taal, die voor je dicht en denkt' zuiver esthetisch en als het ware onschuldig op te vatten. Een geslaagd vers in een 'beschaafde taal' is geen enkel bewijs van de dichterlijke kracht van zijn ontdekker; het is niet al te moeilijk je in een hoogontwikkelde taal het air van een dichter of denker aan te meten.

Maar taal dicht en denkt niet alleen voor mij, ze stuurt ook mijn gevoel, ze stuurt mijn hele psychische wezen, naarmate ik me vanzelfsprekender en onbewuster aan haar overgeef. En als nu de beschaafde taal uit giftige elementen is gevormd of draag­ster van gifstoffen is geworden? Woorden kunnen nietige stuk­jes arsenicum zijn: ze worden ongemerkt ingeslikt en lijken geen uitwerking te hebben, maar na enige tijd is de gifwerking er toch. Als iemand maar lang genoeg 'fanatiek' zegt in plaats van 'heldhaftig' en 'deugdzaam', gelooft hij ten slotte echt dat een fanaticus een deugdzame held is en dat je zonder fanatis­me geen held kunt zijn. De woorden 'fanatiek' en 'fanatisme' zijn niet door het Derde Rijk bedacht, het heeft alleen de ge­voelswaarde ervan veranderd en ze op één dag vaker gebruikt dan andere tijden in jaren. Het Derde Rijk heeft maar heel wei­nig woorden van zijn taal zelfbedacht, misschien, of zelfs waar­schijnlijk, niet één. De nazistische taal heeft veel aan het bui­tenland te danken en neemt de meeste andere woorden over uit het Duits van vóór Hitler. Maar ze verandert de gevoels­waarde en de frequentie van woorden, ze maakt algemeen wat vroeger aan individuen of een kleine groep toebehoorde, ze an­nexeert voor de partij wat vroeger gemeengoed was, en ze door­drenkt woorden en woordgroepen en zinsvormen met haar gif, ze onderwerpt de taal aan haar vreselijke systeem en maakt er haar sterkste, openlijkste en geheimste reclamemiddel van.

Het gif van de lti zichtbaar maken en ervoor waarschuwen: ik geloof dat het meer is dan alleen maar schoolmeestertje spe­len. Als bij orthodoxe joden eetgerei cultisch onrein is gewor­den, reinigen ze het door het in de aarde te begraven. We moe­ten veel woorden uit het nazistische taalgebruik voor lange tijd in een massagraf leggen, en enkele voor altijd. (30/31)

De absolute heerschappij, die door de taaivoor scannen van de kleine groep of zelfs van die ene man werd uitgeoefend, was in het hele Duitse taalgebied extra effectief omdat de ltigeen verschil kende tussen spreek- en schrijftaal. Sterker nog, alles was gesproken taal, toespreking, toeroep, opzweping. Tussen de toespraken en de artikelen van de minister van Propaganda bestond geen enkel stilistisch verschil, en daarom waren zijn artikelen ook zo gemakkelijk te declameren. Declameren bete­kent letterlijk: met harde stem, luid spreken, nog letterlijken uitschreeuwen. De voor iedereen verplichte stijl was dus die van de schreeuwerige agitator. (39)

Ik vraag me af of de woorden 'emigrant' en 'concentratie­kamp' in een lexicon van de Hitlertaal moeten worden opge­nomen. Emigrant: dat is een internationale aanduiding voor mensen die voor de Grote Franse Revolutie zijn gevlucht. Brandes noemt een van de delen van zijn Europese literatuurge­schiedenis 'De emigrantenliteratuur'. Vervolgens werd er ge­sproken van de emigranten van de Russische revolutie. En nu is er dus een Duitse groep emigranten - in hun kamp Duits­land! -, en 'emigrantenmentaliteit' is een geliefd motsavant. In de toekomst zal het woord dus niet onvoorwaardelijk in de kadavergeur van het Derde Rijk staan. Maar dan het woord 'concentratiekamp'. Ik heb dat woord alleen als jongen ge­hoord, en toen had het een volkomen exotisch koloniale en vol­slagen onduitse klank voor me: tijdens de Boerenoorlog was er vaak sprake van 'compounds' of 'concentratiekampen', waar­in de gevangengenomen Boeren door de Engelsen werden be­waakt. Het woord verdween vervolgens helemaal uit het Duit­se taalgebruik. En nu duikt het plotseling opnieuw op en betekent het een Duitse instelling, een vredesinstituut, dat zich op Europese grond tegen Duitsers richt, een permanente in­stelling en geen kortstondige oorlogsmaatregel tegen vijanden. Als in de toekomst het woord 'concentratiekamp' valt, geloof ik dat er aan het Duitsland van Hitler zal worden gedacht, en alleen aan het Duitsland van Hitler... Is het harteloosheid van mij en kleingeestige schoolmeesterij dat ik me steeds weer en steeds meer aan de filologie van deze ellende houd? Ik onder­zoek werkelijk mijn geweten. Nee; het is zelfhandhaving. (56)

Elke toespraak van de Führer is historisch, ook al zegt hij honderdmaal hetzelfde; elke ontmoeting van de Führer met de duce is historisch, ook als die absoluut niets aan de bestaande toestand verandert; de overwinning van een Duitse raceauto is historisch, de ingebruikneming van een autoweg is historisch, elke afzonderlijke straat, elk afzonderlijk deel van elke afzon­derlijke straat wordt plechtig in gebruik genomen; elk dankfeest voor de oogst is historisch, elke partijdag, elke feestdag, welke dan ook; en aangezien het Derde Rijk alleen maar feest­dagen kent - je zou kunnen zeggen dat het ziek was door een gebrek aan alledaagsheid, doodziek, zoals een lichaam dood­ziek kan zijn door gebrek aan zout -, beschouwt het elke dag als historisch.

In hoeveel slagzinnen, in hoeveel hoofdcommentaren en toe­spraken is het woord gebruikt en is het zijn eerbiedwaardige klank kwijtgeraakt! Je kunt het niet genoeg ontzien om het tot rust te laten komen. (67)

Een SS-Obersturmführer in Halle of Jena - hij was heel nauwkeurig in zijn mededelingen over plaats en personen, het was hem allemaal 'gegarandeerd' door een 'absoluut betrouw­bare bron' verteld -, een hoge SS-officier had zijn vrouw naar een privékliniek gebracht om haar daar te laten bevallen. Hij bekeek haar kamer; boven het bed hing een Christusbeeld. 'Haal dat beeld daar weg,' eiste hij van de zuster, 'ik wil niet dat mijn zoon als eerste een jodenjong ziet.' Ze zou het haar di­rectrice zeggen, antwoordde de bangelijke verpleegster ontwij­kend, en de SS'er vertrok na zijn bevel nog eens te hebben her­haald. De volgende ochtend al belde de directrice hem op: 'U hebt een zoon, meneer de Obersturmführer, uw vrouw maakt het goed, ook het kind is kerngezond. Uw wens is in vervulling gegaan: het kind is blind ter wereld gekomen...' (91)

Gehoord: ‘De Führer geeft niet op en de Führer kan niet verliezen, hij heeft nog altijd een uitweg gevonden op momenten dat anderen dachten dat het voorbij was. Nee, om de dooie dood niet, met begrijpen bereik je niets, je moet geloven, Ik geloof in de Führer.’ (146)

Het spreekt vanzelf dat de lti op haar hoogtepunt een taal van het geloof moet zijn omdat ze immers op fanatisme uit is. Maar het eigenaardige is dat ze als religieuze taal erg op het chris­tendom leunt, of nauwkeuriger: op het katholicisme, hoewel het Nationaal-Socialisme het christendom, en in het bijzonder de katholieke Kerk bestrijdt, nu eens openlijk en dan weer hei­melijk, nu eens theoretisch en dan weer praktisch, maar wel vanaf het allereerste begin. Theoretisch wordt het christendom in zijn Hebreeuwse en - vakuitdrukking van de lti- 'Syrische' wortels vernietigd; in de praktijk eist men steeds weer de uit­trede uit de Kerk door SS'ers, probeert men ook onderwijzers zover te krijgen, voert men opgeblazen processen tegen homo­seksuele leraren op kloosterscholen en sluit men geestelijken, die 'politieke geestelijken' worden genoemd, op in tuchthuizen en kampen. (147)

Zeker, de eerste Kerstmis na de usurpatie van Oostenrijk, de Groot-Duitse Kerstmis van 1938, wordt door de pers geheel ontkerstend: wat gevierd wordt, is van begin tot eind het 'feest van de Duitse ziel', de Verrijzenis van het Groot-Duitse Rijk' en daarmee de wedergeboorte van het licht, waarna de be­schouwing uiteraard afkoerst op het zonnerad en het haken­kruis, terwijl de jood Jezus geheel buiten beeld blijft. En als kort erna op de verjaardag van Himmler de bloedorde wordt ge­sticht, dan is het uitdrukkelijk een 'orde van het noordse bloed'.

Maar wat van dat alles taalkundig indruk maakt, gaat toch in de richting van christelijke transcendentie: de mystiek van Kerstmis, het martelaarschap, de verrijzenis en de wijding van een ridderorde zijn als katholieke of zeg maar Parsifalachtige voorstellingen (ondanks hun heidens karakter) verbonden met de daden van de Führer en zijn partij. En de 'eeuwige wake' van de bloedgetuigen wijst de fantasie in dezelfde richting.

Daarbij speelt het woord 'eeuwig' een heel vreemde rol.^Het is een van de woorden in het LTi-lexicon die alleen bijzonder nazistisch zijn omdat ze gewetenloos vaak gebruikt worden: al te veel in de lti is 'historisch', 'eenmalig', 'eeuwig'. Je zou 'eeu­wig' kunnen opvatten als de bovenste sport van de lange lad­der van nazistische superlatieven, en met die laatste sport wordt de hemel bereikt. Eeuwig is uitsluitend een attribuut van het goddelijke; wat ik eeuwig noem, verhef ik naar naar de sfeer van het religieuze. 'We hebben de weg naar de eeuwigheid ge­vonden,' zegt Ley bij de inwijding van een Hitlerschool begin 1938. In examens voor leerlingen komt niet zelden een genie­pige strikvraag voor. Ze luidt: 'Wat komt er na het Derde Rijk?' Als een nietsvermoedende of beetgenomen jongen antwoordt: 'Het vierde', dan laat men hem (ook als hij over goede vak­kennis beschikt) als tekortschietende partij-jongere onbarm­hartig vallen. Het juiste antwoord moet luiden: 'Er komt niets na, het Derde Rijk is het eeuwige rijk van de Duitsers.'

Ik heb maar één maal genoteerd dat Hitler zichzelf met een ondubbelzinnig nieuwtestamentisch woord de Duitse 'heiland' noemt (maar nogmaals: ik heb maar weinig gezien en gehoord, en aanvullende lectuur kan ik ook nu slechts in zeer beperkte mate krijgen). Op 9 november 1935 noteerde ik: 'Hij noemde de gevallenen bij de Feldherrnhalle "mijn apostelen" - het zijn er zestien, hij moet er natuurlijk vier meer hebben dan zijn voorganger - en bij de uitvaartplechtigheid heette het: "Jullie zijn verrezen in het Derde Rijk."'

Misschien is deze directe zelfvergoddelijking en stilistische zelfgelijkstelling aan de Christus van het Nieuwe Testament een uitzondering en is ze wellicht werkelijk slechts één maal voor­gekomen, feit blijft dat de Führer steeds maar weer zijn bij­zonder nauwe relatie tot de godheid heeft onderstreept, zijn bij­zondere uitverkorenheid, zijn bijzondere kindschap Gods, zijn religieuze missie. Tijdens de triomfantelijke weg omhoog zegt hij in Würzburg (juni 1937): 'De Voorzienigheid leidt ons, wij handelen volgens de wil van de Almachtige. Niemand kan de geschiedenis van de volkeren en van de wereld schrijven als de zegen van de Voorzienigheid niet op hem rust.' Op de 'Hel­dengedenkdag' in 1940 hoopt hij 'deemoedig op de genade van de Voorzienigheid'. De Voorzienigheid die hem uitverkoren heeft, duikt jarenlang op in bijna elke rede, bijna elke oproep. Na de aanslag van 20 juli 1944 is het het lot dat hem behoed heeft, omdat de natie hem nodig had, hem, de vaandeldrager van 'het geloof en het vertrouwen'. Met oudjaar 1944, als elk vooruitzicht op een overwinning verdwenen is, wordt net als in de dagen van de triomf de persoonlijke god er weer bij ge­haald, de 'Almachtige', die de rechtvaardige zaak niet zonder overwinning zal laten.

Belangrijker dan zulke incidentele verwijzingen naar de god­heid is iets anders. Goebbels maakt in zijn dagboek Vom Kai-serhofzur Reichskanzlei op 10 februari 1932 melding van een toe­spraak van de Führer in het Sportpalast: 'Ten slotte geraakt hij in een onwaarschijnlijk wonderschoon retorisch pathos en hij besluit met het woord: Amen!, het klinkt zo natuurlijk dat al­le mensen diep aangegrepen en aangedaan zijn... de massa's in het Sportpalast geraken in een blinde roes...' Het 'amen' toont duidelijk aan dat die redevoering in een algemeen religieuze, pastorale richting ging. En uit het 'het klinkt zo natuurlijk' van de vakkundigste toehoorder kan men afleiden dat de redekunst hier in hoge mate bewust werd aangewend. (147-150)

De cultische verering van Hitler en de stralende nimbus rond zijn persoon worden nog versterkt door de religieuze epitheta die worden gebruikt zodra er sprake is van zijn werk, zijn staat, zijn oorlog. Will Vesper, de Saksische leider van de Reichs-schrifttumskammer - totale organisatie! Spamers voorwaarde­lijke zin heeft zijn irrealiteit verloren! -, Will Vesper verkon­digt bij een 'boekenweek' in oktober: cMein Kampf'is het heilige boek van het nationaal-socialisme en van het nieuwe Duits­land.' Ik geloof niet dat de originaliteit van deze zin meer is dan een perifrase. Want Mein Kampf is altijd en overal de bijbel van het nationaal-socialisme genoemd. Ik heb voor mezelf daar­voor een hoogst onfilologisch bewijs: juist die uitdrukking heb ik nergens genoteerd - die was al te vanzelfsprekend en alle­daags. Het is duidelijk dat de oorlog tot behoud van niet alleen het Hitlerrijk in beperkte zin, maar ook van het verspreidings­gebied van de Hitlerreligie een 'kruistocht', een 'heilige oorlog', een 'heilige volksoorlog' werd, en dat er in die godsdienstoor­log dan ook doden vielen die 'in het vaste geloof in hun Füh-rer' gesneuveld zijn.

De Führer een nieuwe Christus, een bijzondere Duitse hei­land - een grote bloemlezing Duitse literatuur en filosofie, van de Edda tot en met de strijd van Hitler, waarbij Luther, Goethe enzovoort niet anders dan tussenfasen zijn, wordt ook wel de 'Germanenbijbel' genoemd -, zijn boek het eigenlijke evange­lie van de Duitsers, zijn verdedigingsoorlog een heilige oorlog: het is duidelijk dat boek en oorlog hun heiligheid te danken hebben aan de heiligheid van hun geestelijk vader, al verster­ken ze met terugwerkende kracht ook diens aureool. (153)

Een nog grotere heiligheid die tot in het mystieke reikt en te­gelijk een uiterst eenvoudige, door iedereen snel en onbewust geaccepteerde mystiek is, wordt verwezenlijkt als niet alleen van 'het rijk' gesproken wordt, maar voortdurend van 'het Derde Rijk'. En ook hier maakt de lti, ter vergoddelijking van Hitler, alleen maar gebruik van wat er al voorhanden is. In Das Drit-te Reich van Moeller van den Bruck staat onder het voorwoord van de eerste druk de datum: december 1922. Hij schrijft: 'De idee van het Derde Rijk is een wereldbeschouwelijke idee die boven de werkelijkheid verheven is. Het is niet toevallig dat de voorstellingen die alleen al bij de idee opkomen, bij de naam van het Derde Rijk (...),merkwaardig vaag, gevoelvol en ijl zijn, en helemaal van een andere wereld.' Hans Schwarz, de bezor­ger van de derde druk in 1930, meldt dat 'het nationaal-socia-lisme de roep om het Derde Rijk geïncorporeerd heeft, en dat de Bund Oberland er zijn tijdschrift naar genoemd' heeft, en hij benadrukt tegelijkertijd in de eerste regels: 'Voor alle zoe­kenden bezit het Derde Rijk een legendarische kracht.' (156)

(Uit: Victor Klemperer, LTI, over de taal van het Derde Rijk. Vertaald door W.Hansen, Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen,  2000)

Paul Celan - Gedichten

Fuga van de dood

[Celan's beroemdste gedicht. Eén grote aanklacht. "Fuga', vlucht van en voor de dood.  Eén thema met twee contrasterende subjecten: de man en wij, de joden. Verwijzingen naar Goethe's Faust - Margarete-  en naar het Hooglied - Sullamith, de geliefde van koning Salomon. Het gedicht is een toenemende intensivering en versnelling.]

Zwarte melk der vroegte we drinken haar 's avonds

we drinken haar 's middags en 's morgens we drinken haar 's nachts

we drinken en drinken

we graven een graf in de luchten daar lig je niet krap

Een man heeft een huis die speelt met de slangen die schrijft

die schrijft als het donkert naar Duitsland je goudgele haar Margarete

hij schrijft het en treedt voor het huis dan flitsen de sterren hij fluit

om zijn honden

hij fluit zijn joden te voorschijn laat graven een graf in de aarde 

gelast ons kom speel nu ten dans

Zwarte melk der vroegte we drinken je 's nachts we drinken je 's morgens en 's middags we drinken je 's avonds we drinken en drinken

Een man heeft een huis die speelt met de slangen die schrijft 

die schrijft als het donkert naar Duitsland je goudgele haar Margarete 

Je asgrauwe haar Sullamith we graven een graf in de luchten daar lig je niet krap

Hij roept steek dieper de grond in hé jij daar en jij kom zing nu en speel

 hij grijpt aan zijn riem naar het ijzer hij zwaait het zijn ogen zijn blauw

 steek dieper de spade hé jij daar en jij speel door nu ten dans

Zwarte melk der vroegte we drinken je 's nachts

we drinken je 's middags en 's morgens we drinken je 's avonds

we drinken en drinken

een man heeft een huis je goudgele haar Margarete

je asgrauwe haar Sullamith hij speelt met de slangen

Hij roept speel zoeter de dood de dood is een meester uit Duitsland 

hij roept strijk zwaarder de snaren dan stijg je als rook in de lucht 

dan heb je een graf in de wolken daar lig je niet krap

 

Zwarte melk der vroegte we drinken je 's nachts 

we drinken je 's middags de dood is een meester uit Duitsland 

we drinken je 's avonds en 's morgens we drinken en drinken

de dood is een meester uit Duitsland zijn ogen zijn blauw

hij raakt je met loodzware kogel hij raakt je nu rauw 

een man heeft een huis je goudgele haar Margarete 

hij hitst al zijn honden tegen ons op hij schenkt ons een graf in de lucht 

hij speelt met de slangen al dromend de dood is een meester uit 

Duitsland

je goudgele haar Margarete 

je asgrauwe haar Sullamith

 

Luister hoe Paul Celan zijn Todesfuge voorleest:

 

Psalm

Niemand kneedt ons nogmaals uit aarde en leem,

niemand beleest onze stof.

Niemand.

Uw naam zij geprezen, Niemand.

Om uwentwille

zullen wij bloeien.

U

tegemoet.

Een niets

waren wij, zijn wij, zullen

wij blijven, bloeiend:

de niets-, de

niemandsroos.

Met

de stijl zielshelder,

de meeldraad hemelswoest,

de bloemkroon rood

van 't purperwoord dat wij zongen

boven, o boven

de doorn.

[Celan keert terug tot zijn Joodse wortels, het Oude Testament. De onmogelijkheid van verlossing. Hij schrijft tegen het scheppingsverhaal, tegelijkertijd is er toch herschepping. Niemand:  niet ooit een mens. Een niets: het niets als theofanie. Waren wij, zijn wij, zullen wij blijven: wij, levenden en doden,  wij zijn 'adem', vluchtige schaduwen. De niemandsroos: niet de roos van Jericho, de opstandingsplant, maar de bloem die bloeit in de woestijn. De roos als hoogste hypostase van Gods aanwezigheid. In de Zohar staat dat de vereniging van de mens met God een openheid vereist: de bevruchting van de roos. Rilke: de roos is niets anders dan zichzelf, niets anders dan haar glans. De bloemkroon rood, purperwoord - verwijzing naar de gekruisigde Christus.]

Tenebrae

Nabij zijn wij, Heer, nabij en grijpbaar.

Gegrepen reeds, Heer,

de klauwen reeds in elkaar geslagen, alsof

het lichaam van ieder van ons

uw lichaam was, Heer.

Bid, Heer,

bid tot ons, 

wij zijn nabij.

 

Windscheef gingen wij heen, 

gingen wij heen, om ons te buigen 

over trog en kratermeer.

Naar de drenkplaats gingen wij, Heer.

Het was bloed, het was wat u vergoten had, Heer.

Het glansde.

Het wierp ons uw beeld in de ogen, Heer. 

Ogen en mond staan zo open en leeg, Heer. 

Wij hebben gedronken, Heer. 

Het bloed en het beeld dat in 't bloed stond, Heer.

 

Bid, Heer. 

Wij zijn nabij.

[Het gedicht staat in het teken van nabijheidTenebrae: duisternis, nacht, de onderwereld, Goede Vrijdag. Klauwen (Duits:'Kralle') -  verstrengeling van wanhopige lichamen, het Joodse volk en Jezus. Bid, het gedicht als een gebed. Windscheef, de lijdensweg. Het was bloed, het was wat u vergeten had - God is schuldig aan de jodenvervolging. Het glansde - het sacrale. Drinken - is sterven. Open en leeg: waar het ware verschijnt als het niets.Wij zijn nabij: poëzie is een Gegenwort, een act van vrijheid, maar ook als Widerruf, herroeping. Nabij is Hij, maar Hij is wel een moeilijk te vatten God.]

ER ZAL iets zijn, later,

dat wordt gevuld met jou

en naar een mond

gebracht

 

Uit de stukgeslagen 

waan 

sta ik op

en zie mijn hand

die ene

echte cirkel trekken

[Ooit. Er komt 'iets' goeds. We zullen weer vervuld worden van jou (God?) en zal eens weer ons voedsel zijn of we zullen weer van jou spreken. Stuk geslagen waan -  uit de jodenvervolging zal opgestaan worden. De ene cirkel, beeld voor de waarheid.]

WERK NIET VOORUIT,

zend niet uit,

sta

naar binnen:

 

doorgrond door het niets

zonder enig 

gebed,

 fijnvoegig, naar

het Voor-schrift

onachterhaalbaar,

 

neem ik je op,

in plaats van alle

rust.

[Zo weinig mogelijk woorden. De taal tot een minimum terug-gebracht, want de woorden moeten zo zwijgend gesproken worden dat er werkelijkheid ontstaat. 'Wirklichkeit ist nicht, Wirklichkeit will gesucht und gewonnen sein.'

Werk niet vooruit. Wie zegt dit tot mij ? Wie spoort mij aan niet vooruit te lopen op de toekomst? Hoorbare, maar onbe-kende stem, die mij vraagt stil te staan, geen stap verder te zet-ten, geen initiatief te nemen, geen strategieen uit te zetten, geen vangnet uit te spreiden. Zend niet uit. Geen boodschappen, geen verhalen, geen beloftes, geen gedachten, geen begrippen, geen bedoelingen, geen uitstraling, geen wilsinspanning. Sta-naar binnen. De ogen naar binnen geklapt, het denken richt zich niet langer naar voren, maar betast de huid, de ingewan-den, de ruimte van het gevoelige lichaam en zinkt dieper en dieper in de grenzeloze inwendigheid waar alles van buiten zich verzamelt. Daar, afdalen tot cin de meest eigen aangele-genheid', diepste zelf, zonder enige kennis omtrent dit zelf. Doorgrond door het niets. Niet ik doorgrond de werkelijkheid, de werkelijkheid doorgrondt mij, vult mijn porien en ledematen, zonder dat er 'iets' is om te bevatten. 'Niets' verschaft grond, 'Niets' is de bodem waar mijn voeten treden en de bron die mij doet ademen. Zonder enig - gebed. Er is Niemand waartoe ik mij kan wenden. Geen smeekbede. Want Niemand hoort mij. Geen roep om hulp of bescherming, want Niemand antwoordt. Uitsluitend overgelaten aan het niets. Fijnvoegig. Inschikkelijk, plooibaar, soepel, meegaand, zich voegend naar het buitennisse niets. Naar het Voor-schrift - onachterhaalbaar. Onvoorwaardelijk volgen van de beweging die komt van een plaats die niet beschreven is, niet aangedaan door de taal,nog van vóór het schrift, vóór de tijd van voorschriften en re­gels, niet te achterhalen plaats, want het ontbreekt mij aan do­cumenten, verslagen, beschrijvingen; de geschiedenis was nog niet begonnen, onaanwijsbaar begin nooit opgehouden met beginnen. Neem ik je op. Hoewel ik zelf zonder steun ben, geen afgebakende ruimte heb om te ontvangen en niet over een welkomswoord beschik, zal ik je dragen, wie je ook bent, vreemdeling, die mij de vreugde van de onrust schenkt. In plaats van alle rust. (uit: Nico Tydeman, dansen in het duister)

P.S. Ik lees deze regels ook als een gedicht over zazen.

 

JIJ, WEES JEZELF, JIJ, ALTIJD

Stant up Jherosalem inde

erheyff dich

 

Ook wie de band naar jou stuksneed,

 

inde wirt

erluchtet

 

knoopte het opnieuw, in de geheugenis,

 

modderbrokken slikte ik, in de toren,

 

taal, duister-liseen,

 

kumi

ori

[Du sei wie du, immer - Meister Eckhart - de unio mystica. De band naar jou: de besnijdenis.  inde wirt erluchtet - en het worde licht. Knoopte het opnieuw, in de geheugenis : vgl. Eckhart, een verborgen weten. Modderbrokken - de taalcrisis. kumi ori: surge illuminare, sta op en wordt licht.]

 

EEN KEER

Heb ik hem gehoord,

Hij waste de wereld,

ongezien, nachtlang,

werkelijk.

Een en Oneindig,

ontwricht,

ikten.

Licht was. Redding.

 [Dit is Celan's laatste gedicht uit zijn laatste bundel Atemwende.]