›› Zen

Zazen, Kensho en Satori

zazen postures

‘De beoefening van zazen is verlichting.’ aldus Dogen. De expressie van het stil, onbeweeglijk zittende lichaam is de expressie van verlichting. Dat dit niet gezien wordt, is te danken aan het alledaagse gewone denken dat niet in staat is deze verlichting waar te nemen.

Voor Dogen is verlichting niet zozeer een emotionele eruptie, maar allereerst een feit dat geleidelijk in zazen erkend wordt. Het meest belangrijke gegeven, naar zijn overtuiging ‘het meest fundamentele feit’, waar ieder mens mee in het reine dient te komen is vergankelijkheid, de onverbrekelijke eenheid van leven en dood, van ontstaan en vergaan. Boeddha-natuur is vergankelijkheid en vergankelijkheid is de bestaansreden van verlichting.  Verlichting komt van het lichaam en wordt gezien en ervaren in het van concentratie (Sanskriet: samadhi) verzadigde, onbeweeglijk stil, zittende lichaam. 

Boeddhistisch gezien is het lichaam een steeds veranderende samenstelling van vier kosmische elementen (water, vuur, aarde, lucht) en vijf skandhas (materie, gewaarwording, reeds gevormde en zich voortdurend vormende energie-gewoontes (wilsformaties), waarneming en onderscheid makend bewustzijn. Dit lichaam is een microkosmos, niet verschillend van de macrokosmos waarin de vijf te onderscheiden ‘dragers’ met elkaar een steeds nieuwe constellatie vormen, zonder vastliggende identiteiten, zonder dat deze energiebol zich enige grenzen oplegt. Het beweegt en stroomt.   

Er is echter ook sprake van een ik-mij-mijn complex. Het ontstaan ervan onttrekt zich aan waarneming van het ego. Een Mahayana Sutra spreekt van een mythisch moment: ‘Plotseling beweegt de geest.’ Dit empirische ego stelt grenzen en werkt met tegenstellingen. Het onderscheidt dit lichaam van andere lichamen en schept verschillen: lichaam en geest, binnen en buiten, subject en object. Het legt dingen vast. Daarmee heeft het een nuttige functie, want biedt in onze alledaagse situatie overlevingskansen. Maar het is niet thuis in het ongrijpbare, onbeheersbare terrein van ontstaan en vergaan. Terwijl het lichaam zich elk moment vernieuwd door dat het elk moment ‘uitdooft’ en weer ontstaat, tast het ego hier in het duister. Want zijn kennis kan niet tot die voortdurend veranderende samenstelling doordringen, laat staan er zijn weg vinden. Het vindt geen houvast. Het lichaam is door niets bedekt en wat het ego kan doen – en wellicht moet doen, is het toedekken van dit onbedekte lichaam met alledaagse gewoontes van denken en handelen.  Waar ik het meest intiem mee zou dienen te zijn, want ontstaan en vergaan zijn het meest fundamentele levensfeit, weet het ik mij juist vanaf te houden, hetzij uit angst, hetzij uit berekening.

Deze intimiteit met vergankelijkheid wordt bereikt in het stil, onbeweeglijk zittende lichaam, waar ontstaan en vergaan hun vrije loop krijgen. De inspanning van zazen  beoefening creëert een specifieke vorm van concentratie, ‘de samadhi van de oceanische reflectie’ genaamd. Daar verdwijnen de alledaagse dualiteiten om eenvoudigweg ruim baan te maken.

Om deze intimiteit – Dogen gebruikt dit woord opvallend vaak – te bewerkstelligen wordt degene die zazen beoefent aangeraden een rustige, sobere ruimte te zoeken waar zo weinig mogelijk indrukken de geest kunnen bezighouden. De geest wordt aan het vasten gezet. Men zit in de lotushouding, hele of halve of wat enigszins mogelijk, maar waarvan een zacht gestrekte rug het meest belangrijke. De handen vormen de dhyana mudra, een gebaar van concentratie, ook wel kosmische mudra genoemd. Wie in zazen zit, zit daar als (is) het gehele universum. Men ademt in en uit, zoals dat vanzelf gaat. De fysieke houding is behulpzaam om elke actieve wijze van ademen achterwege te laten en ‘het’ te laten ademen.

Het lichaam zit krachtig in en vanuit Hara, de onderbuik. Dit is ‘het dragende midden van de mens’. Hier ligt zijn centrum waarin hij rust, ontspannen in de inspanning van het zittende lichaam. Hara heeft zijn eigen logica die niet door het verstand gevolgd kan worden. Hara kent geen onderscheid. In Hara zitten betekent geen verschil maken tussen ik en de rest, lichaam en geest, subject en object. ‘Hara logica accepteert hetzij ‘ja’, hetzij ‘nee’, zoals het komt en verwerpt niets, zowel schuldig als onschuldig, vriend en vijand, binnen en buiten. Hara is absolute liefde (of hara-liefde) dat binnen in ieders hara groeit, geboren uit de natuur, want alleen hara-liefde weet door zijn ecologische instinct hoe vriend en vijand, levende en levenloze wezens als één en hetzelfde in de buik te dragen. Zitten in hara is denken in hara, een lichaam-weten.’

 

Deze ruimte onder mijn navel

            mijn lendenen en benen neer tot op mijn voetzolen

            zijn in werkelijkheid mijn oorspronkelijk gelaat.

            Er zijn geen neusgaten nodig.

Deze ruimte onder mijn navel

            is in werkelijkheid mijn oorspronkelijk huis.

            Er is geen enkel bezoek nodig vanuit mijn woning.

Deze ruimte onder mijn navel

            is in werkelijkheid het Zuivere Land van mijn hart.

            Er is geen behoefte aan enige andere schittering.

Deze ruimte onder mijn navel           

            is in werkelijkheid Amida die ik ben.

            Het is niet nodig mij de Leer te onderrichten.

                                                           Hakuin

 

Dit verzinken in het lichaam is mentaal ‘een stap achterwaarts zetten’. Mijn normale blik richt zich uit gewoonte naar buiten, naar de dingen, ook naar het lichaam als ding. In zazen wordt de blik naar binnen gericht. Ik neem afstand van mijn betrokkenheid op de wereld, niet van de wereld. Het betekent afscheid nemen van het ik-mij-mijn complex, de sprong van de duikplank. De blik richt zich naar binnen. Daarmee worden alle vermogens - zintuigen, geheugen, wil en intellect - tot rust gebracht. Zij functioneren nog slechts passief, ontvankelijk voor wat er langs komt. Door deze stap achterwaarts word ik passief ten aanzien van de verschijnselen (dharmas). Ik beweeg mij zoals gewoonlijk niet naar hen toe, maar zij krijgen de kans zich ongehinderd naar mij toe te bewegen. Wanneer dit proces van de achterwaartse stap zetten wordt geleerd, niet via het intellect maar via het onbeweeglijk stil zitten, ‘zullen lichaam en geest op natuurlijke wijze wegvallen en zal het oorspronkelijke gelaat zichzelf presenteren’, aldus Dogen. Elk idee omtrent lichaam en geest verdwijnt en er wordt van binnenuit een ander licht geworpen op de werkelijkheid. De gedachte dat ik verlicht moet worden krijgt niet langer een kans, want de verschijnselen, de tienduizenden dharmas, de gehele wereld, brengen mij verlichting.

Zazen is een zitten in een ‘zuivere aanwezigheid van de dingen zoals ze zijn’. Bijvoorbeeld bij het opkomen van gedachten of bij het horen van geluiden. ‘Geluiden worden simpelweg gehoord en gedachten vinden simpelweg plaats en dan verdwijnen zij weer op natuurlijke, zoals het in- en uitademen.’ (Kodo Sawaki). Zij laten geen ‘rest’ na, conform het ontstaan en vergaan van dharmas. De geest is slechts ontvankelijk en zit zonder streven naar wat dan ook. Het gehoororgaan hoort en beantwoordt dus de prikkel van buiten, zonder belast te worden nog verder te functioneren. Dogen: ‘Ik hoorde niet het geluid van de donder, hoewel ik er mij wel bewust van was’. Door de stap achterwaarts is de mentale functie van horen stilgelegd. De gewone intentionaliteit van horen vervalt. Er is slechts horen. Dit is het samadhisch bewustzijn van het stil zittende lichaam waar het horen en dat wat gehoord wordt, samenvallen. Er heeft een transformatie plaats gevonden van het horen in de alledaagse ervaring naar het horen in de samadhi van het zittende lichaam. En zo worden alle zintuiglijke organen omgevormd van door het empirische ego gestuurde functies, tot ontvankelijke receptoren voor ‘wat is’.

 

Wie langdurig in zazen zit, bijvoorbeeld tijdens een sesshin, weet hoe sterk in het lichaam een oplopende, soms bij ondragelijke spanning wordt opgebouwd. En elke dag wordt deze spanning groter. Men voelt zich een bol van energie, waarvan de stroom geen kant op kan omdat het lijkt te worden vastgehouden in het keurslijf van zazen. Maar plotseling, als ‘lichaam en geest wegvallen’, als het empirische ego ophoudt met zich in welke vorm dan ook te handhaven, vindt er in het zittende lichaam een ontlading plaats. De huid is niet langer een scheidsmuur. Het ik-mij-mijn complex valt uit zijn zelf geconstrueerde hengels. De ademhaling wordt een brug tussen wat eens de binnen en de buitenwereld heette. Het zittende lichaam wordt een ruimte van affectiviteit die grenzeloos en ongehinderd zich uitstrekt en alles aanraakt en door alles aangeraakt wordt. De betrokkenheid op de wereld, zo moeizaam achterwege gelaten, is getransformeerd tot onbegrijpelijk eenheid. Zittend lichaam en wereld vloeien in elkaar over en resoneren met elkaar. De activiteit van het onbeweeglijk zittende lichaam is dezelfde werkzaamheid van de muren, de bomen, de zon en de maan en elk ander levend wezen. Allen doen het werk van de boeddhas en assisteren elkaar bij deze bevrijdende en verlichting brengende activiteit. Zij zijn verweven met elkaar, wonen intiem samen en spreken dezelfde taal, de taal van bevrijding. Zij vormen één gezamenlijke ademhaling. Dogen:

‘Als je ‘alleen maar zitten’ oprecht beoefent door de vier elementen en de vijf skandhas in volle werking te zetten, zal je de weg bereiken. Als je oprecht oefent door de bomen en de grassprietjes, de muren en de heggen in hun volle beweging te zetten, zal je de weg bereiken. Want de vier elementen en de vijf skandhas en de bomen en grassprietjes en de muren en de heggen participeren in dezelfde [praktijk], delen dezelfde natuur.  Zij delen dezelfde geest en leven en hetzelfde lichaam en kracht.                                                                                          (Shobogenzo Hotsubodaishin) 

 

Wat verlichting betreft maakt de Japanse zentraditie een onderscheid tussen kenshoen satori. Kenshois een eerste, ‘lichte’ verlichtinservaring, verkregen bijvoorbeeld door het werken met een eerste koan. Satoriis van meer indrukwekkende aard. Waarmee tevens gezegd is dat de ervaringen kunnen verschillen in intensiteit. Soms kan de doorbraak zo sterk zijn dat gevolgen uren en zelfs nog dagen daarna voelbaar zijn. Meestal gaan we op de zenweg van glimp, naar glimp, alsof we verlichting ‘verzamelen’. Verlichting kan heel subtiel zijn, een kort moment, waarop het inzicht valt tijdens het horen van gesproken woorden bij de dharmales, of op een willekeurig ogenblik bij het lopen op straat. Ineens is er een inzicht, ‘oh zit dat zo!’ misschien te vergelijken met een aha-erlebnis. Vaak betreft het een ‘begrijpen’ van wat we al wisten of al tientallen keren uitgelegd kregen.  Maar plotseling is het helder: ‘Nu zie ik dat het waar is, zelf al kan ik het aan anderen niet uitleggen.’

De intensiteit van de ervaringen hangt ook af van de voorbereidende omstandigheden en van iemands karakter. Al blijft het onvoorspelbaar. Wie lang met een koan onder grote spanning heeft gewerkt, zal een sterkere ervaring kunnen krijgen dan na een kortere tijd. Ongetwijfeld is een grote rol weggelegd voor karakter en motivatie. Een mooi voorbeeld uit de geschiedenis van zen is het verschil tussen Dogen en Hakuin. Dogen is een man van vertrouwen. We horen bij hem weinig over grote twijfel. Uiteraard had hij af en toe zijn vragen. Maar die zijn meer intellectueel van aard. Hij is een onderzoeker die de taal, vertaling en commentaar, gebruikt om standpunten te verhelderen. Al zijn vertrouwen heeft hij gevestigd op zazen. Voor Dogen wordt zazen niet beoefend om verlicht te worden, maar we beoefenen zazen omdat we verlicht zijn. Grote ervaringen hoeven daarom in het geheel niet gezocht worden. Verlichting is er reeds ten volle. We dienen ‘alleen-maar-te-zitten’. Dat moet dan wel oprecht en met kracht gedaan worden: ‘Hoewel verlichting in elke persoon in voldoende mate aanwezig is, tenzij het beoefend en ervaren wordt, is het niet gerealiseerd.’  Zeer vergelijkbaar met Dogen is Sunryu Suzuki, één van de grote pioniers van zen in Amerika en wat mij betreft de Dogen van de twintigste eeuw. In zijn onvolprezen ‘Zen Mind – beginners mind’ komen de woorden kensho en satori niet voor, zoals Huston Smith in zijn voorwoord opmerkt. Als hij hem vraagt naar de reden hiervan, fluistert Suzuki’s vrouw hem in het oor: ‘Omdat hij dat nooit gehad heeft.’ Waarop Suzuki met de vinger aan zijn lippen siste ‘Shhh! Niet vertellen!’ Toen hun lachen  bedaard was, zei hij: ‘Niet dat satori onbelangrijk is, maar het is niet dat deel van zen wat zo nodig beklemtoond hoeft te worden.’ Elders merkt Suzuki op: ‘Verlichting is geen goed gevoel, noch een bijzondere staat van de geest. De staat van de geest die er is wanneer je zit in de juiste houding, dat is verlichting. Als je niet bevredigd kunt zijn met de staat van je geest die je hebt in zazen, betekent dit dat je geest nog steeds aan het rondzwerven is. In deze houding is er geen behoefte te spreken over de juiste staat van de geest. Je hebt deze reeds. Dat is de conclusie van het boeddhisme.’

Heel anders ligt dit bij Hakuin. Hij lijkt geboren te zijn met een gespleten ziel. Vanaf zijn vroegste jeugd vreesde hij dat eens het vuur van de hel hem wachtte. Toen vele jaren later zijn leraar hem vroeg waarom hij zo ijverig het zenpad ging, zei hij: ‘Om niet in de hel terecht te komen.’ ‘Stommeling,’ riep zijn meester, ‘Doe je dit nog steeds omwille van verdienste!’ Hakuin was een verscheurd mens. Hij was voortdurend in gevecht met zijn innerlijke conflicten. In zijn autobiografie beschrijft hij vele momenten van verwarring, angst en vrees, depressies, schuld en wanhoop. Hij was verschrikkelijk scrupuleus. Hij kon zijn ‘afschuwelijke zonden’ niet vergeten en daarmee doelde hij op de kleine en vogels en insecten die hij gedood had. Dag en nacht werkte hij met zijn koan. Tot hij er soms gek van werd. Dacht hij het antwoord gevonden te vonden, werd hij door zijn leraar bruusk uitgescholden en moest opnieuw beginnen. Hij moet vele malen aan ‘grote twijfel’ onderhevig zijn geweest. Lange tijd leed hij aan wat wel genoemd wordt, de zenziekte. Geen wonder dat alleen een krachtige transformatie, de grote dood, in het diepst van zijn wezen verlossing kon betekenen. Toen eindelijk satori in alle sterkte zijn deel werd, danste hij van pure vreugde als een dwaas in het rond. Maar hij vond het noodzakelijk nog veel  meer van dergelijke verlichtingservaringen te proeven. En hij had geen klagen: ‘Niet alleen was mijn ziekte genezen, al die dingen die moeilijk zijn te geloven, moeilijk in door te dringen, moeilijk te begrijpen, en moeilijk om binnen te gaan en welke ik tot nu toe niet met mijn handen of voeten had kunnen grijpen of met mijn tenen had kunnen raken - al die zaken verstond ik nu intuïtief, onmiddellijk, drong tot hen door tot op hun wortels, boorde er doorheen tot in de kern. Zo ervoer ik de grote vreugde zes of zeven keer. En behalve dat, ik vergat de vele keren dat ik kleinere verlichtingen heb ervaren en  de vreugde die maakte dat ik danste. Voor de eerste keer begreep ik de betekenis van de woorden: in het paradijs zal men de grote verlichting  achttien  keer ervaren, maar de kleinere verlichtingen zijn te talrijk om te tellen. Werkelijk, ik ben niet teleurgesteld.’  

 

Verlichtingservaringen zijn niet gebonden aan het zitkussen. Ze kunnen overal plaats vinden. Er zijn maar weinig verhalen van kensho’s tijdens zazen. Des te meer daarbuiten: het geluid van een steentje dat tegen een bamboestam ketst, het gezang van een vogel, de ondergaande zon, een rijstkorrel, het wassen van een kommetje, de boom in de tuin, een bloem, regendruppels, een vlucht wilde eenden; zij zijn allen aanleiding geweest voor kensho.

James H. Austin bevond zich in minder romantische omstandigheden toen hij ‘de smaak van kensho’ mocht proeven. Onderweg naar een sesshin met Irmgard Schloegel Roshi wachtte hij op het Londense metrostation Queen Square voor de trein naar Victoria Station. Hij had geen haast. Rustig nam hij de omgeving op: een smoezelig interieur, enkele macabere gebouwen en in het midden een klein beetje open hemel. ’Doelloos overzie ik deze doodgewone omgeving, zonder focus.... Plotseling verkrijgt het gehele gezichtsveld drie kwaliteiten: Absolute Werkelijkheid, Intrinsieke Eerlijkheid, Uiteindelijke volmaaktheid. Zonder overgang is alles compleet... Maar er is geen ziener. Het tafereel is volkomen leeg, ontdaan van elke blijvende uitbreiding van een Ik-Mij-Mijn.Verdwenen is in een enkele seconde het vertrouwde gevoel dat dezepersoon een gewoon stadsgezicht waarneemt...Totaal Begrijpen... Dit is de eeuwige stand van zaken. Er is niets meer te doen.  Er valt niets te vrezen.’ Na enig seconden:Deze totaal nieuwe zienswijze kan niet overgedragen worden. Het is te buitengewoon. Alleen iemand die door dezelfde ervaring gegaan is kan het begrijpen. Deze fysieke persoon voelt zich volledig mentaal ontspannen. Helder, versimpeld, vrij van elke beperking. Vooral zich goed voelende vanbinnen. Herleefd en enorm dankbaar. Wow!’ Als hij twee dagen later dit aan zijn leraar vertelt, en hoort hij deze wijze woorden: ‘Ik ben heel blij voor jou... Nu, ga verder. Laat de ervaring achter je. Houd er niet aan vast zoals je een beeld of een foto bewaard. Beschouw het als een tafereel dat je opving uit het raam van een rijdende trein. Daar is het; daar gaat het. Nu is het verleden. Andere zullen komen. Grijp ze niet stevig vast. Zie ze als aanwijzingen dat je op de Weg bent.  Het meest zullen zij plaats vinden als je hen het minst verwacht, niet tijdens zazen. Gebruik hun drijvende kracht om voorwaarts te gaan, niet als een aanleiding om terug te kijken. 

Deze momenten van niet-ik zijn geen ‘geheimen’ van het Oosten en zij zijn zeker niet de geheimen van Zen. Iedereen kan over ze lezen in boeken. Vele mensen hebben ze. Inderdaad, men kan hun boodschap van de daken schreeuwen. Niemand anders schijnt er veel aandacht aan te besteden, want niet-ik moet werkelijk ervaren worden om gewaardeerd te worden.’

Ja.