›› Varia

Zen-Virus (14) In het begin is de geest

31 mei 2020

Hoe weet ik dat in het begin de geest er is? Dat weet ik niet. Ik kan dat niet weten. Want ‘in den beginne’ brengt me naar een onheuglijke tijd, waar geen herinnering aan kan zijn, waar zelfs van tijd geen sprake is. Het is dus ook geen verleden tijd. Op zoek naar dat begin is het zinloos in mijn geheugen te gaan graven. Historische handboeken, oeroude documenten, of archeologische vondsten van stenen met inscripties bieden evenmin uitkomst – hoewel ik het nauwelijks kan laten om op deze vertrouwde wijze naar dat onvindbare begin te zoeken. Hier is niets te raadplegen noch iemand om bij te rade te gaan. Er zijn verhalen, dat wel. De duistere ruimte die ontstaat als het tijdsbegrip zover uitgerekt wordt, is met enig gezag op te vullen met poëtische woorden. Zij vertellen over dat begin als de tijdloze geboorte van een dramatische gebeurtenis, die niet alleen altijd aan het geschieden is, maar dat zelf weer de aanvang is voor een nieuw drama: geboren worden in de tijd.

Heilige geest
Saint James the Greater Catholic Church (Concord, North Carolina)
      De Heilige Geest op Pinksteren

 

    Diep in mij gegrift staan de mythische woorden:

    Bij het begin
    is God gaan scheppen,-
    de hemelen en het aardland.

    Het aardland
    is in z’n geschieden geworden
       woestheid en warboel,
    en duisternis
       op het aanschijn van de oervloed,-
    en geestesadem van God
    wervelend
       over het aanschijn van de wateren.

    (Genesis 1:1-2, Naardense Bijbel).

    Ook hier staat dat mythische ‘begin’. De auteur vermeldt geen jaartal en geen nadere plaatsbepaling. De woorden zijn net zo geheimzinnig als de gebeurtenis die ze beschrijven. De woorden zweven evenals Gods geest over een donker gebied en zodra gevraagd wordt naar hun betekenis verdrinken ze in deze door hen zelf opgeroepen duisternis. Ze verstillen als hebben ze nooit iets gezegd. In hun besterven wekken zij weliswaar een gehele wereld tot leven, maar zwijgen zij over de tijd. Zij spreken over een moment. Zij bezingen dit ogenblik, waarop het begin begint te beginnen zonder een aanwijsbaar tijdsmoment te noemen. Dit begin doorbreekt een causaal denken over tijd: van nu naar vroeger of van vroeger naar nu. Dit oorzaak-gevolg schema is hierop niet van toepassing. Hoe paradoxaal het ook moge klinken, dit nu is een moment van eeuwigheid, waarbij de tijd intact blijft – ik kan nog altijd even op de klok kijken – zonder dat de tijd verstrijkt. Kortom, dit begin begint, en houdt nooit op te beginnen. In die zin geldt ook nu: Gods geest zweeft nog altijd boven de oersoep.

    Maar waarom stellen dat in het begin er de geest is? Waarom niet God, zoals Genesis ons vertelt? Of het Woord, zoals het Johannes Evangelie dit als begin aanwijst. Of waarom niet Martin Buber gevolgd, die zijn magistrale Ich und Du opent met de zin: ‘In het begin is de relatie’?
    Omdat dit begin mysterieus is en onkenbaar, zijn er veel mogelijkheden om met namen of woorden deze lege plek in te vullen. En dat gebeurt op wonderschone wijze. Maar ik heb een voorkeur voor ‘de geest’. De voornaamste reden geef ik verderop in dit verhaal. Maar allereerst kom het erop neer dat ik een grote liefde voel voor dat woord geest. Dat is niet altijd zo geweest. Lange tijd liet het me tamelijk koud, niet zoveel zeggend. Het klonk veel te etherisch, zwevend en vooral negatief: onstoffelijk, onlichamelijk, onaards. Maar langzamerhand begon het woordje geest een steeds grotere waardering te krijgen. Ik begon zelfs te houden van de vaagheid die het omgeeft. Alleen al het uitspreken ervan maakt iets hoorbaar en laat tegelijk iets onhoorbaars achter.
    Het uitspreken van het woord is van zo’n korte duur, dat het nauwelijks tijd overlaat voor het ontstaan van betekenissen. De ‘g’, een zacht gegorgel achter in de mondholte – ik moet bij de g altijd aan Limburg denken – schijnt met voorzichtig tromgeroffel iets aan te kondigen. Dan verschijnt de ‘ee’ als een heldere boodschap, die echter onmiddellijk gestopt wordt met ‘st’. Er wordt net niets gezegd te zijn. Toch heeft er iets geklonken.

    Ik begon het woord geest heel bewust met me mee te dragen. Het werd een koan-woord, dat je niet hoeft te begrijpen, maar dat wel degelijk een werkelijkheid toont. De geest is overal te zien, toch blijft hij verborgen. Telkens als ik het woordje geest onhoorbaar, in de geest, oproep, doet het wat met mij. Het tovert een helderheid tevoorschijn, een gevoel van verwondering, een mysterieus aanwezig zijn, een merkwaardige zin van objectiviteit, zonder pretenties, zonder de noodzaak van bewijsvoering of nadere uitleg.
    Wat is er in mij dat denkt, hoort, ziet, voelt, lacht, huivert, in vervoering raakt, afschuw toont, depressief wordt of zich onverschillig toont? De vluchtigheid van de geest, zo hoorbaar in zijn korte beklijvende klank, doet zich reeds voor in de dagelijkse vormen. De veranderlijke stroom van gedachten, hun willekeurige verschijning, de onbeheersbaarheid van gevoelens, de voortbrengsels en vervormingen van het geheugen, de onvoorspelbare reactie op wat buiten mij gebeurt – de geest zorgt ervoor dat een dergelijk palet aan verschuivingen, tegenstrijdigheden, vanzelfsprekendheden, gewenst en ongewenst aan het licht komt.
    De geest toont zich in elke geboorte, elk ouder worden, ieder sterven. Hij onthult zich in de zon, de maan, de sterren, de hemellichamen. Hij openbaart zich in oorlogen, natuurrampen, epidemieën. De geest wordt zichtbaar in de kunsten, de poëzie, de architectuur. Hij is hoorbaar in de muziek. Hij laat zich zien in de ziekenhuizen, in gevangenissen, verpauperde wijken, steenrijke buurten, stille natuurgebieden.
    Zo zie ik de wonderbaarlijke werkwijze van de geest. Dat wil zeggen, ik zie de geest niet. Ik zie zijn functies, die me doen besluiten tot de aanwezigheid van de geest. Zoals we de verschijnselen zien en vandaar uit ‘concluderen’ dat er ruimte er is, terwijl de ruimte zelf niet waargenomen wordt.
    Is het mogelijk de geest zelf te kennen, de ‘bron’ waaruit alles voortkomt? Ja zeker, beweren de mystieke tradities unisono. Zij het dat de geest slechts kenbaar is via een mystiek, ‘geheim’ en verborgen weten. En hier ligt de eigenlijke reden om te zeggen: in het begin is er de geest. Maar welke ogen kunnen kijken in dat verborgene en het geheim van de geest ervaren? Het scheppingsverhaal uit een zeer oude oosterse traditie geeft een aanwijzing:

    Toen was er noch niet-bestaan noch bestaan
    (...)
    Toen was er noch dood noch onsterfelijkheid
    (...)
    In het begin was duisternis verborgen door duisternis
    (...)
    In het begin ontstond Liefde,
    De oorspronkelijke kiemcel van de geest.
    De zieners die met wijsheid in hun hart zochten,
    Ontdekten de verbinding van zijn in niet-zijn.

    (Rig Veda 10,129)

    Hoewel de dichter van deze hymne zijn onwetendheid omtrent de oorsprong van de schepping onomwonden bezingt, dringt er toch een lichtstraal van weten door: de liefde, sommigen vertalen ‘verlangen’, ‘vuur’ of ‘gloed’, als aanvang van alles. Maar hij beroept zich niet op zijn eigen weten, maar op de zieners (rish) die met wijsheid in hun hart zochten en daardoor zagen hoe zijn en niet-zijn naadloos in elkaar overvloeien. Wie de oorsprong van de schepping wil kennen, die moet een ziener worden die met wijsheid in zijn hart naar dit begin zoekt om aldus de onvindbare verbinding tussen zijn en niet-zijn te ontdekken. De zieners kweekten goddelijke ogen. Zij waren in staat het onzienlijke te zien. Wie die zieners waren en hoe zij erin slaagden dit begin te zien, welke middelen en onder welke omstandigheden, is niet bekend, maar wat zij schouwden, noemden zij ‘verlangen’, ‘vuur’, ‘gloed’.

    Voor ik hiermee verder ga, eerst nog even dit: ook voor de Boeddha was de geest het allerbelangrijkste. Meditatie is het leren kennen van de werkzaamheid van de geest. In zazen wordt het lichaam krachtig neergezet, zodat in die onbeweeglijke houding de bewegingen van de geest kunnen worden waargenomen en hem de ruimte geboden wordt vrijelijk zijn gang te gaan. ‘De dingen worden voorafgegaan door de geest,’ aldus de Boeddha. ‘De geest is de leidsman. Wie met een verdorven geest spreekt, hem volgt leed. Wie met een zuivere geest spreekt of handelt, hem volgt vreugde, als een schaduw die niet wijkt.’
    Ook het Mahayana kent de geest een eerste plaats toe. In de Lankavatara Sutra, het boek dat, naar verluidt, Bodhidharma als aanbevolen literatuur in China introduceerde, wordt de geest gehuldigd als grondslag en principe van al het aardse en bovenaardse:

    ‘Geest is de maat van alle dingen; hij is de woning van zelf-natuur en heeft niets van doen met oorzakelijkheid in de wereld; hij is perfect van aard, absoluut zuiver. Hij is de maat, inderdaad.
    Geest is voorbij alle filosofische gezichtspunten. Hij is vrij van discriminatie; hij is niet bereikbaar, noch is hij ooit geboren; ik zeg – er is niets anders dan Geest.
    Zoheid, sunyata, de grens, nirvana, dharmadhatu, de verscheidenheid aan wilslichamen – zij zijn niets anders dan geest, zeg ik. Wat uitwendig schijnt te zijn, bestaat niet in werkelijkheid. Inderdaad, Geest wordt gezien als veelvormigheid; het lichaam, eigendom en woning – alle drie zijn niets dan Geest.
    Dat wat kan nemen en dat wat genomen is – al dit, zeg ik, is niets dan Geest.
    Alle paren van subject/object zijn manifestaties van Geest, zonder een zelf of tot een zelf behorend; Brahman en de goden, al deze, zeg ik, zijn niets anders dan Geest. Los van de Geest is er niets, wat dan ook, dat bestaat.’

    De zentraditie eert de geest. Verschillende koans beogen het onderzoek naar de aard van de geest. Huineng: ‘Noch de wind beweegt, noch de vlag beweegt. Je geest beweegt.’ Op de vraag ‘wat is boeddha?’, antwoordt Baso: ‘De geest is Boeddha.’ Om even later op diezelfde vraag te antwoorden: ‘Geen Geest, geen Boeddha.’ Banzan zei tot zijn leerlingen: ‘In de drie werelden, daar is geen Dharma. Waar kan je de geest vinden?’ Het zijn allemaal uitnodigingen de geest te traceren en zijn verrichtingen te leren kennen. Huangbo hield ooit een schitterende rede over de geest:

    ‘De Meester zei me: alle boeddha’s en alle levende wezens zijn niets anders dan de Ene Geest, zonder welke niets bestaat. Deze Geest is zonder begin, ongeboren en niet ongedaan te maken. Hij is niet groen of geel, en kent geen vorm of verschijning. Hij behoort niet tot de categorie van dingen die bestaan of niet bestaan, en er kan ook niet over gedacht worden in termen van oud of nieuw. Hij is niet lang of kort, niet groot of klein omdat het alle begrenzingen, bepalingen, namen, karakteristieken en vergelijkingen overstijgt. Hij is dát wat je nu voor je ziet – bij de minste of geringste poging het te duiden, sla je de plank direct mis. Het is als de grenzeloze openheid die niet doorgrond of bepaald kan worden. De Ene Geest alleen is de Boeddha, en er is geen onderscheid tussen de Boeddha en levende wezens anders dan dat de laatste zich hechten aan vorm en zo de Boeddha buiten zichzelf zoeken. Juist door dit zoeken verlies je het, want dat komt neer op het zoeken naar de Boeddha aan de hand van de Boeddha en het bevatten van de geest door middel van de geest. Zelfs al doe je eeuwenlang je uiterste best, je zult op deze manier nooit in staat zijn hem te bereiken. Je weet niet dat als je een einde maakt aan het conceptueel denken en je je zorgen achter je laat, de Boeddha vóór je zal verschijnen, want deze Geest is de Boeddha en de Boeddha is alle levende wezens. Hij is niet minder als hij zich manifesteert in gewone wezens en hij is ook niet meer als hij gemanifesteerd wordt in de boeddha’s.’

    Het Chinese karakter voor geest is shin en wordt zowel vertaald met geest als met hart. Ook al wordt het woord geest gebruikt, dan is dat nooit een mentaal, intellectueel, abstract begrip. Het kent een grote emotionele lading. Het sluit aan op de gloedvolle, vurige ervaringen van de zieners uit de Vedas. Maar ook de christelijke traditie kent de geest een geweldige gevoelservaring toe. Zij heeft de geest verheven tot Heilige Geest. Niet erg behulpzaam is echter de voorstelling dat deze Geest ergens boven de zielen zweeft en moet afdalen om de hen te bereiken. De theologen hebben altijd moeite gehad om het subjectieve , innerlijke leven van hun gelovigen te vertrouwen. Toch biedt het beroemde pinksterverhaal, mits symbolisch verstaan, bijzondere aanknopingspunten:

    ‘Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven. In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’

    (Handelingen, 2.)

    Pinksteren jan Luyken
    De Heilige Geest daalt neer op Maria en apostelen, Jan Luyken, 1681

     De Geest komt als een windvlaag aanwaaien. Vanwege zijn onzichtbaarheid zo vaak vergeleken met adem en wind, meldt de Geest zich niet als een zacht briesje, maar als een krachtige storm. Er verschijnen vurige tongen. De apostelen spraken ieder in hun eigen taal, maar waren voor iedereen verstaanbaar. Natuurlijk, zij spraken allemaal over hetzelfde, de verschijning van de Geest. De omstanders waren verbijsterd en begrepen er niets van. Zij hielden de apostelen voor stom dronken.

    De eerste regel van een oud kerklied over de Geest luidt: ‘Gij die vuur en liefde zijt, gij die leeft van eeuwigheid’. De mystici kennen de Geest als vuur en liefde.
    Zoals Hadewijch van Antwerpen, die de Minne boven God stelde, want ‘die Minne es al’. We weten zeer weinig over haar. Haar leven zou zich afgespeeld hebben midden of einde dertiende eeuw. Waarschijnlijk was zij een begijn. Begijnen vormden een contemplatieve gemeenschap van vrouwen. Zij leidden een sober en celibatair leven en voorzagen in hun levensonderhoud door handenarbeid (textielnijverheid) en het afleggen van doden. Zij verrichten liefdewerk in de ziekenzorg aan leprozen. Nadrukkelijk namen zij afstand van de wereld en kozen zij voor totale religieuze toewijding binnen een autonome gemeenschap, niet onder jurisdictie van enig kerkelijk gezag. Bij de kerkelijke overheid was de begijnenbeweging verdacht. Ze werd verboden op het concilie van Vienne in 1311, tenzij de gemeenschappen zich onder gezag stelden van bisschoppen.

    Hadewijch was zeer belezen. Zij had een grondige kennis van de Bijbel en was vertrouwd met de werken van Augustinus, Gregorius, Bernardus en de Victorijnen. Zij schreef in een prachtig Diets misschien wel het mooiste proza en de schoonste poëzie uit de Nederlandse literatuur. Ook al is het middeleeuws Nederlands, als je het hardop leest wordt het vaak al wat verstaanbaarder, maar je hoort ook de rijkdom van klanken die in haar woorden en zinnen zitten. Zoals deze aanhef van haar eerste brief:

    God, die de clare Minne, die onbekint was, verclaerde bi siere doghet daer hi alle doghe bi verlichte in siere claerheit der Minnen, hi moet u verliechten ende verclaren metter claerre claerheit daer hi hem selven claer met es ende al sinen vrienden ende sinen naesten gheminden.

    Hadewijch kon het woord minne niet vaak genoeg laten vallen:

    Ach, minne, was ik minne
    En kon ik jou, minne, met minne minnen!
    Ach, minne, geef uit minne dat minne
    De minne geheel als minne kenne.

    Hadewijch
    Hadewijch

     Zij kende de verrukkingen van Minne. De ervaringen met de eucharistie en vooral
    het verschijnen van Jezus in haar visioenen leidde haar tot de genotvolle kennis van de Minne. Haar leven werd beheerst ‘door een innerlijke drang [nl. de reden waarom ik niet onder de mensen in de buitenwereld wilde komen] was gericht op de verrukking één te zijn met God.’ Christus is haar lief: ‘En mijn lief gaf zichzelf aan mij, zodat ik hem kon begrijpen en voelen.’ Beroemd is haar zevende visioen op pinksterdag. Christus verschijnt haar als een mens, als een man, met een beminnelijk en mooi en stralend gezicht. Hij gaf haar het brood en de wijn uit de eucharistie.

    Daarna kwam hij zelf bij me en hij nam me helemaal in zijn armen en trok me tegen zich aan. En al mijn leden voelden zijn leden op een volmaakt bevredigende manier, zoals mijn hart begeerde, zoals ik als mens nodig had. Toen werd de honger van mijn lichaam gestild tot ik totaal verzadigd was. En ik had korte tijd de kracht dat uit te houden. Maar al heel gauw verloor ik de uiterlijke vorm van de mooie man uit mijn ogen en ik zag hem vervagen tot hij er niet meer was en zo snel opgelost worden en tegelijk wegsmelten, dat ik hem buiten mezelf niet kon bekennen of waarnemen, en binnen mezelf niet van mij kon onderscheiden. Het leek toen of we één waren zonder onderscheid. Dit had uitsluitend te maken met het zintuiglijke, met zien, proeven, voelen, zoals men bij het ontvangen van het sacrament zintuiglijk kan proeven, zien en voelen, als een geliefde die de geliefde ontvangt in de volle verrukking van het zien en het horen van elkaar en van het opgaan van de een in de ander. Hierna bleef ik zozeer opgaan in mijn lief dat ik helemaal in hem wegsmolt tot niets meer van mezelf overbleef.

    Maar de gevoelde eenheid met Minne is geenszins blijvend. Vaak klaagt Hadewijch dat de Geliefde haar in de steek laat, langdurig afwezig is. Ondanks haar aandringen, roepen en smeken blijft de Minne weg. Zij lijkt altijd onder spanning te staan: komt de Geliefde wel of niet. Zijn uitblijven maakt haar razend. Hadewijch gebruikt hiervoor het woord ‘orewoet’, misschien het best te vertalen door ‘minnerazernij’. Zij voelt zich als Job uit het Oude Testament, geplunderd, vernederd, aan zijn lot overgelaten. Zij noemt zich een ‘alendich wijf’, rouwt om de pijn in haar lichaam, ‘Mi gruwelt dat ic leve...’ ‘Mi berout dat ic moet leven…’ ‘Mi gruwelt dat ic mensche waert.’ Maar zij weet ook dat Minne alles van haar vraagt: ‘Moge God me alles geven dat de minne het meest bevalt. Als zij het wenst, mag een nederlaag me het meeste voordeel brengen’, aldus zingt zij in haar eerste lied.
    Eenendertig brieven zijn van haar bewaard gebleven. Zij schrijft als geestelijke leidsvrouw aan een medezuster, liefdevol aangesproken met ‘lieve kint’. Hadewijch is hier de mystagoog die haar leerlingen aanspoort, aanmoedigt, wijst op de moeilijkheden, die doorstaan moeten worden en zij vertelt ook over de ellende die ze heeft moeten doormaken:

    ‘Zet je hart wijd open met grote begeerte voor de geheelheid Gods. En bereid je ziel voor op het grote genieten van de gewel­dige minne van onze over zoete God.
    Ach, kindlief, ik noem hem nu wel overzoet, maar hij is voor mij wreder geweest dan ooit een duivel was. Want duivels hebben me nooit kunnen beletten hem te minnen. Maar hij heeft het me zelf belet. Och arme, wat hij me aanbood en al gegeven had, heeft hij nu laten varen.’

    (uit de eerste brief)

    De brieven zijn soms kleine, mystieke traktaten. Ze zijn bemoedigend, prikkelend, stimulerend:

    ‘God zij met jou, mijn hartelief, en geve je troost en vrede met hemzelf. Dit zag ik nu wel het liefst van al: dat God je met zijn vrede zou bijstaan en je troosten met zijn eigen goedheid en verlichten met de fierheid van zijn geest, zoals hij ook wel zal doen, en graag, als je het aan hem wilt overlaten en genoeg op hem vertrouwt.
    Ach lieve kind, verzink met heel je ziel geheel in hem, buiten al wat minne niet is, wat je ook overkomt. Ach, lieve, waarom heeft de minne je nog niet helemaal overweldigd en verzwol­gen in haar diepte? O wee! Zo zoet als minne is, waarom werp je je er niet diep in, en waarom raak je God niet diep genoeg in de diepte van zijn natuur die zo grondeloos is? Zoete minne, geef je om minne in minne helemaal aan God.’

    (uit de vijfde brief)

    Honderd jaar later noemt Jan van Leeuwen, de kok van Groenendael en vertrouweling van Ruusboec, haar ‘sancte Hadewijch’, een ‘overheilich wijf’ en elders een ‘heylich glorioes wijf’ en plaatste haar op dezelfde hoogte als Paulus. En Van Mierlo, die de eerste kritische editie van haar werken uitgaf in 1947, ziet haar als een groot kunstenaar: ‘Overzien we haar proza en poëzie, dan kunnen we zeggen: een temperament als geen tweede en een kunstenares als weinige.’ En Albert Verweij, die een mooie vertaling van haar visioenen maakte zei:

    ‘De Vizioenen zijn de late schriftuur van een vrouw die zich bewust was van een ongewone grootheid. De eerste woorden wekken al een wonderlijke indruk van haar uitzonderlijkheid. Er is in deze aanhef [van haar eerste brief] zoo iets koninklijks, dat men het onmogelijk als de natuurlijke uiting van alle godzoekende vrouwen verstaan kan, maar er noodzakelijk de openbaring van Hadewychs persoonlijk karakter in zien moet.’

    Voor Jan van het Kruis was de Heilige Geest geen mentaal begrip, geen dogma dat men op gezag van anderen diende te geloven, maar een ervaring. De Geest woont heimelijk en verborgen in alle zielen. Aan ieder van ons de opgave haar werkzaamheid te vernemen. Er zijn momenten op de spirituele weg dat de Geest zich doet voelen als een geweldig stromende rivier, die al haar activiteit en al haar passies, waarmee zij vroeger leefden, doet overstromen. De Geest spoelt elke gedachte aan ik-mij-mijn weg. Dat is geen kwelling. Want het zijn ‘stromen van vrede’. ‘En deze ruisende rivier, haar beminde, is een geruis en een geestelijke stem die alle geruis en gerucht overstemt. Deze stem doet elke andere stem wegvallen en overtreft alle geluiden ter wereld.’
    De Geest is voor Jan van het Kruis ook een ‘vlam van liefde’, een ‘liefdesvuur’, een ‘vuur van oneindige liefde’. De Geest is de ‘leermeester’ die de ziel ontvankelijk maakt en haar daarvoor plaatst in geestelijke eenzaamheid. Als geen ander is Jan van het Kruis, de mystagoog, in staat om de beroeringen te beschrijven die de Geest in de ziel teweegbrengt. Maar om deze subtiele, innerlijke aanrakingen te vernemen, dienen al het aardse denken, alle gewone vormen van zintuiglijk waarnemen achter gelaten te worden. Deze zijn veel te grof voor fijnzinnige taal van de Geest. Alleen een ziel die gezuiverd is van alle aardse gerichtheid kan de tedere trillingen en de geheime, gefluisterde woorden vernemen.
    De ziel moet omgevormd worden tot een glanzend schijnen. Zij moet zelf in vlam gaan staan. Zij moet gaan trillen en laaien als de vuurtongen. Daarvoor moet zij geschroeid worden door de liefde. Dit schroeien veroorzaakt een wond, een liefdeswond. En deze wond kan alleen maar genezen worden door het schroeien zelf.

    ‘De wonde echter, die veroor­zaakt wordt door dit schroeien van de liefde, kan door geen an­der geneesmiddel geheeld worden dan door dat schroeien zelf. Hetzelfde schroeien dat de wonde toebrengt, geneest ze ook, en door ze te genezen brengt het ze ook toe. Telkens als dit schroei­en van de liefde doordringt in de liefdeswonde, maakt het de liefdeswonde groter. Het schroeien geneest dus en maakt gezond naarmate het meer verwondt. Hoe dieper immers de minnaar ge­wond wordt, des te gezonder is hij. De genezing, die door de liefde gebracht wordt, bestaat juist in het schroeien van een nieuwe wonde op de reeds geschroeide plek. Dit gaat zo ver dat de wonde zo groot wordt dat de gehele ziel niets anders meer is dan één liefdeswonde. Zij is op die manier geheel en al geschroeid en één liefdeswonde geworden. Daarom voelt zij zich helemaal gezond in de liefde. Zij is immers omgevormd in liefde.’ (999)

    Dit wordt ook wel genoemd een ‘zoet en helend schroeien’. Op het einde van een van zijn mooiste mystieke traktaatjes, De levende vlam van liefde, verbindt hij de Geest met de adem. Zo onzichtbaar en waarneembaar als de adem is, zo onzichtbaar en waarneembaar is de Geest. En hij besluit zijn uiteenzetting met een magistraal einde:

    ‘Ik spreek liever niet over dit ademhalen, dat vol is van zegen en heerlijkheid en zachte liefde van God voor de ziel. En ik doe het ook niet. Want ik zie duidelijk dat ik het niet kan zeggen, en het zou de schijn wekken dat het precies dat is als ik er over zou spreken. Het is een ademen van God zelf in de ziel. Door dit ontwaken van die verheven kennis van Gods wezen ademt Hij haar de Heilige Geest toe. Dit is in verhouding met het inzicht en de kennis van God. Het neemt haar mee naar de diepten van de Heilige Geest; het doet haar ontvlammen in liefde, met god­delijke schoonheid en fijngevoeligheid in overeenstemming met wat zij in God gezien heeft. Omdat dit toeademen van God ver­vuld is van zegen en heerlijkheid, heeft de Heilige Geest de ziel daarin vervuld met zegen en heerlijkheid. Hierdoor doet Hij haar in de diepten bij God in liefde tot Zich ontvlammen, en wel op een wijze die alle taal en ervaren te boven gaat. Aan Hem zij eer en heerlijkheid. Amen.’ (1070)

    Enige jaren gelden was ik aanwezig bij een conferentie van geestelijke verzorgers in ziekenhuizen. De bijeenkomst vond plaats in de prachtige kapel van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis in Amsterdam Oost. De voorzitter van deze conferentie opende met de woorden: ‘Van de week heeft mijn oudste zoon zijn ouderlijk huis verlaten om te elders te gaan studeren. Ik heb toen gezegd: ‘Wat je gelooft is jouw zaak. Maar als je het ooit eens moeilijk krijgt, zeg alleen maar voortdurend : ‘Kom, Heilige Geest’.’
    Wat een prachtige raadgeving. Het herinnert aan het Veni Creator Spiritus, een schitterend gebed, waarschijnlijk geschreven door Stephan Langdom in de elfde eeuw en zo majestueus getoonzet door Gustav Mahler in zijn Achtste symfonie. Een hartenkreet: ‘Kom, Heilige Geest, kom alsjeblieft, reinig wat vuil is, besproei wat verdord is, genees wat gewond is. / Maak soepel wat verstard is, verwarm wat verkild is.’
    De Geest. De Geest. Vergeet nooit de Geest.

    Geliefde en geachte lezer,

    Dit is de laatste Zen-Virus. Begonnen met de intelligente lockdown, eindig ik met de versoepeling in het Pinksterweekend. Ik dank Marieke Heijman en Remco Pijpers dat zij mij deze gelegenheid boden, maar vooral ook voor hun redactionele werk. Joke dank ik voor het nakijken en corrigeren van de teksten. En U, lezer, mijn dank voor Uw bereidheid dit alles te lezen. Maar vooral wens ik U toe dat we elkaar spoedig weer mogen omhelzen en elkaar lijfelijk kunnen laten voelen: wat houd ik toch van jou!

    Bronnen

    • De vertaling van de aanhef van de eerste brief van Hadewijch:
      God, die de klare Minne, die onbekend was, verklaarde door zijn leven op aarde, waardoor hij alle leven in het licht zette van zijn klare minne, hij moge je verlichten en verhelderen met die heldere klaarheid waarmee hij zichzelf klaar is en zijn vrienden en zijn naaste beminden.
    • De scheppingshymne uit de RigVeda: The Rig Veda, an anthology, one hundred and eight hymns, selected, translated and annotated by Wendy Doniger O’ Flaherty, Penguin Book, 1981, p.25.
    • Hadewijch, Die Minne es al, Frans van Bladel, Davidsfonds, literar, 2002.
    • Frits van Oostrum, Stemmen op schrift, Geschiedenis van de Nederlandse literatuur vanaf het begin tot 1300, Bert Bakker, Amsterdam, 2006, voor Hadewijch p. 419-461.
    • Heilige Johannes van het Kruis, Volledige werken, vertaald en ingeleid door Joannes a Cruce Peters en J.A.Jacobs, Uitgevrij Paul Brand N.V., Hilversum/Antwerpen 1963, de cijfers achter de citaten verwijzen naar de bladzijden.