›› Varia

Zen-Virus (8) Gustav Mahler, De dood doolt tussen notenbalken

19 april 2020

Welke klank heeft de dood? Welke geluiden wachten mij als ik die drempel oversteek en mij ga wagen in een gebied, dat ik slechts ken uit verhalen? Zijn daar wel geluiden? Is het doodsmoment een stilte voor een storm waarin hemelse muziek mij opwacht en mij, gewichtloos geworden, doet zweven in de eeuwigheid?  Of is het ogenblik van sterven een moment van eeuwigheid, waarin geen geluid wordt voortgebracht?

Maar stel, ik word verrast met engelengezang, zijn die anders dan de cantates van Johannes Sebastian Bach? Gustav Mahler componeerde ‘Das himmlische Leben’, dat uiteindelijk als laatste deel in zijn vierde symfonie belandde. Is dit lied niet ontleend aan aardse klanken? Of is de stilte na de dood dezelfde stilte waarin Mahler tijdens zijn leven muziek vernam? Of is stilte een illusie? Zijn er altijd en overal geluiden, trillingen, vibraties, hoorbaar voor wie oren heeft?
In Das Lied von der Erde verklankt Mahler niet de dood, maar de richting waarin zijn leven zich bewoog.

Mahler

Gustav werd geboren in een Joods gezin. Vader dreef een drankwinkel, een van de weinige beroepen die Joden ten tijde van de Oostenrijks Habsburgse monarchie mochten uitoefenen. Moeder schonk het leven aan veertien kinderen. Vader voedde zijn kinderen op met harde hand. Moeder was zachtaardig. Hun huwelijk was van ‘ijzer en vuur’, schrijft Gustav later.
Toen Mahler in 1907 Das Lied begon te componeren, was hij enige tijd diep depressief geweest. Van het gezin waren nog slechts vier kinderen in leven. Ook zijn ouders waren inmiddels gestorven. Maar het ergste wat hem overkwam, was de dood van zijn dochter Maria, koosnaampje Putzi, vijf jaar oud. Hij hield zielsveel van haar, zo zeer dat hij wenste bij haar begraven te worden. Aan die wens werd voldaan.

Maar nog vóór de dood van zijn dochter had hij ontslag genomen als dirigent bij de Wiener Hofoper. Hoewel onder zijn leiding in dit aards conservatieve milieu grote vernieuwingen waren doorgevoerd, had hij zich de nodige vijanden gemaakt, vaak vanuit antisemitische sentimenten. Hij had zich bekeerd tot het christendom en men verweet hem dit gedaan te hebben om opportunistische redenen, namelijk om algemeen directeur te worden van de Weense Hofopera. Want voor een Jood was deze post niet weggelegd.

Hoewel Mahler later erkent zich zeer ongemakkelijk te voelen over zijn bekering, toont hij zijn affiniteit met het christendom wel degelijk in zijn tweede symfonie: der Aufstehung. Mahler wilde geloven in de verrijzenis. Hij was een religieus mens, zoals Altrea Roller, zijn naaste medewerker bij de Opera en een van zijn trouwste vrienden, getuigt: 'Als een lofzang’ was misschien de beste uitdrukking om het fundamentele aspect van zijn aard te definiëren. Hij was diep gelovig. Zijn geloof was dat van een kind. ‘God is liefde en de liefde is God’, die gedachte kwam elk moment in zijn conversatie terug.'

Oskar Fried, dirigent, vertelt dat Mahler ook de twijfel kende: 'Hij was een zoeker naar God. Met een weergaloos vuur, met een onschokbare liefde, zocht hij onophoudelijk in de mens en in elk mens, het goddelijke. Hij beschouwde zichzelf als een afgezant Gods en hij was geheel doordrongen van zijn missie. Zijn aard was wezenlijk religieus, in de mystieke zin van het woord, eerder dan dogmatisch. (...) Toch had hij soms momenten waarin hij twijfelde aan zijn goddelijke missie. Angst verstikte hem wanneer hij er niet meer zeker van was de vervulling in zich te dragen. Maar toch had hij geen onwankelbaarder overtuiging dan zijn eigen geloof.’

Maar Mahler componeerde in de schaduw van de dood. In elke symfonie klinkt een dodenmars. 

In hetzelfde jaar 1907 had hij te horen gekregen te lijden aan een ernstige hartkwaal. Die tijding maakte hem doodongerust. Hij moest afzien van al te grote inspanning, zoals zwemmen en zijn geliefde lange wandelingen. En hij werd regelmatig overvallen door panische angsten.
En er was nog iets wat hem zeer verontrustte. Zijn huwelijk met Alma Mahler dreigde stuk te lopen. Haar interesse ging reeds uit naar Walter Gropius, de architect.

Hij verliet Wenen om in New York concerten te dirigeren, hoewel hij wist dat hij grote vermoeidheid moest vermijden. In de zomer van 1908 keert hij terug in Europa en wel naar Tobach, Tirol, waar hij in de eenzaamheid rust probeert te vinden. Maar aan Bruno Walter, vriend en dirigent, laat hij in een brief weten: ‘Ik verloor met één klap alle helderheid en geruststelling en ik stond oog in oog met het niets en ik moest op het einde van mijn leven leren lopen en staan als een beginner…Dit is de grootste ramp die mij ooit overkomen is. Ik moest absoluut een nieuw leven beginnen, ik ben een complete beginner.’
Toch eindigt Mahler de brief dat hij van zijn leven begint te genieten en van de mooie zomer…

Hij had een gedichtenbundel in handen gekregen, ‘De Chinese Fluit’, een verzameling gedichten van onder andere Li-Po, in het Duits vertaald door Hans Bethge, of liever geparafraseerd (Nachdichtungen), teruggaande op Franse vertalingen uit het Chinees, daar Bethge het karakterschrift niet kon lezen. Li-Po  (702-763) was een vagebond en dronkaard. Zijn gedichten zijn doordrongen van melancholie, de vergankelijkheid van het leven en van drinken om te ontsnappen aan het aardse lijden. Van Li-Po wordt verteld dat hij zich verdronken heeft terwijl hij dronken was, maar de legende wil dat de goden hem uitnodigden te water te gaan om te wonen in de eeuwigheid. Mahler was onder de indruk van deze stemmige gedichten, zwanger van symbolisme, die het raadsel van bestaan gracieus verwoorden. De gedichten hielpen hem om zijn lot te aanvaarden. Zij gaven aanleiding zijn eenzaamheid en berusting te componeren’

Uit de bundel koos hij zes gedichten: een van Tchang-Tsi, vier van Li-Po en voor het laatste deel gebruikte hij twee afscheidsverzen van twee vrienden Mong-Koo-Yen en Wang-Wei. Overigens veroorloofde hij zich enkele veranderingen aan te brengen. Hij schreef het stuk voor een groot symfonieorkest en twee zangstemmen, een tenor en een alt. Een dergelijke opzet doet me denken aan sommige taoïstische landschapsschilderingen waar de natuur met bergen, rotsen, hellingen en bomen vrijwel het gehele vlak in beslag nemen – het orkest – en  ergens onderaan verscholen enkele zeer klein getekende mensjes lopen – de zangers. Mahler: ‘Mijn muziek is niet meer dan natuurgeluid (Naturlaut). Een ander ‘programma’ ken ik niet.’

Hij schreef Das Lied von der Erde in anderhalve maand. Het bestaat uit zes delen:

•    Das Trinklied von Jammer der Erde
Horens schallen van dronkenschap. De tenor kan nauwelijks en met heel veel moeite over het orkest heen komen. De wijn wordt verheerlijkt om zijn kracht twijfels en vrees tenminste tijdelijk te verjagen. De tegenstelling tussen vergankelijk leven en de duurzaamheid van de natuur. Maar het telkens terugkerend bitterzoet klinkende refrein ‘Dunkel ist das Leben, ist der Tod’. O, die altijd aanwezige. alles overdekkende duisternis die zowel over het leven heerst als over de dood, uitgedrukt in een prachtige muzikale zin. En zoals vaak bij Mahler, als je de melodie eenmaal gehoord hebt, dan lijkt deze als vanzelfsprekend uit de grammatica van de woorden voort te komen. Het kan bijna niet anders dan zo te moeten klinken.

Noten lied van de aarde

•    Die Einsame im Herbst
Een mistig mijmeren van violen. De herfst komt. Het leven raakt in verval. O, geef mij rust. De zon van de liefde wordt uitgedoofd en zal nooit meer schijnen.

•    Von der Jugend
Een muziekminiatuur. Een vrolijke herinnering aan de jeugd. Als vrienden zaten we aan een kleine tafel in het groene, witte porseleinen paviljoen. We dronken, kletsen, schreven gedichten.

•    Von der Schönheit
Jonge meisjes plukken bloemen, plukken lotusbloemen aan de oever van de rivier. Een uitstorting van vreugde. Jonge mannen komen langs. De vrouwen kijken hen smachtend na.

•    Der Trunkene im Frühling
Het leven is een droom. Waarom zou ik mij bekommeren om moeite en ellende? Ik drink de gehele dag. Ik val in een verrukkelijke slaap. Ik droom dat ik ontwaakt en een vogel hoor. Hij zingt van de lente die komt in de nacht. Ik drink tot de maan glanst aan het zwarte firmament. Laat me toch dronken zijn.

Dan verandert de sfeer volledig.

•    Der Abschied
De dreun van de zwarte gong, Grabgeläute. Zonsondergang. Bergen en bossen roepen de eenzaamheid. Ooit schreef hij: ‘Oh, mijn geliefde aarde, open je schoot voor deze eenzame ziel.’  Hij kende het eeuwige en schrikbarende mysterie van de natuur dat je hoogstens kunt vermoeden maar nooit echt begrijpen of binnendringen: ‘De zee is oneindig en elk kunstwerk moet ook een stukje oneindigheid bevatten dat op welke wijze dan ook de natuur weerspiegelt... Wat telt in een kunstwerk is dat het iets geheimzinnigs, iets onmetelijks bevat. Wanneer je het gehele werk in een enkele blik kunt omvatten, heeft het zijn magie, zijn aantrekkingskracht verloren, zoals het mooiste park vervelend kan lijken wanneer je er alle lanen zo goed in kent dat je zelfs geen zin meer hebt om erin te gaan wandelen.'
Twee vrienden nemen afscheid van elkaar. Snerpende klanken huilen de verscheurdheid. Een afscheid voor altijd. Er is verlatenheid, tederheid, spanning, kalmte. Er klinkt een lyrisch schreeuwen: ‘O Schoonheid! O eeuwig Leven – Levensdronken wereld! Vriend, waar ga je heen en waarom moet het zo zijn?’ Hij besteeg zijn paard en zei: “Mijn vriend, voor mij was het geluk niet weggelegd. Ik ga, ik ga zwerven in de bergen. Ik zoek rust voor mijn eenzaam hart.’ En dan voegt Mahler zijn eigen woorden toe:

Ik zal nooit langer de verre horizon zoeken,
Mijn hart is stil en wacht zijn uur!
De lieve aarde bloeit in de lente overal en groeit opnieuw,
Overal en altijd blauwe lichten aan de horizon!
Eeuwig…. Eeuwig

Een donkere, zacht aanhoudende zingende stem, die droevig maar lijdzaam de eeuwigheid in glijdt. Als ik het mocht zeggen, maar ik weet, hier heb ik niets te wensen, maar toch, en als ik zou kunnen zingen – maar mijn stem klinkt als krantenpapier, maar stel, dan zou ik zo zingend de dood willen binnengaan.

Mahler heeft Das Lied von der Erde nooit in uitvoering gehoord. Hij stierf op 18 mei 1911. De première vond plaats op 20 november 1911 in München onder leiding van Bruno Walter. Anton Webern was daarbij en schreef meteen een briefje aan Arnold Schönberg:

Zojuist heb ik Mahlers ‘Lied von der Erde gehoord. Ik kan niet spreken. Ik mocht, staande naast Mevrouw Mahler, meelezen in de met de hand geschreven partituur van Mahler. Ik kan u niet zeggen hoe gelukkig me dat maakt: de vrouw van de ontslapene nodigt me uit mee te lezen in de door Mahler zelf geschreven partituur. Alleen zij en ik hebben dat gelezen. Soms was ik helemaal met haar alleen. Ik heb uren beleefd die ik tot de dierbaarste reken die ik tot nu toe heb beleefd. Ik had het gevoel dat Mahler het heeft voorbestemd dat ik bij de eerste kennismaking met "Das Lied von der Erde" de door hem zelfgeschreven partituur in handen had. Ja Mijnheer Schönberg, was u maar hier. Ik kan niet meer schrijven - mijn God, ik zou het liefst de geest willen geven. Uw Webern. 

Op YouTube zijn verschillende mooie uitvoeringen van Das Lied von der Erde te horen. Ik kleef nogal vast aan de uitvoering van Bruno Walter, Julius Patzak en Kathleen Ferrier, daar ik deze rond mijn vijftiende, zestiende jaar vele malen onder tranen beluisterd heb.


Tijdens de repetitie zei Kathleen Ferrier dat zij bij het zingen van Der Abschied bang was tijdens de uitvoering in snikken uit te barsten, waarop Bruno Walter zei: ‘O dat is niet erg, dat doen ze allemaal.’

Bron: Henry-Louis de La Grange, Op zoek naar Gustav Mahler, Meulenhoff, Amsterdam, 1995.
Hartmut Haenchen, Mahler, Das Lied von der Erde, [eigen beheer uitgegeven door de Radio Filharmonisch Orkest, z.j.]

Stephen E. Hefling, Mahler, Das Lied von der Erde, (The Song of the Earth), Cambridge University Press, 2000.

Das Lied von der Erde

1. Das Trinklied vom Jammer der Erde

Doch trinkt noch nicht, erst sing' ich euch ein Lied!
Das Lied von Kummer
Soll auflachend in die Seele euch klingen
Wenn der Kummer naht,
Liegen w
üst die Gärten der Seele,
Welkt hin und stirbt die Freude, der Gesang. 
Dunkel ist das Leben, ist der Tod. 

Herr dieses Hauses!
Dein Keller birgt die Fülle des goldenen Weins!|Hier, diese Laute nenn' ich mein!
Die Laute schlagen und die Gläser leeren, 

Das sind die Dinge, die zusammen passen.
Ein voller Becher Weins zur rechten Zeit
Ist mehr wert, als alle Reiche dieser Erde!
Dunkel ist das Leben, ist der Tod!

Das Firmament blaut ewig und die Erde
Wird lange fest steh'n und aufblüh'n im Lenz.
Du aber, Mensch, wie lang lebst denn du?
Nicht hundert Jahre darfst du dich ergötzen
An all dem morschen Tande dieser Erde!

Seht dort hinab! Im Mondschein auf den Gräbern
Hockt eine wild-gespenstische Gestalt –
Ein Aff' ist's! Hört ihr, wie sein Heulen
Hinausgellt in den süßen Duft des Lebens!

Jetzt nehmt den Wein! Jetzt ist es Zeit, Genossen!
Leert eure gold'nen Becher zu Grund!
Dunkel ist das Leben, ist der Tod!

2. Der Einsame im Herbst

Herbstnebel wallen bläulich überm See;
Vom Reif bezogen stehen alle Gräser;
Man meint, ein Künstler habe Staub von Jade
Über die feinen Blüten ausgestreut.

Der süße Duft der Blumen ist verflogen;
Ein kalter Wind beugt ihre Stengel nieder.
Bald werden die verwelkten, gold'nen Blätter
Der Lotosblüten auf dem Wasser zieh'n.

Mein Herz ist müde. Meine kleine Lampe
Erlosch mit Knistern, es gemahnt mich an den Schlaf.
Ich komm' zu dir, traute Ruhestätte!
Ja, gib mir Ruh', ich hab' Erquickung not!

Ich weine viel in meinen Einsamkeiten.
Der Herbst in meinem Herzen währt zu lange.
Sonne der Liebe willst du nie mehr scheinen,
Um meine bittern Tränen mild aufzutrocknen?

3. Von der Jugend

Mitten in dem kleinen Teiche
Steht ein Pavillon aus grünem
Und aus weißem Porzellan.

Wie der Rücken eines Tigers
Wölbt die Brücke sich aus Jade
Zu dem Pavillon hinüber.

In dem Häuschen sitzen Freunde,
Schön gekleidet, trinken, plaudern.
Manche schreiben Verse nieder.

Ihre seidnen Ärmel gleiten
Rückwärts, ihre seidnen Mützen
Hocken lustig tief im Nacken.

Auf des kleinen Teiches stiller
Wasserfläche zeigt sich alles
Wunderlich im Spiegelbilde.

Alles auf dem Kopfe stehend
In dem Pavillon aus grünem
Und aus weißem Porzellan;

Wie ein Halbmond steht die Brücke,
Umgekehrt der Bogen. Freunde,
Schön gekleidet, trinken, plaudern.

4. Von der Schönheit

Junge Mädchen pflücken Blumen,
Pflücken Lotosblumen an dem Uferrande.
Zwischen Büschen und Blättern sitzen sie,
Sammeln Blüten in den Schoß und rufen
Sich einander Neckereien zu.

Gold'ne Sonne webt um die Gestalten,
Spiegelt sie im blanken Wasser wider,
Sonne spiegelt ihre schlanken Glieder,
Ihre süßen Augen wider,
Und der Zephir hebt mit Schmeichelkosen
Das Gewebe Ihrer Ärmel auf,
Führt den Zauber
Ihrer Wohlgerüche durch die Luft.

O sieh, was tummeln sich für schöne Knaben
Dort an dem Uferrand auf mut'gen Rossen?
Weithin glänzend wie die Sonnenstrahlen;
Schon zwischen dem Geäst der grünen Weiden
Trabt das jungfrische Volk einher!

Das Roß des einen wiehert fröhlich auf
Und scheut und saust dahin,
Über Blumen, Gräser wanken hin die Hufe,
Sie zerstampfen jäh im Sturm die hingesunk'nen Blüten,
Hei! Wie flattern im Taumel seine Mähnen,
Dampfen heiß die Nüstern!

Gold'ne Sonne webt um die Gestalten,
Spiegelt sie im blanken Wasser wider.
Und die schönste von den Jungfrau'n sendet
Lange Blicke ihm der Sehnsucht nach.
Ihre stolze Haltung ist nur Verstellung.
In dem Funkeln ihrer großen Augen,
In dem Dunkel ihres heißen Blicks
Schwingt klagend noch die Erregung ihres Herzens nach.

5. Der Trunkene im Frühling

Wenn nur ein Traum das Leben ist,
Warum denn Müh' und Plag'!?
Ich trinke, bis ich nicht mehr kann,
Den ganzen, lieben Tag!

Und wenn ich nicht mehr trinken kann,
Weil Kehl' und Seele voll,
So tauml' ich bis zu meiner Tür
Und schlafe wundervoll!

Was hör' ich beim Erwachen? Horch!
Ein Vogel singt im Baum.
Ich frag' ihn, ob schon Frühling sei,
Mir ist als wie im Traum.

Der Vogel zwitschert: Ja!
Der Lenz ist da, sei kommen über Nacht!
Aus tiefstem Schauen lauscht' ich auf,
Der Vogel singt und lacht!

Ich fülle mir den Becher neu
Und leer' ihn bis zum Grund
Und singe, bis der Mond erglänzt
Am schwarzen Firmament!

Und wenn ich nicht mehr singen kann,
So schlaf' ich wieder ein.
Was geht mich denn der Frühling an!?
Laßt mich betrunken sein!
)

6. Der Abschied

Die Sonne scheidet hinter dem Gebirge.
In alle Täler steigt der Abend nieder
Mit seinen Schatten, die voll Kühlung sind.
O sieh! Wie eine Silberbarke schwebt
Der Mond am blauen Himmelssee herauf.
Ich spüre eines feinen Windes Weh'n
Hinter den dunklen Fichten!

Der Bach singt voller Wohllaut durch das Dunkel.
Die Blumen blassen im Dämmerschein.
Die Erde atmet voll von Ruh' und Schlaf.
Alle Sehnsucht will nun träumen,
Die müden Menschen geh'n heimwärts,
Um im Schlaf vergess'nes Glück
Und Jugend neu zu lernen!
Die Vögel hocken still in ihren Zweigen.
Die Welt schläft ein!

Es wehet kühl im Schatten meiner Fichten.
Ich stehe hier und harre meines Freundes;
Ich harre sein zum letzten Lebewohl.
Ich sehne mich, o Freund, an deiner Seite
Die Schönheit dieses Abends zu genießen.
Wo bleibst du? Du läßt mich lang allein!
Ich wandle auf und nieder mit meiner Laute
Auf Wegen, die von weichem Grase schwellen.
O Schönheit! O ewigen Liebens – Lebens – trunk'ne Welt!

Er stieg vom Pferd und reichte ihm den Trunk
Des Abschieds dar.
Er fragte ihn, wohin er führe
Und auch warum es müßte sein.
Er sprach, seine Stimme war umflort. Du, mein Freund,
Mir war auf dieser Welt das Glück nicht hold!
Wohin ich geh'? Ich geh', ich wand're in die Berge.
Ich suche Ruhe für mein einsam Herz.
Ich wandle nach der Heimat, meiner Stätte.
Ich werde niemals in die Ferne schweifen.
Still ist mein Herz und harret seiner Stunde!
Die liebe Erde allüberall
Blüht auf im Lenz und grünt aufs neu!
Allüberall und ewig blauen licht die Fernen!
Ewig... ewig...